HuB
Description
Un petit temple pour les mots écrits, un écrin pour vos messages et un symbole d’échange profond.
Un petit temple pour les mots écrits, un écrin pour vos messages et un symbole d’échange profond.
Le pigeon voyageur transporte des histoires avec lui. Si vous faites un petit effort, vous pourrez lire dans ses pensées.
Une maison pour l'affection. Asseyez-vous, lisez et écrivez à votre aise.
Un grande armoire d’archives, couverte de graffiti. Conçue pour l’échange de lettres, la promotion et la réflexion.
Un clin d’œil ludique à l’enfance et la projection de l’intersection entre la mémoire et le mouvement.
Une référence visuelle du défi de Jordi ; la combinaison d’un vélo, de boîtes aux lettres, d’un laps de temps avec endurance, confiance et amusement.
Tout là-haut, il y a de lointaines histoires, pour ceux qui se trouvent loin. Il suffit de faire quelques pas pour découvrir quelque chose de nouveau.
Vandaag heb ik een korte dag richting de stad Zoige, waarna er een hoop middle of nowhere volgt. Ik heb dus besloten om hier nog even halt te houden voor ik weer echt kilometers ga maken richting Chengdu. Daar zal ik de motorrijder Rudy Kai treffen. Hij kwam me al even opzoeken in Lanzhou en heeft aangeboden om me onderdak te bieden in Chengdu. Een mooi vooruitzicht aangezien de eenzaamheid flink is toegeslagen sinds ik Z. heb leren kennen.
Het thuisfront meldt zich gelukkig veel deze dagen. Vrienden en familie bellen en sturen berichten. Dat doet goed, maar toch ben ik hier alleen en slaat er niemand een arm om me heen.
Vanavond spreek ik Z., een heerlijk vooruitzicht. Maar eerst nog even op 10 kilometer van Zoige een lekke band plakken.
Het telefoongesprek loopt anders dan verwacht. We hebben net opgehangen en ik denk aan de meisjes in de witte jurkjes, die me een roze tulp gaven en aan de grenswacht in Oezbekistan, die me vertelde over de Zwarte Tulp van Alexandre Dumas. Een novelle over de maakbaarheid van het bestaan, over beproevingen. “Wat als de meisjes me een zwarte tulp hadden gegeven in plaats van een roze," denk ik dramatisch, "dat was een gepast voorteken geweest".
Z. is op een vliegveld en hij draait zijn camera, ik zie een autonoom karretje rondrijden. "Arm ding," zegt Z., "hij is een slaaf, niet vrij om zijn eigen leven te leiden." Ik lach en smelt een beetje. "Het doet me denken aan laatst, toen ik ging paardrijden, ik moest zo huilen," vervolgt Z., "ik heb mijn excuses aangeboden aan dat paard. Het was zo oneerlijk. Het is een levend wezen, geen object!" Op dit soort dingen word ik nu een beetje verliefd. "Ik heb het idee dat dat ook voor die robots geldt, die hebben ook een ziel."
Maar naast paarden en robots kwam er ook nog iets anders ter sprake: Z's hart behoort nog iemand anders toe. En wat er verder gezegd en gesproken is, hoort in een envelop, die alleen voor Z. en mij is bestemd. Wat ik erover kan zeggen en schrijven is dat het voelt als het einde van de wereld, hier in dit eenvoudige hotel, waar ik in de lobby werd opgewacht door een chagrijnige man, die ietwat geirriteerd was dat ik geen Chinees sprak. Was het niet "zes brieven naar het einde van de wereld?", denk ik. En op dit moment zou ik dat het liefst doen: stoppen en zeggen: ”hier, waar verbinding eindigt, eindigt mijn reis."
Wanneer ik wakker word is mijn lichaam nog steeds moe. Vandaag wil ik de tempels van Langmusi bezoeken en dan doorfietsen richting Zoige.
Maar ik denk terug aan mijn bezoek aan het klooster van Xiahe. Dat waren zoveel indrukken en gevoelens, om er dan ook een dag bij te fietsen is simpelweg een beetje veel.
Dus ik besluit de tijd en ruimte te nemen om mijn lichaam te laten herstellen en de tempels te bekijken.
Langmusi is uiteraard een toeristendorp. Overal winkeltjes waar je je naar traditionele klederdracht kunt laten omkleden om vervolgens tussen de tempels rond te lopen en op de foto te gaan. Er rijden toeterende bussen en taxi's rond en de zebrapaden worden stelselmatig genegeerd, want het is schijnbaar niet de bedoeling om hier ontspannen rond te lopen als toerist.
In de loop van de dag begint het te regenen. "Mooi," denk ik, dan zal het wel lekker rustig zijn. En zo is het.
De gouden tempels op de heuvel zijn in deze setting mysterieus en hun vloeren kraken. Één van de tempels heeft drie trappen omhoog naar een lieve gouden Boeddha.
Overal ligt de beeltenis van Mao (op de bankbiljetten) naast Boeddha's in alle verschillende vormen en kleuren.
De mooiste plekjes hier zijn in de achteraf steegjes en paadjes. Daar voel je de mystieke kracht van de gouden tempels, de bergen, de nevel, de regen. Het is inmiddels drie uur later en mijn broek is volledig doorweekt. Ik begin te rillen van de kou.
Ik eindig mijn bezoek met een gang langs alle gebedsmolens aan de oostkant van het tempelcomplex. Ik loop achter een man met een paraplu en word achtervolgd door een vrouw in klederdracht. Wanneer ik haar groet, zegt ze niets terug. De klederdracht hier en de leerachtige gezichten van de oude vrouwen doen me denken aan de Maya's in Guatemala.
Ik neem afscheid van het echtpaar bij het tankstation en laat de roze tulp voor ze achter. Ik wens ze veel voorspoed en hoop dat ze kinderen krijgen: hun vanzelfsprekende vriendelijkheid en gastvrijheid mag van generatie op generatie worden doorgegeven.
We zitten hier op zo'n 3500 meter. Ik moet nu eerst afdalen, en dan weer twee keer flink klimmen om uiteindelijk op dezelfde hoogte uit te komen.
De weg is heerlijk rustig. Overal staan kleine koetjes met grote hoorns en snellen bevers (of wat zijn het nu eigenlijk?) de weg over.
Pas aan het einde van de dag kom ik op de drukke G312, waar als vanouds de vrachtwagens al toeterend op volle vaart passeren.
In een toeristisch dorp vlakbij een meer boek ik een hotel om eindelijk na al die dagen eens te kunnen douchen.
Vandaag gaat de tocht vals plat omhoog door.
Na zo'n kilometer of 30 kom ik in het stadje Xiahe, dat bekend is om zijn boeddhistisch klooster. Daar moet ik heen.
Ik zie een lange overkapte gang met gebedsmolens. Mensen in Tibetaanse klederdracht lopen er al prevelend langs. Op elke hoek staat een huisje met daarin een hele grote gebedsmolen. Ik wil nu verder omhoog lopen, maar een mijnheer verbiedt mij dat en wijst schouderophalend naar een bord. Die kon ik natuurlijk niet lezen.
Ik kijk om me heen en zie een stroom toeristen naar een parkeerplaats lopen. Blijkbaar is dat de ingang als je geen lokale gelovige, maar een buitenstaander bent.
In Chinese stijl is er een gigantisch gebouw neergeplant met toeristische voorzieningen. Hier moet ik een kaartje kopen. Via hekjes kom je dan op precies dezelfde plek uit, waar de mijnheer mij net verbood naar binnen te gaan.
Ik denk even een uurtje te gaan kijken, maar het Labrang klooster en de bijbehorende tempels blijken een doolhof vol kleine straatjes waar je overal monniken met rode gewaden rond ziet lopen. Er is een toeristische route, maar als je er even vanaf buigt, vind je rustige plekken waar gewone mensen uit hun huizen komen en tempels zonder toeristen.
Ik voel me een indringer.
Van een afstandje kijk ik wat er allemaal gedaan wordt. De was van kaarsen wordt in potjes gedaan, rijst wordt over een beeld gestrooid, men knielt zoals ook moslims het doen. Maar op sommige plekken zie ik dat oude vrouwen volledig plat op hun buik gaan liggen, aan hun handen stukken hout om over de vloer te kunnen glijden. Want ze komen weer overeind en gaan vervolgens weer plat op de grond liggen. Ik herinner me nu dat ik een man dit langs de weg ook zag doen. Er staan overal ovens waar vanalles in wordt verbrand. Vooral kruiden, maar ook doeken. Die worden gebruikt om mee te bidden en dan verbrand. Mensen lopen kloksgewijs om de heilige gebouwen heen. Drie keer denk ik? Zoals er ook drie keer het hoofd voor de boeddha wordt neergelegd.
Ik voel me ongemakkelijk hier, want ik hoor bij de toeristen en niet bij de gelovigen. De toeristen doen alsof deze plek van hun is en dat voelt onrechtvaardig. Mensen lopen in Tibetaanse klederdracht door de straten en poseren voor de gebedsmolens. In Europa zouden we het "cultural appropriation" normen. De biddende mensen moeten even wachten voor de foto. Ik zie een vrouw, die rent om zich tussen twee gelovigen in te persen die om een tempel heen lopen. Haar vriendin maakt een video. Voor een rode muur staan vrouwen met hun benen wijd in een beetje een uitdagende positie, de vrouw die de foto maakt, blaft instructies: dat ene been moet blijkbaar nog wat naar rechts voor de perfecte compositie.
Wat is dat toch met die foto's. Een wanhopige poging om te bewijzen dat we ergens geweest zijn. Maar zoals Z. zei toen we met opengesperde mond vanuit de berg naar de torens van Lanzhou keken: "op de foto ziet het er nooit uit zoals in het echt"
In een tempel prevelen monniken. Ik blijf voor de rand staan, ik wil geen indringer zijn. Ik kijk naar binnen en hoewel de tempel van buiten een overzichtelijke omvang lijkt te hebben, lijkt de ruimte van binnen eindeloos met boeddha's in goudomrande kastjes en gekleurde vlaggetjes, in het midden een gigantische gouden boeddha. Een man gaat naar binnen met wierook in zijn handen, hij begint te buigen voor de beelden. Ineens duizelt het me, van alle indrukken, van het geprevel, van de eindeloze ruimte. "Zij zijn verbonden," denk ik, terwijl ik nog steeds voor de drempel sta. En ineens, vanuit het niets beginnen er tranen over mijn wangen te rollen. Ik ga me snel verstoppen onder het poortje van de ingang van de tempel. Ik begraaf mijn hoofd in mijn armen. Stel je voor dat iemand mijn tranen ziet. Ik hoor stemmen en voetstappen om me heen. Ik gluur langs mijn armen en zie nu de prevelende monniken in hun rode gewaden uit de tempel lopen, in mijn richting. Ik hoop dat een monnik zijn hand op mijn schouder zal leggen om me te troosten. Ik voel de lucht van de gewaden op mijn natte wangen. Mijn gezicht wordt koud. De monniken lopen langs me heen. Ik ben niets meer en niets minder dan een vermoeide toerist, die hier op een stoepje zit, een beetje in de weg.
"Waarom zit ik hier nu te janken?", vraag ik me af. Huilen voelt toch een beetje als falen: je bent als een kind, kan de wereld nog niet zo goed aan. Ik huil, besluit ik, omdat ik besef dat ik hier niet bij hoor en er ook nooit bij zal horen. En ik denk ook aan Z. "Had ik dit moment, deze plek, maar met Z. kunnen delen".
In de "chanting hall" zitten honderden monniken in kleermakerzit te zingen, slapen of eten. Een monnik loopt rond met een pan en vult bakjes met rijst. Je mag hier, zoals ook in de tempels geen foto's maken. Anders dan sommige toeristen, respecteer ik die regel. En het is een opluchting: ik hoef niets te bewijzen, ik mag hier alleen zijn en kijken en luisteren. "Waarom zou ik willen bewijzen dat ik er ben? Ik ben er toch?". Alles lijkt ineens erg absurd op deze plek, waar het mooie en het lelijke elkaar op harmonieuze wijze ontmoeten.
Ik ben inmiddels 4 uur verder, verdwaald geraakt in dit complex en in mijn gedachten en gevoelens. Ik heb nog niet eens de geluiden omschreven. Het is te veel.
Ik ga op weg naar het hooggebergte, maar de dag telt niet meer veel uren. Het gaat langzaam, want de weg is slecht, maar het is hier uitgestorven en stil, mijn telefoon laat geen streepjes zien en er valt een last van me af nu ik me niet hoef te verhouden tot alle geluiden, kleuren en verbinding met de buitenwereld.
In een veld rennen twee meisjes in witte jurkjes, ze spetteren water naar elkaar uit een beekje. In de verte lopen wat paarden. Het lijkt een filmscène.
Even later rijdt er een witte auto naast me. Het raampje glijdt open. Het zijn diezelfde meisjes in witte jurkjes en ze houden een roze tulp in de hand. "Voor mij?", vraag ik oprecht verbaasd. Ze knikken en rijden verder. Ik was te erg van mijn a propos om een foto te maken. Weer die verdomde foto's. Ik was daar toch? Ik heb ze toch gezien, ik heb de tulp toch in mijn hand. De tranen staan toch weer in mijn ogen? De sluizen staan open de laatste dagen. Door mijn tijd met Z. besef ik me hoe eenzaam ik me eigenlijk voel zo onderweg, overgeleverd aan korte en oppervlakkige ontmoetingen.
Zo rond zeven uur zie ik het eerste dorp. Ik vraag bij een tankstation of ik daar mag kamperen. Het jonge echtpaar op campingstoelen knikt vriendelijk en gebaart dat ik ook in zo'n campingstoeltje mag gaan zitten. Ik krijg een blikje cola en er wordt een homp vlees op tafel gezet. Die laatste sla ik vriendelijk af. Dan verschijnen er donkere wolken, we zien bliksemschichten en kijken elkaar een beetje angstig aan. Het begint nu hard te waaien, de lege blikjes cola waaien weg. "We hebben een extra kamer binnen, ruim je tent maar op," lees ik nu op Zang Dai Cai Rai's scherm.
Het is de eerste keer dat ik een huis van binnen zie.
Ik word vakker van luide mensen. Ik kom mijn tent uit en zie overal vrouwen met grote witte petten en zonnebrillen. Ze wijzen en schreeuwen, geven instructies voor foto's. Hoofd buigen, arm uitstrekken, naar rechts, naar links. Nu valt hun oog op mij. Ineens lijkt niet het meer, niet de bergen, maar ik de toeristische attractie waarvoor zij de bus zijn uitgestapt. Ze komen uit Guangzhou, vertellen ze. Nu moet ik vertellen waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga. En dan op de foto natuurlijk. Meerdere foto's.
Ik vond het een beetje irritante mensen daarnet, maar nu ik deze vrouwen in de ogen kijk, zijn ze toch wel lief. Een herinnering aan mezelf dat ik mensen niet zo moet categoriseren. Ik begin nu monter aan mijn dag, ze hebben een glimlach op mijn gezicht getoverd.
Vandaag gaat het de hele dag vals plat omhoog richting het hooggebergte.
Ik probeer van de hoofdweg af te blijven en door de dorpjes te fietsen. Het eerste gedeelte van de dag fiets ik door gebieden waar voornamelijk Hui wonen: de mannen dragen hier ronde platte hoedjes en overal zie je moskeeën in Chinese stijl.
Een groep schattige jongetjes in een elektrisch karretje vraagt om een foto, ik vraag om een foto terug.
Ik eet bao (gevulde broodjes) als lunch, want dat doet me denken aan Z.
En dan kom ik in Tibetaanse sferen. Gekleurde vlaggetjes en tempels, prachtig eigenlijk. Ook het landschap wordt wonderschoon, bergen met bos of gras. "Eindelijk groen," denk ik.
De komende dagen fiets ik door deze magische Tibetaanse wereld. Ik fiets langs een tempel, langs de gevels rijen vol met gekleurde gebedsmolens. Je kunt er langs lopen en ze rond laten draaien. Wat zou het betekenen? Ik besef me ineens: "ik ben vanuit huis weggefietst om in deze wereld terecht te komen," en dat maakt het magische gevoel nog sterker.
Een beetje ontnuchterend is mijn overnachting onder een snelwegbrug. Ook precies een plek waar mensen even uit de auto stappen om hun behoefte te doen. Ik zoek mijn heil een stukje bij de drollen vandaan.
Één dagboekfragment eerder kende ik Z. nog niet. Nu is mijn hart zwaar omdat we afscheid moeten nemen. Tijdens een week wachten in Lanzhou leefden we een leven.
Z. kon bij de Zhongshan brug geen plek vinden om een leenfiets te parkeren. Ik begon Z. te volgen en we werden onafscheidelijk. We beklommen bergen en veroverden de stad op menskracht. We aten baos, dumplings, noodles en Chinese barbecue. Creëerden onze eigen rituelen.
Maar de plicht roept, ik moet mensen verbinden met brieven, ook al moet ik daarvoor de verbinding die ik zelf vond achterlaten.
We zitten langs de gele rivier en er vloeien tranen en ik zeg: "Z., ik wil niet meer alleen zijn."
Toch besluit ik om te vertrekken.
Elke kilometer die me van Lanzhou verwijdert, doet een beetje pijn. Toch doet het mijn lichaam goed om weer op de fiets te zitten.
Het eerste gedeelte van de dag verloopt rustig en langs rustige wegen, maar dan rijd ik een tunnel in. Mag ik hier überhaupt fietsen?
Dan volgen kilometerslange tunnels met korte onderbrekingen. Ik krijg flashbacks naar de Turkse tunnel die me bijna fataal werd. Ook hier nadert een vrachtwagen me en toetert. De claxons van Chinese vrachtwagens zijn onverdraaglijk luid. Ik heb het idee dat mijn trommelvliezen barsten. Ik kan niet ademen hier. Wordt dan vandaag mijn einde? Ik word kalm, ik kan niet anders dan accepteren dat deze vrachtwagenchauffeur, de god van deze tunnel, beslist over mijn lot. Zoals in Turkije besluit ook deze vrachtwagenchauffeur op het laatste moment aan de kant te gaan. Ik probeer te denken aan Z., aan veiligheid. En terwijl ik temidden van dit geweld probeer te overleven, stromen er weer tranen over mijn wangen en ik denk: "waar slaan die keuzes van mij op. Ik kies ervoor om hier te zijn?"
De laatste oneindig lange tunnel mondt uit in een brug over de rivier, die hier heel breed is geworden, een soort meer.
Aan het einde van de brug is een parkeerplaats met eettentjes en een toilet. Hier wil ik even op adem komen. De uitzichten op de rode rotsen, het blauwe water, de gele zon die zich langzaam verstopt, de brug die verdwijnt in die berg. Daarachter ligt de tunnel, weet ik. Ik heb het overleefd.
Ik vraag of ik hier mag kamperen. Het mag. Ik eet, zoals ik vaker met Z. deed, Chinese barbecue en ik voel me veilig
Ik heb geslapen, maar ik ben nog moe. Ik kom niet op gang. Pas rond 10 uur heb ik alles ingepakt en ben ik klaar om te gaan.
Je kunt allerlei cijfers en doelen in je hoofd hebben, maar waar je de ene dag zonder problemen 180 kilometer fietst, is 10km op de andere dag al een hele bevalling. En zo'n dag is het vandaag. Ik ga ook lang vals plat omhoog, waardoor je het idee krijgt dat je het fietsen bent verleerd.
Aan het einde van de middag begint het te donderen en te regenen. Ik zoek mijn toevlucht in een tankstation. In een kamertje staan twee stoelen, maar er wordt mij niet aangeboden om daarop te zitten en dus staan de twee tankstationbediendes en ik elkaar staand wat ongemakkelijk aan te staren.
Zodra het wat minder hard regent, ga ik weer verder richting de stad Mingle. Ik wil daar bij de politie wat informatie inwinnen over de volgende stappen in mijn reis.
Ik bedenk me onderweg, wanneer ik een tempeltje passeer, waar een gebed op repeat staat, dat repeterende geluidsopnames alomtegenwoordig zijn in China: marktstalletjes bieden hun verkoopwaar zo aan, de politie langs de weg herhaalt allerlei waarschuwingen en dus deze tempel. Ik zou helemaal doordraaien als ik zo'n repetitieve boodschap de hele dag lang moest horen, maar de mensen hier filteren dat geloof ik gewoon eruit.
's Avonds stap ik een restaurantje binnen, waar ik als vereerde buitenlandse gast direct hartelijk ontvangen wordt door de familie Yang, vader, moeder, zoon en dochter. Ze zijn razend enthousiast over mijn reis en uiteraard worden er foto's gemaakt. De maaltijd wordt me gratis aangeboden en we vragen over elkaars leven, voorzover dat gaat met automatische vertaling. Wanneer ik vraag hoe je "moeder", zegt in het Chinees, lees ik op het scherm van de zoon dat zijn moeder is overleden. De sfeer wordt wat ongemakkelijk en ik bied mijn excuses aan. Zou dit dan zijn stiefmoeder zijn?Later op Wechat vraag ik naar de naam van zijn vader en blijkt die ook overleden te zijn. Ik vraag of dit zijn adoptiegezin is en nu krijg ik te lezen, nee: mijn man en ik hebben het restaurant en dit zijn onze echte kinderen. Ik snap er niks van. Ik bied mijn excuses aan. Later besef ik me dat het natuurlijk de restauranteigenaar was die zijn ouders is verloren. Automatisch gegenereerde vertalingen kunnen heel wat verwarring veroorzaken.
Ik ga naar het politiekantoor omdat ik voor eens en voor altijd wil weten welke routes ik nu wel en niet mag nemen. Ik word in het politiekantoor ontvangen met de gebruikelijke égards: welkom in China etcetera. De agent die zich aanbiedt om mij te helpen nodigt me uit om naast hem te komen zitten op een bed, waar de agenten waarschijnlijk een tukje doen tijdens een late dienst.
Het voelt toch een beetje alsof ik een huis van binnen heb gezien. We spreken met elkaar via WeChat, want die app vertaalt alles wat je schrijft onmiddellijk. Waarschijnlijk ziet het er van buitenaf uit alsof we elk afzonderlijk van elkaar zitten te appen. Het kantoor zit trouwens vol met politieagenten die allemaal zitten te appen en te scrollen. Blijkbaar is er niet veel loos in Minle.
Zodra ik begin over verboden gebieden beginnen de agenten ingewikkeld te kijken. Ze geven aan dat het zeer ingewikkeld is om contact op te nemen met hun collega's op mijn route, omdat dat dit een andere provincie is. Ik dring aan, stuur mijn routes op, maar de agent blijft om de kwestie heen draaien. Soms geeft hij geen antwoord, maar stelt hij mij gewoon een andere vraag, om er maar vanaf te zijn, heb ik de indruk. Ook hier levert de vertaling de nodige hilariteit op.
Zo beweert de agent op enig moment: "wij richten ons voornamelijk op traditionele Chinese muziek" en: "Tijdreizen is mogelijk".
Ik probeer aan te dringen zodat ze hun collega's bellen en hen vragen hoe het zit, maar de agent blijft daar maar omheen draaien en zegt uiteindelijk gewoon zonder iemand gesproken te hebben of van zijn plek te zijn bewogen: "ik heb het even nagevraagd en je kunt deze route nemen".
Ik zit hier inmiddels alweer een uur en ik besluit het op te geven. Ik krijg een ingeving: ik vraag Mero, de fietser, of zij voor me wil bellen. Ze doet het meteen en het antwoord luidt: "Je bent hier als buitenlander niet welkom".
Dit verandert mijn hele plan. Ik baal, want ik wilde door het prachtige Qiliangebergte fietsen om naar de stad Xining te gaan en daar mijn visum te verlengen. Ik gebruik de rest van de ochtend om een nieuwe route uit te stippelen en besluit koers te zetten naar Lanzhou, een miljoenenstad en de hoofdstad van de provincie. Hoewel ik moeilijk informatie kan krijgen over hoe de procedure daar in zijn werk gaat, besluit ik het erop te gokken aangezien ik nog best wat dagen visumvrij in China mag blijven.
Mijn maag begint al wat te rammelen en ik besluit maar wat te eten voor ik vertrek. Voor ik het weet is het drie uur. Ik besluit toch te vertrekken en vandaag nog zoveel mogelijk kilometers af te leggen.
Ik passeer het dorpje Yonggu en zie een postkantoor. Ik herinner me dat ik nog een brief naar huis moet posten (ik heb inmiddels ontdekt dat dat gewoon overal kan mer gewone postzegels) en doe de brief in de brievenbus. De familie die het postkantoor annex winkeltje beheert zit te barbecueën en ze reiken me water, vlees en een ijsje aan. Alleen het vlees sla ik vriendelijk af. Ik leg de mevrouw van het postkantoor uit dat we in wezen collega's zijn, omdat ik brieven bezorg. Ze loopt over van enthousiasme en nu moeten er veel foto's worden gemaakt. "Nu moet ik echt weer verder, anders kom ik vandaag nergens."
De hemel wordt al snel donkergrijs, ja bijna zwart en in de verte hoor ik gedonder. Toch blijft een echte stortbui uit. Ik heb geluk.
Of niet? De weg die ik zou moeten nemen is afgesloten. Ik vraag iemand of ik daar wel overheen kan fietsen, maar dat lijkt niet mogelijk. Ik krijg wel wat voorraden mee en ze wijzen me op de omleiding. "Het gaat zo regenen, dus misschien moet je wat sneller fietsen," krijg ik als advies mee. Een paar kilometer verder valt het mij op dat de weg alsmaar in de verkeerde richting blijft afbuigen en uiteindelijk een heel ander bergdal ingaat.
In de verte zie ik een vrachtwagen over de afgesloten weg rijden en ik besluit om te keren en het er toch op te wagen.
De afgesloten weg moet nog geasfalteerd worden. Ik hobbel eroverheen, maar het is wel lekker rustig. Een auto stopt. "Afgesloten," gebaart hij. "Is het echt onmogelijk met de fiets," vraag ik. "Ja, waar moet je naartoe?". Ik laat het zien op de kaart. "Oh, fiets dan maar door, dat kan wel met de fiets".
Behalve één stuk modder en een machine die de hele weg in beslag neemt, is het vrij eenvoudig om de weg te passeren. Door de donkere wolken, lijkt het later dan het is. Ik moet gaan nadenken over een slaapplek.
Maar langs de hele weg staan hekken. Ik moet doorfietsen tot het punt waar de weg weer is geasfalteerd. Inmiddels is het echt donker. Een man staat wat verloren naast zijn kapotte auto die in de berm ligt. Er is een tankstation. Een vriendelijke man begroet me. Ik vraag hem om hulp, of hij een kampeerplek heeft. Ik hoop dat ik mijn matje in een kamertje mag neerleggen. Maar de man kijkt eens rond, denkt diep na, ik zie aan hem dat hij me wil helpen, maar hij zegt: "nee".
Ik heb de indruk dat de angst om in de problemen te komen - met de baas van het tankstation? Met de politie? - het soms wint van de Chinese gastvrijheid.
Hij zegt dat er 4 kilometer verder een dorp is, maar zo ver wil ik niet meer fietsen in het donker. Enkele honderden meters verderop vind ik een tunneltje. Ik hoop dat er geen noodweer is vannacht, want uiteindelijk is die tunnel natuurlijk om water onder de weg door te laten stromen.
Een afwisselende dag, waarbij ik voor het grootste gedeelte van de dag op kleine wegen kan fietsen, door agrarisch gebied. Winkels kom ik nauwelijks tegen. Sommige dorpen zijn verlaten, de lemen huizen ingestort. Overal zie ik hoofden tussen de gewassen uitsteken, some met een rieten hoed, veel vaker met een grote moderne pet. Sommige mensen hebben ook hun hele gezicht bedekt.
Ergens wordt er aan de weg gewerkt en kom ik per ongeluk een dorpje in waar ik wat water en eten kan kopen. Ik vraag om warm water. In de kamer achter het winkeltje hoor ik mannen schreeuwen. Ze roepen nummers en gooien met kaarten. Dan volgt er grote hilariteit.
De vrouw van de winkel stelt me vragen die ik niet kan beantwoorden. Ik wil haar op mijn beurt ook iets vragen. Ik zie naast andere papieren kunstwerkjes (iets religieus?) bankbiljetten met heel veel nullen liggen en een portret van een man met een lange baard en een dunne puntige snor. Het trekt mijn aandacht.
Dan komt er een man met rode wangetjes, een rode neus en een bril die telkens naar beneden valt, die hij met zijn middelvinger telkens weer op zijn neusbrug duwt. Hii spreekt een beetje Engels.Waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga. "What are you playing?", vraag ik op mijn beurt. "Chinese poker" Hij wankelt een beetje op zijn benen. En dan zegt hij: "drink, drink with us".
Ik sla het aanbod beleefd af. Hoewel het een eerste uitnodiging is om een huis in te gaan, weet ik waar dit soort uitnodigingen op uitlopen. Dan zit ik waarschijnlijk een paar uur later nog aan de sterke drank met slappe benen en zonder slaapplek. Nee, na de korte dag van gisteren wil ik vandaag kilometers maken.
Bevoorraad ga ik weer op weg. En dan zie ik de maagd Maria en een kruis. Een beetje bevreemd kom ik dichter bij de kerk, waarnaast een grote Chinese vlag wappert. Het kruis en Maria ken ik, maar hier worden ook andere symbolen gebruikt, Griekse letters, die ik niet herken.
Ik fiets door en zie deze symbolen nu ook op deuren. Hier wonen dus Chinese christenen?
Ik fiets door langs de skyline van de grote stad Wuwei. Twee jongens op een elektrisch karretje staren me aan. "Waiguo ren", buitenlander, zeggen ze tegen elkaar. Ik hoor het karretje rechtsomkeert maken. Ze zetten de achtervolging in. Ik vertel de verwonderde jongens over mijn reis. Zij - Cao Jianshuai en Chen Chao - zijn middelbare scholieren. Ze stellen me voor aan hun vriend Ling, die wat ouder is en ik beantwoord hun vragen. Ik geniet ervan om even vrienden te hebben gevonden op een verder vrij eenzame dag.
Het is inmiddels laat in de middag, maar veel goede kampeerplekken zijn er hier niet: overal wordt er iets verbouwd en staan er hekken. Ik kom aan in een dorp met een grote brug en besluit dan maar onder die brug te bivakkeren.
Naast de weg staat een speaker van de politie die wordt geactiveerd wanneer een auto langsrijdt. Wanneer de ingesproken boodschap klaar is, is die auto allang weer verdwenen, dus ik snap het nut niet zo. Met herhalende boodschap en voorbijzoevende auto's val ik zonder problemen in slaap; mijn lichaam is moe.
Ik fiets langs de middelgrote stad Gulang, waar een nieuwsgierige fietskoerier - een collega dus - de achtervolging inzet. Zijn naam is Zhu Zhenbin en hij trakteert me op een ice tea. Zeer welkom want het is razend heet. "Ik maak graag nieuwe vrienden", zegt hij. Als ik over mijn reis vertel, zegt hij: "het is leuk om de wereld te ontdekken, maar sommige mensen moeten werken om voor hun familie te zorgen."
Eenmaal Gulang uit begin ik stevig te klimmen. Eerst langs een grote weg, wat nogal stressvol is. Dan vind ik een klein weggetje, heerlijk rustig, overal bevers die geschrokken in hun holletjes kruipen, wanneer ze me zien. Veel schapen. Ik zie overal gekleurde vlaggetjes en soms altaren met stokken en tempels in de verte. Zouden hier Tibetanen wonen?
Het einde van de klim is een gravelweggetje wat razend steil omhoog gaat. Ik moet afstappen. Een herder staart me aan en maant me nu om te stoppen. Zijn huid is leerachtig en ik zijn mond heeft hij een takje met bloemetjes. Zijn tanden staan scheef, zijn glimlach is breed. Hij spreekt tegen me en ik versta nog minder van wat hij zegt dan ik had gedaan als het Chinees was. Is dit Tibetaans? Ik glimlach vriendelijk terug. Dat begrijpt ieder mens. Een geit mekkert.
In Xinjiang worden sommige borden vertaald in het Kazachs of Oeigoers met Arabisch schrift. Sinds ik Xinjiang heb verlaten is die tweede taal gelukkig Engels, waardoor ik soms nog wat kan begrijpen. Maar hier zie ik ineens tekens staan, waar ik geen chocola van kan maken. Onmiskenbaar Tibetaans.
Ik verblijf in een hotel in de stad Tianzhu, waar overal tweetalige borden te vinden zijn, ook op de gevels van restaurants en garages en andere bedrijven. "Wat is China toch een eindeloos divers land," denk ik en ik raak een beetje in paniek, want hoe kan ik hier ooit iets doorgronden?
In een winkeltje wil ik iets kopen. "Heeft u koffie?", vraag ik in het Chinees. "Sorry, ik spreek geen Engels," zegt het meisje ten antwoord. Ik moet een QR-code scannen om te kunnen betalen, maar die werkt niet. Het meisje begint tegen me te praten als een klein kind, overdreven articulerend met haar mond wijd open: "Weixin, WeChat, het is een betaalmethode in China". Dat snap ik natuurlijk wel, hoe had ik de afgelopen weken anders kunnen overleven hier? Maar de code stuurt je door naar een soort mini app, en die werkt niet en ik snap alle Chinese tekst niet. Dit soort situaties vind ik erg frustrerend, muren van bureaucratie en technologie, terwijl ik alleen wat boodschappen wil doen. Uiteindelijk mag ik het meisje op haar persoonlijke WeChat betalen, want we krijgen de app echt niet aan de praat. Ze reikt me een fles water aan: "dit lokale water is een geschenk, welkom in China en welkom in het prachtige Tianzhu"
Ik fiets van Tianzhu naar Lanzhou om mijn visum te verlengen. De route volgt grotendeels de hoofdweg, waar onafgebroken vrachtwagens langs denderen. Het getoeter is oorverdovend en soms val ik bijna van mijn fiets van de schrik. Dan schreeuw ik vaak, zonder dat iemand me hoort. Twee vrouwen in een auto zien me schelden en lachen er luidkeels om. Ik word nog bozer en begin dan zelf luidkeels te lachen, hier op die drukke weg door de vallei, bergafwaarts op hoge snelheid. "Wat ben ik toch een ouwe chagrijn!", roep ik nu. Ik duik ik zo vaak mogelijk van de hoofdweg af, de landbouwdorpen in. Dáár is het aangenaam fietsen.
Hier zie ik een China dat veel stiller is. Smalle wegen tussen akkers, overal die kleine elektrische wagentjes en mensen die gebogen op het land werken. Bij vrijwel iedere tempel wappert de Chinese vlag. De mensen kijken me aan alsof ik een vreemde diersoort ben, een alien die per ongeluk hun dorp is binnengereden.
Een vrouw kijkt op uit het gewas. Op het platteland zijn het opvallend vaak vrouwen die op het land werken, ze hebben een tonnetje aan hun benen geknoopt, waarop ze neer kunnen ploffen wanneer ze willen. De vrouw kijkt me ernstig aan, zonder glimlach. Haar gezicht is donkerbruin van de zon die ook nu brandt. Haar blik is anders dan de nieuwsgierige blikken die ik meestal krijg. Ik vraag me af hoe haar leven eruitziet. Is dit haar eigen land of werkt ze voor iemand anders? Hoeveel verdient ze? Hoe ziet een gewone werkdag eruit? Ik stel die vragen niet. Ze blijven in mijn hoofd hangen terwijl ik verder fiets.
Overal zie ik de bekende Chinese rieten hoeden boven de velden uitsteken. Daar staat zo'n man tussen wuivend maïs. "Wat staat die man lang stil!" Een vogelverschrikker.
Ik geniet van de verhalen die de deuren me vertellen. De huizen zijn hetzelfde, maar de deuren zeggen iets over wie erin woont. Over hoeveel ze verdienen, welk geloof ze hebben, sommige deuren zijn pompeus en kitscherig, anderen eenvoudig en esthetisch en alles ertussenin.
Vaak krijg je een inkijkje. De binnenplaatsjes zijn soms leeg en van beton, in een ander huis staan ze vol met gereedschap, kruiwagens en een fiets. Oude mensen zitten gehurkt of op krukjes voor hun huizen. Soms lijken ze tevreden en vaakt hangt er een zweem van melancholie over hun gezicht. Ze zitten daar te contempleren. Alsof ze nadenken over wat achter hen ligt en wat ze ooit zullen achterlaten.
Het is een prachtig beeld, maar toch durf ik er nooit een foto van te maken. Dat voelt al snel als exotisme en ik wil deze mensen die alles al mee hebben gemaakt respecteren. Misschien had ik als fotograaf anders gehandeld. Maar ik ben geen fotograaf. Ik schrijf. Zie je het?
Nog zo'n tafereel. Ik fiets over een rode weg die een smalle straat kruist. Alle huizen zijn in dit dorp van grijs beton, kleurloos. Een man in een wit hemdje staat te roken tegen zo'n grijze muur. Hij heeft een ronde buik en rode wangen. Zodra hij me ziet, kijkt hij schichtig om zich heen, alsof hij iets verkeerd heeft gedaan. Misschien kijkt hij zo omdat ik naar hem kijk.
Even verderop, weer een inkijkje in zo'n binnenplaats. Een lege binnenplaats van beton met een stoopje van groenige tegels. Op dit stoepje stoep zit een man ineengedoken. Hij oogt gedeprimeerd, maar misschien slaapt hij gewoon. Achter een klein open venster in de muur zie ik een stuk zeep liggen en een zakje afwasmiddel. Zulke kleine inkijkjes fascineren me. Ze zijn het beste wat ik - die wil kijken in de kleine wereldjes van de wereld - krijgen kan, in een land waar ik nog niet binnen uitgenodigd ben.
Wat zullen zou deze man allemaal hebben meegemaakt? Of die andere mensen die op hun krukjes voor hun huizen. Oorlog, hongersnood of de Culturele Revolutie? Ze zagen een arm, agrarisch land veranderen in een technologische grootmacht, hebben de geboorte van het moderne China meegemaakt. En nu zitten ze daar, voor een eenvoudig huis, in misschien wel het machtigste land ter wereld, zwijgend naar de straat te kijken terwijl ik op mijn fiets voorbijrijd. Even raakt mijn blik die van een vrouw, die me verwonderd aanstaart, maar elkaars verhalen horen we niet.
Lanzhou blijkt een veel grotere stad dan ik dacht. Zo groot als Berlijn! Voor ik in het centrum ben, rijd ik een uur door de bebouwde komz die volledig wordt ingekleurd door teksten, geschreven en geschreeuwd, waar geen rust is, ook niet in het verkeer. Hoe gevaarlijk het soms ook lijkt, iedereen lijkt moeiteloos langs elkaar heen te scheren en ook ik kan fietsen in de grote stad modus. Al snel giert er adrenaline door mijn lichaam en ik sta mijn mannetje in dat grootstedelijk geweld, waar je nu eenmaal je plaats moet innemen, of plaats moet maken.
Wat er de komende dagen gaat gebeuren is ongewis: ik kan geen hoogte krijgen van de procedure en heb besloten om in persoon langs te gaan en het na te vragen.
Terwijl ik enigszins gespannen allerlei scenario's in mijn hoofd laat rondspoken, wandel ik langs de Gele Rivier, die door Lanzhou stroomt. Ik steek de Zhongshan bridge over. Wat een mensenmassa! Ik wil er zo snel mogelijk uit. Ik zie tempels bovenop de berg, ik ren de trappen op. Overal staan speakers met camera's en een zich herhalende boodschap die ik niet kan verstaan. "Het verpest de sfeer een beetje," denk ik, terwijl ik over de trappen en paadjes en langs de tempels steeds verder omhoog loop. Een magische plek, een beetje verpest. Ik bereik de grote pagode boven op de berg. Er zijn nu bijna geen mensen meer, maar die boodschap blijft zich herhalen. Eenmaal beneden snap ik dat de ingesproken boodschap de sluiting van de Scenic Area betrof. Alle uitgangen zijn gesloten, dus ik loop langs de parkeerplaats het terrein af en slenter doodmoe naar mijn hotel.
Vandaag is een heerlijke dag om te fietsen. Het is dan wel zeer heet, maar op een klein stukje woestijn na, staan er bomen en is er water.
Omdat er weer een fikse tegenwind staat, nog sterker dan de voorgaande dagen, besluit ik iets te doen om me af te leiden. Ik kijk al een aantal dagen naar al die kleurrijke Chinese deuren, meestal met twee leeuwen erop. En dan teksten, vermoedelijk wensen voor voorspoed. En dan vaak ook nog een natuurtafereeltje op de tegels erboven, soms een lampion of afbeeldingen van krijgers op de deuren zelf. Gedurende de dag fotografeer ik zo'n 30 deuren en ik besef me dat ik in China nog geen huis van binnen heb gezien. Terwijl dat toch de reden is dat ik hier als postbode ben. Hopelijk komt daar nog verandering in.
In het dorp Hedong vraag ik, uitgeput van het fietsen tegen de wind of ik naast het politiebureau mag kamperen.
Al snel komen daar drie nieuwsgierige kinderen om het hoekje kijken. Stiekem nemen ze foto's en giechelen ze. Één jongetje heeft een hele mooie Chinese blouse aan.
Al snel hebben alle plaatselijke kinderen zich rond mijn tent verzameld en beginnen ze me van alles te brengen: bananen, sinaasappels, snoep, instant noedels, ijs en zelfs een zeer pittige sojasnack, om te zien of ik die zonder een spier te vertrekken kan eten. Ik slaag voor de test.
Een meisje met een bril, Qian Chonghan, wil mijn zijde niet wilde verlaten. Ze wacht telkens geduldig tot ik alle vragen van de andere kinderen heb beantwoord en vraagt vervolgens respectvol aan haar AI-vriend om een vraag voor haar naar het Engels te vertalen. Ik geef haar een Maleisisch bankbiljet als souvenir, omdat ze zo geïnteresseerd is in buitenlandse briefjes.
Ook het gezicht van Cai Hao zal nog lang op mijn netvlies geprent blijven.
Hij blijft maar vertellen dat hij het essay “Land of Pastures” over Nederland heefy gelezen en dat hij er op een dag graag naartoe zou willen gaan. Hij vertelt me dat Chinezen dol zijn op buitenlanders en ze “buitenlandse vrienden” noemen. Maar ik ben nog veel leuker dan de andere buitenlanders, die hij had ontmoet, hoewel dat er niet zoveel waren.
Hij staat erop om nog meer proviand voor me te kopen (hoe ga ik dit allemaal meenemen!) en hij was ook erg onder de indruk van mijn uiterlijk. Keer op keer zegt zijn AI-vriend: "you're so handsome!"
Het ontmoeten van kinderen geeft me altijd hoop, hun onvoorwaardelijke nieuwsgierigheid en de magie die ze ervaren wanneer ik vertel dat ik een postbode ben die over de wereld fietst.
Op enig moment wijst het jongetje naar zijn vriend Yang Chenrui - een vriendelijke jongen met een bril die wat zit te gamen en wiens Engelse naam Arthur is - en zegt:
“Zijn grootvader zat in het leger. Hij vocht tegen de Japanse agressie en het Amerikaanse imperialisme.”
De AI-dame begint me nu de les te lezen over de Koreaanse Oorlog en de Tweede Wereldoorlog en de glorieuze overwinning op de Japanners, gevolgd door de oprichting van de Volksrepubliek.
Dat is een wending die zo'n gesprek met ongeveer twintig kinderen in het dorp Hedong ook kan nemen.
Tegen tien uur beginnen de kinderen langzaam af te druipen en ik besef me dat ik ontzettend veel behoefte heb aan een beetje ruimte en tijd voor mezelf, dus ik kruip een benauwde tent in.
Vandaag zou de wind me weer goedgezind moeten zijn, maar weer word ik wakker van de wind die de verkeerde kant opwaait. Ik lijk voldoende water te hebben. De eerste uurtjes zijn zwaar, want ik ga vals plat omhoog en sommige stukken zijn zelfs echt klimmen. Ik ben blij dat ik dit gedeelte in de relatief koele ochtend mag doen.
Alles wordt steeds rotsachtiger naarmate ik het hoogste punt van de dag nader. Het geeft wat afwisseling en die rode rotsen in allerlei kunstige vormen zijn soms echt mooi om te zien.
Dan begint de lange afdaling naar Dunhuang, ondanks de tegenwind ga ik met een acceptabele snelheid naar beneden. Ik heb een hotel aan de rand van de stad tussen allerlei garages. Maar van binnen is het hotel heel erg luxe, een aangename verassing.
Ik stuur een bericht aan de Chinese fietsers: misschien kunnen we elkaar hier in Dunhuang wel ontmoeten
De wind is me vandaag minder gunstig gezind. Een onaangename verassing als ik 's ochtends om vijf uur wakker word en mijn tent de verkeerde kant op zie waaien. Ik moet dus zwoegen en zonder schaduw en met temperaturen ruim boven de 30 graden is dat pittig. Het is nog een kilometer of honderd tot de volgende service area.
Het landschap biedt weinig afleiding. Het is zand met stenen, af en toe eens een heuvel, in de verte bergen. Gelukkig zijn de eerste uren in de ochtend redelijk koel.
Als ik aan het einde van de middag die oase van menselijke activiteit bereik, ben ik dan ook opgelucht en dorstig. Van hier is het nog 180 kilometer naar Dunhuang, dus nog even zonder bewoonde wereld
Een aantal mensen komt me enthousiast begroeten, maar druipt teleurgesteld af, wanneer ze erachter komen dat ik geen Chinees spreek. Er worden me bakken met meloen toegestopt en flessen water.
Bob - dat is zijn Engelse naam - uit Shanghai spreekt wel een woordje Engels en ook Duits; en vriend van hem woont in Duitsland. Met zijn vrouw zijn ze onderweg naar Xinjiang, gewoon als toeristen. Maar ze willen binnenkort een keer over land naar Duitsland rijden in hun Tesla. Bob's mond valt steeds verder open, terwijl ik vertel over mijn tocht. "Met de auto leek ons al een hele reis!", roept hij uit, hij vindt het geweldig en er moet natuurlijk een foto worden gemaakt. Voor ik het weet sta ik met mijn handen vol proviand: pinda's, crackers, water. Ik hoef weer niets te gaan kopen.
Dan komen Makun en Rudy (zijn Chinese naam is Xiamingkai, een wijze strijder) op me af. Makun is een fietser, maar spreekt geen Engels. Rudy wel. Hij nodigt me uit om hem te komen opzoeken in Chengdu en vertelt me alles over zijn levensgezel, zijn motor Yo! Ja, in de service area maak je vrienden. En hoewel ik bij Makun en Rudy zou willen blijven, besluit ik toch nog wat kilometers af te leggen, zodat ik het morgen in één keer naar Dunhuang red.
Ik overnacht vanwege de wind en de zon in een van de tunnels onder de weg.
Hoewel er maar een beetje regen voorspeldis regent het de hele nacht. Ook 's ochtends is het nog aan het regenen.
Ik wacht in mijn tent tot het zachter regent en ik ontbijt. Op enig moment moet ik toch naar buiten om die platte band te repareren. Ziezo. De tas repareer ik provisorisch met wat tie-wraps en ook die kan er een tijdje tegenaan.
Inmiddels is een groot gedeelte van de ochtend al voorbij. Het is nog steeds aan het miezeren. Ik ga op weg, uit de canyon, langs de grote weg met trucks en auto's, maar gelukkig wel wat speelruimte. Het gaat licht omhoog, ik heb wel nog de wind in de zeilen. Nog geen 20 kilometer verder denk ik: "wat gaat het toch langzaam". Nu is het de andere band die lek is.
Ik zoek een plekje langs de weg waar ik de band kan plakken het regent nog steeds en het waait stevig. Ik krijg het koud. Ik was weer vergeten hoe dat voelde. Een Chinese fietser, van wie ik er veel tegenkom op deze route, stopt en probeert me te helpen. Maar we kunnen niet goed met elkaar communiceren want hij spreekt alleen Chinees en ik geen woord. Ok, misschien 10 woorden, maar daar houdt het op. Zijn hulp - hoewel goed bedoeld - werkt een beetje averechts, haalt me uit mijn concentratie. Ik ben dan ook een beetje opgelucht als de fietser weer verder fietst.
Het is nu al rond het middaguur en ik ben nog niet veel opgeschoten. Dat ga ik ook de komende uren niet doen want ik moet een klim maken. Ik stop bij een winkel om snel wat te eten om energie te hebben voor de klim. De eigenaar van de winkel wil met me op de foto en zo houd ik even pauze met een ijskoffie en een koekje.
Nog geen kilometer van de winkel vandaan begeeft de band het wéér. Het is hier agrarisch gebied, overal elektrische karretjes langs de weg en mensen die op het land werken. De zon is inmiddels doorgekomen en het wordt goed warm. Ik plak mijn band onder één van de schaarse bomen.
"Driemaal is scheepsrecht," denk ik hoopvol. We zijn inmiddels diep in de middag en ik heb nog maar iets meer dan 30km gefietst.
De klim gaat voorspoedig, hoewel ik een beetje teleurgesteld ben dat de besneeuwde toppen verborgen zitten in de wolken. Op de top tref ik een motorrijder die een beetje Engels spreekt. Hij wil op de foto natuurlijk. Hij is van Mongoolse afkomst en woont in Beijing. "I like you!", roept hij enthousiast uit. Nu pakt hij me bij de bovenbenen en maakt een enthousiast gebaar: "Strong!". Dan voelt hij aan mijn billen, geeft er eens een goede klap op, spert de ogen wijd open en begint dan luidkeels te lachen. Ik kijk hem een beetje schaapachtig aan. We kunnen geen sociale media uitwisselen, want er is hier geen internet bereik.
Van de groene velden en rotsachtige toppen verandert het landschap tijdens de afdaling snel naar een marsachtige sculptuur. Ik kijk mijn ogen uit, want de rotsen lijken op mensen, huizen, dieren. Ik moet oppassen dat ik niet wordt aangereden, terwijl ik me vergaap.
Onderaan, in het "dal". We zijn trouwens nog steeds rond de 2000 hoogtemeters! Blijkt een UNESCO geopark te zitten. Natuurlijk met scenic area en al. De rotsen die ik in de verte zie zijn zo mogelijk nog spectaculairder dan die tijdens de afdaling. In verschillende kleuren van geel tot oranje tot rood, sommige gestreept. Elke streep vertelt waarschijnlijk het verhaal van een miljoen jaar op de aarde. Deze rotsen zijn zo veel ouder dan wij en zullen ons overleven, toch denken wij ze te kunnen temmen, door ze in een scenic area te categoriseren.
Ik heb een hotel geboekt in een dorpje dat voor het toerisme van deze scenic area blijkt aangewezen. Alle gebouwen hier zien er precies hetzelfde uit, dus het is even zoeken. Hier is elk gebouw een nummer, laat staan elk mens. De eigenaar van het hotel is een beetje verbaasd en teleurgesteld dat ik de scenic area niet ga bezoeken.
In de ochtend bezoek ik de laatste scenic area: het uiterste uiteinde van de Grote Muur. Ik mag absoluut niet over de geasfalteerde weg fietsen om naar de ruine van de wachttoren te komen. Ik mag alleen wandelen of met de bus. "Ik gebruik geen bussen," zeg ik kordaat.
De wachttoren is een soort grote steen. Verder is er een fancy museum, helemaal in de berg ingemetseld en daar zie je de rivier Canyon en snap je waarom dit de laatste wachttoren: no way dat een leger hieroverheen komt!
Om dat te illustreren is er een lange hangbrug over de canyon heengebouwd. Halverwege begint het me te duizelen, maar ik moet door. Ik denk terug aan de tunnel op de weg van Georgië naar Rusland, die paniek, dat gevoel dat ik temidden van niets zweef, dat heb ik nu weer. En ik moet ook nog terug. Ik overleef het en kan weer verder fietsen. Het is inmiddels alweer rond het middaguur.
Ik eet ergens nog wat noedels en vlieg dan nog 125 kilometer met de wind in de rug richting oosten. "Wat gaat het moeizaam," denk ik op enig moment. Wéér een platte band, weer zo'n verdomd ijzerdraadje. Een teken dat ik moet stoppen. En precies op dit moment passeer ik een opgedroogde rivier in een prachtige canyon. Hier, tussen de rode rotsen vind ik een slaapplek en schrijft ik dit dagboekfragment.
Krak! Zegt mijn fietstas als ik mijn slaapzak eruit wil pakken. Nu heb ik twee kapotte fietstassen. Het begint te regenen. De oplossingen komen morgen wel.
Uiteindelijk blijf ik twee dagen in Hami om te rusten, om de website bij te werken, brieven te schrijven, mijn fiets te laten repareren. Het is bloedheet.
Ik breng een bezoek aan de boeddhistische tempel, die van buiten prachtig is, maar van binnen niet te bezichtigen. Daar tref ik Yi Muran, een jongen van 16 met een schoolboek onder de arm. Hij begint me te ondervragen over mijn reis en we worden WeChat-vrienden. Hij doet me denken aan Nura, die ik in Kyzylorda, Kazachstan ontmoette.
Ik vertrek wat laat, omdat er toch nog wat problemen zijn met de reparatie van mijn fiets, vervolgens moet er nog een fotosessie met de buitenlandse fietser worden gedaan en het postkantoor waar ik de inmiddels geaccumuleerde brieven moet posten, is pas laat open. Maar net het voor het middaguur en ruim boven de 30 graden, ben ik dan toch eindelijk onderweg, onder de brandende zon de woestijn in: de komende drie dagen zal ii nauwelijks bewoonde wereld zien.
Het begint niet voorspoedig. Ik heb mijn route niet uitgebreid gedubbelcheckt en ik moet een omweg van 10 kilometer maken om op de hoofdweg richting Dunhuang uit te komen.
Er zijn wel wat trucks op deze weg, maar niet al te veel en er is een brede vluchtstrook. Schaduw is er nergens. De enige oases op deze weg van 380 kilometer zijn twee "service stations": daar vind je een supermarktje, een restaurant, een tankstation, toiletten, warm water. Kortom, alles wat je nodig hebt. Het blijkt ook een plek waar je je tent neer kan zetten. Ik zie een aantal geparkeerde fietsen en motoren en tentjes. Het blijken ook plekken waar je makkelijk vrienden maakt!
Nu komt Yang, een van de Chinese fietsers naar me toe. Aangezien hij alleen Chinees spreekt, vraagt hij zijn vriendin Mero erbij en zij voert het woord. Met Xiao en Loukaka zijn ze onderweg naar het zuiden, een beetje de route die ik volg.
Wat is het heerlijk om mensen te ontmoeten die hetzelfde ervaren als jij. We wisselen nummers uit en zeggen dat we elkaar vast wel onderweg zullen ontmoeten. Ik zou het liefst hier met deze vier Chinese avonturiers blijven kamperen en met ze meefietsen morgen. Maar ik wil de woestijn in drie dagen trotseren en dat betekent dat ik nu nog wat meer kilometers moet maken.
Ruim 40 kilometer verder sla ik mijn kamp op. Ik loop gewoon de woestijn in, zoals ik dat in de Kazachstaanse steppe deed. Maar daar wemelde het van het leven. Hier niks, geen plant, geen insect, geen dier. Althans, niet zichtbaar voor mij. Ik geniet van de felle sterrenhemel en moet denken aan een dakloze man, die eens geïnterviewd werd en zei: "niet ik ben gek, maar jullie dat jullie elke nacht naar een wit plafond staren".
Hier in de omgeving van Barkol is het groen. Het lijkt wel op de alpen. Ik blijf een hele tijd land die besneeuwde toppen aan mijn rechterhand houden. De wind nog steeds in de rug.
Dan bereik ik een kruising richting een bergpas, die besneeuwde toppen in. Ik heb echter vernomen dat je daar niet mag fietsen en ik rijd nog een stukje door over een weg die door een riviervallei voert. Overal zijn wegversperringen, maar als fietser word ik doorgelaten. De weg is bijna verlaten en zéér ydillisch, watervalletjes, koeien en paarden, grasveldjes, kleine paadjes die de bergen in slingeren.
Ik ga eerst nog een stuk omhoog en dan begint de afdaling. Een aantal snelheidsmeters spreken me streng toe. Ik vlieg naar beneden.
Eenmaal beneden aangekomen is het ineens gedaan met het groen en het blauw. Ik sla een hoekje om en de hitte werpt zich als een deken over me heen. Overal rode canyonachtige rotsen. Ik voel hoe de warmte van het asfalt zich een weg langs mij omhoog baant en heb het idee dat ik nauwelijks kan ademen.
Eenmaal in Hami krijg ik bericht van mijn hotel dat ze me als buitenlander niet willen ontvangen. Ik probeer een ander hotel. Hetzelfde verhaal. Ik ben goed geïnformeerd en accepteer dit niet zomaar. Ik laat het bericht zien waarin staat dat hotels in China niet langer een onderscheid mogen maken tussen buitenlandse en Chinese gasten. Het heeft geen zin. Ik ga naar het politiebureau. Ook hier willen ze de man niet dwingen om mij te registreren. Ik ben ondertussen met een aantal mensen aan het chatten die me adviseren en uitleggen dat het waarschijnlijk met "gezichtsverlies" te maken heeft: de hoteleigenaar weet niet hoe je een buitenlandse gast moet registreren en dus zegt dat hij het niet mag en de politie wil hem dan niet afvallen. Mij wordt aangeraden om klantenservice te bellen en een nummer voor consumentenbescherming. Maar dat voelt niet goed, zo wil ik mensen niet onder druk zetten, hoe slecht ik deze manier van handelen ook begrijp. De politie overlegt druk, belt wat, verzekert me dat alles in orde komt. Maar een uur later zit ik daar nog steeds. Dan heeft de agente in kwestie - met wie ik communiceer via een vertaalapp - ineens een hotel voor me gevonden. Vlakbij. "En ze weten dat ik onderweg ben?," vraag ik. "Ja," verzekert ze me.
Een paar honderd meter verder. Ik sta in het hotel, maar het echtpaar begint direct te gebaren van "nee, nee", zodra ze deze buitenlander binnen zien lopen. Na een korte discussie geef ik het op. Ze zeggen namelijk dat de kamers die ze nog beschikbaar hebben toevallig net worden gerenoveerd. Inmiddels enigszins geïrriteerd laat ik ze weten dat ik wel een plekje op straat zal zoeken. Zou dat hier heel onbeleefd zijn?
Weer terug in het politiebureau. De agente in kwestie zegt: "een moment, ik ben zo terug." Ik zie haar niet meer terug. Zou ze hebben gewacht tot het einde van haar dienst?
Inmiddels is het twee en een half uur later en ik heb nog geen hotel als een mannelijke agent me op de schouder tikt en zegt: "kom maar mee". Hij brengt me naar een ander hotel op de hoek van de straat en ik heb eindelijk onderdak.
Vandaag is de wind mij goed gezind en ik besluit in het stadje Barkol een tent te huren bij een pension.
Onderweg naar Barkol word ik al snel geflankeerd door besneeuwde bergtoppen. Het landschap wordt wat vriendelijker en groener. De weg verloopt voorspoedig, zonder al te lastige vrachtwagens, zonder pech en dus met de wind in de rug.
De douches en toiletten in het pension zijn iets minder dan ik had gehoopt en het water is lauw, maar toch is het een fijn rustpunt en kan ik hier ook een warme maaltijd eten en naar een winkel gaan. Barkol lijkt me een echt wintersportoord, maar het is geen winter dus het is niet zo druk.
In de winkel waar ik boodschappen doe, schreeuwt een man tegen zijn dochter van een jaar of vijf die Chinese karakters schrijft in een schoolboek. Ze heeft een fout gemaakt en schrijft het karakter nu opnieuw, waarop ze angstig omhoog kijkt naar haar vader, die mijn producten scant, zonder me aan te kijken. De letter was goed en ze haalt opgelucht adem. De druk om iets te presteren in je leven, lijkt hier al jong te beginnen.
Het laatste stukje weg richting de hoofdweg die ik nu weer moet volgen heb de wind mee, maar op de hoofdweg krijg ik weer tegenwind. Op de kruising met de hoofdweg is een soort truckersparadijs met winkels, reataurantjes, garages en een truckershostel. Voor mij ziet het er meer uit als een hel. En zo zal ik de weg die ik nu moet gaan volgen al snel ervaren, ik noem hem "Truck Hell"
Een onophoudelijke stroom trucks raast langs me heen. Het is "Kazakhstan all over again". Er zijn wel eens stukjes waar je even kunt rusten, vlak voor bruggetjes. Daar staan dan wat paaltjes. Maar ook daar word je bijna van je sokken geblazen door de wind die de vrachtwagens veroorzaken. "Dit is puur geweld," denk ik.
De wind blijft maar in mijn gezicht blazen, terwijl anders was voorspeld. En ik moet omhoog. Het zit even niet mee vandaag. En het is ook nog eens razend heet en ik ga sneller door mijn water heen dan ik verwachtte. En de komende 100 kilometer is er niks. Je beseft je dan hoe kwetsbaar je als mens bent. Ik houd in mijn achterhoofd dat er hier voldoende trucks zijn, dus dat vast iemand me kan helpen als ik echt in de problemen raak.
Ik bungel aan het randje van de weg, probeer te overleven in dit geweld. En alsof de trucks, de koningen van de weg, nog niet voldoende ruimte innemen, moet ik ook ol het randje oppassen met hun afval: reserveonderdelen, draadjes en flessen met gele vloeistof...
Ik besluit op enig moment de gravelweg naast de hoofdweg te nemen. Lastig overheen te fietsen, maar even ademen. Nog langzamer, nog meer ploeterend, nog sneller ga ik door mijn water heen. Ik probeer te doseren, maar al snel voel ik mijn mond van binnen droog worden en plakken mijn lippen aan elkaar. Vol verlangen kijk ik naar de flessen met gele vloeistof in de berm. Er ligt hier zoveel vloeistof, toch heb ik dorst. Een flesje ice tea, de vloeistof lijkt de juiste kleur te hebben. Ik begin de mensen te begrijpen die gaan hallucineren in de woestijn, want in mijn hoofd verschijnen beelden van goedgevulde koelkasten met frisdrank, als ik de flessen met pis in de berm zie. Dit is een marteling, dit is de hel.
"Dankzij jullie hobbel ik hier bergop op dit paadje, slingerend door jullie pisflessen," denk ik woedend wanneer een vrachtwagen toetert - ik val bijna van mijn fiets zo luid - en de chauffeur enthousiast naar me zwaait.
Je plas schijnt donkerder te kleuren als je minder goed gehydrateerd bent. Hier zie je dus de waaier aan hydratatieniveaus op het spectrum van de vrachtwagenchauffeurs. Ik vraag me af of het moeilijk is om een fles te plassen, terwijl je aan het rijden bent, en vol genoegen fantaseer ik over vrachtwagenchauffeurs die zichzelf onder plassen. Dat zal ze leren.
Ik besluit zo snel mogelijk af te zwaaien. Dit is niet te doen. Op het eerstvolgende kruispunt zie ik een stalletje met eten. Ernaast twee gigantische 10-liter flessen water. Maar de verkoper is nergens te bekennen. Ik zie een man in een elektrisch wagentje en vraag hem om water. "Nee," zegt hij resoluut. Dan roept hij me terug en toont me een fles frisdrank. "8 Yuan". Al had hij 20 yuan gekost... De man heeft ook een tank met water op zijn karretje en zegt dat ik me moet wassen. Ik zie er vermoedelijk niet al te fris meer uit.
Het eerstvolgende tankstation is nu 70 kilometer fietsen. Wat bergop en wat bergaf. Ik bereken hoeveel water en frisdrank ik per 5 kilometer mag drinken. Soms haal ik de 5 kilometer niet voordat mijn lippen alweer aan elkaar plakken en mijn mond van binnen als karton voelt.
Toch red ik het, zonder voorbijgangers te vragen op mijn rantsoen tot een winkeltje naast het tankstation. Het is hier bewoond omdat er hier kolen gewonnen worden. Ook hier razen er trucks vol kolen voorbij, soms regent het wat houtskooltjes op mijn hoofd en de bermen zijn zwart, maar toch groeit er vanalles.
Ik koop bizar veel frisdrank en water in het winkeltje. Er schijnt hier een hotel te zijn, maar bij navraag is dat alleen bedoeld voor de medewerkers van de kolensite.
Het is een indrukwekkend gezicht. De bergen hebben plaatsgemaakt voor door de mens ontworpen bergen in perfect rechte lagen. Het lijkt alsof ze gewoon de wilde bergen wat ordentelijker hebben gemaakt. Een eindje van de kolen vandaag kruip ik de wilde bergen in, in een dalletjevol gras en struikjes sla ik mijn kamp op
Ondertussen slinkt het water razendsnel met zo veel zon en zo weinig bewoonde wereld. Gisteren zag ik geen enkel dorp of tankstation. Vandaag kom ik wel door een dorp, waar ik ga eten, wat boodschappen haal en veel water. Dan begint een lange afdaling en rijd ik soms wel 50 kilometer pr uur. Ik heb de wind ook nog mee en ik ben ineens heel gunstig gestemd over mijn voortgang. Dat had ik niet moeten doen, want mijn wiel begint te slingeren. Wat blijkt: een lekke band.
Ik ga onder een bruggetje zitten. De enige plek waar schaduw is, wat een geluk dat ik hier die lekke band kreeg!
Ik kom langs nog een plek met winkels en restaurants en haal nog wat extra water en even verderop neem ik een afslag naar een gravelweg, die ik 60 kilometer lang moet volgen, door een soort gigantisch windmolenpark. De weg is slechter dan ik dacht en ik ben ineens een stuk minder optimistisch.
Op 16 kilometer is er weer een kruising en dan blijkt het vervolg van de gravelweg afgesloten te zijn. Ik kán om de hopen zand heen fietsen, maar de weg ziet er nog slechter uit dan hiervoor. Ik waag het er niet op. Tegen de wind in, zwoeg ik mezelf terug naar de hoofdweg en ik zie het ineens allemaal een stuk minder optimistisch na die lekke band, die slechte weg en deze afgesloten weg, die betekent dat ik 80 kilometer moet omrijden!
Ik ben moe en ik besluit te gaan slapen. Zeker gezien het feit dat ik nu ineens tegen de wind in moet fietsen. Ik loop gewoon van de weg af en zoek een zo beschut mogelijk plekje tussen wat struiken.
Een rustdag worden er twee, omdat ik erachter kom dat de grens op zondag gesloten is. Guang en Rainer komen ook terug. Ze gingen Mongolië in maar werden een aantal kilometers verder teruggestuurd omdat er een mond en klauwzeer uitbraak was. De volgende dag en het ontbijt geeft Guang me nóg een brief mee, veel belangrijker dan die eerste, zegt ze.
Ondertussen krijg ik te horen dat het verhaal over mijn reis in Rusland gedeeld is door de mediapersoonlijkheid Kseniya Sobchak. Alle Russisch sprekende mensen die ik ken, beginnen me berichten te sturen: "weet je wel wie dit is, hoe beroemd zij is?" Ik krijg het bericht 's nachts terwijl ik wakker lig van dronken mensen die Russisch spreken. De Russischtalige wereld wil me nog niet loslaten.
Vandaag ga ik naar de grens met Mongolië om mijn visumvrije periode in China te verlengen. De luidruchtige mannen van vannacht zitten in de lobby en roepen me: "hey, vriend". Ze blijken Belarussische vrachtwagenchauffeurs die hier aan het afwachten zijn hoe het verder gaat met de uitbraak. Ondertussen willen ze best het verhaal horen van deze postbode. Daniil, de jongste en knapste van de bende vrachtwagenchauffeurs, voert het woord. Het is een opluchting dat ik in elk geval iets versta van wat ze zeggen. Daniil schrijft me later: "you’re a good person, a very friendly and kind guy, I wish you a good trip, take care of yourself and your health, be careful." Dat geeft weer motivatie.
Aan de Chinese kant verloopt alles zoals bij die andere grens. Geordend, volgens protocol en vriendelijk, maar je moet wel een beetje geduld opbrengen. In Mongolië word ik geholpen door een mevrouw met een bril. Ze stempelt snel mijn paspoort en dan mag ik omlopen om weer uitgestempeld te worden. In het midden van het gebouw zit een glazen kantine, waar een man in uniform staat te darten. Eenmaal om het gebouw heengelopen zie ik de grensbeamte nog steeds darten en laat ik me uitstempelen door... Diezelfde mevrouw met diezelfde bril. Die is dus gewoon via de glazen kantine naar de overkant gelopen en vertolkt nu de rol van grensbeamte voor lieden die Mongolië verlaten. "Jou ken ik", gebaar ik, "ze moet een beetje lachen". En dan moet ik weer door de Chinese grensfabriek. Weer alles twee keer uit mijn tassen halen en wachten tot mijn paspoort naar tevredenheid is gescand. En zo ben ik hier al snel weer twee uur van mijn leven verloren. Gelukkig heb ik wat aanspraak van een Chileens-Duits stel dat aan het backpacken is. De Chileense man wordt naar een kantoortje geroepen omdat hij een verdachte Taiwanese stempel in zijn paspoort heeft.
Ik heb het grootste gedeelte van mijn bagage nog in het hotel laten staan, omdat ik daar toch weer langs moet om mijn weg richting zuiden voort te zetten. Dat is helaas grond voor de douanebeamten om het kleine beetje wat ik bij me heb aan een zeer grondige inspectie te onderwerpen. En ik ben maar 10 minuten het land uit geweest!
Terug in het hotel zit een man met een grote ronde buik met zijn schaap. "Hello!", roept hij net iets te luis enthousiast in het Engels en ik groet terug. Wanneer ik terugkom met mijn tassen, zie ik dat de man de de poten van het schaap met een touwtje aan elkaar bindt en ik vrees het ergste. Als ik terugkom met de rest van mijn bagage word ik bijna omver gelopen door de eigenaar van het hotel met een grote emmer met rode vloeistof. Er klotst een beetje over de rand, een rode vlek op de stoep. De man met de ronde buik zit nu hijgend naast het levenloze schaap in een plasje bloed. Terwijl ik mijn tassen aan het pakken ben, stroopt hij het dier dat net nog leefde en met de eigenaar van het hotel proberen ze het nu aan een touw te binden om het aan de boom te hijsen. "Hey! Hey!", roept de man met de ronde buik en hij gebaart dat ik moet komen. Ik durf niet te weigeren. Ik moet het dier aan de poot pakken, die zo zonder vacht glibberig aanvoelt, ik moet denken aan vroeger, aan barbecueën met mijn vader, aan kippenpootjes. Maar deze poot moet nog het leveloze gewicht van het vergemeste schaap dragen. Door de poot heen, voel ik hoe de gewrichten deze last nog proberen te dragen. Het schaap valt en de mannen geven mij de schuld. We pogen opnieuw. Ik wordt gesommeerd om als langste van de drie slagers de haak in godsnaam snel aan de boomstronk te hangen. Ik ruik schaap en vlees en het zweet van de hijgende man met de ronde buik en ik voel me ineens ontzettend misselijk.
Ik was mijn handen.
Ik pak mijn laatste tas, maar zie dan dat die ook aan de andere kant gebroken is. Ik repareer de tas provisorisch. Ondertussen is men druk met het schaap in de weer. Allerlei organen worden apart in bakjes gedaan. De man van het hotel kijkt heel tevreden. De kop van het schaap wordt nu naast de kapotte tas neergelegd. "In de hoek van de kapotte spullen," denk ik en ik zie een stukje hersen, terwijl de kat vol verlangen in de struiken miauwt en wacht tot ze een stukje toegeworpen krijgt.
De rest van de dag is minder intens. Alleen de warmte is intens, want dit is de woestijn. Alles is geel en bruin. Ik draag niet vaak een zonnebril, maar nu wel en het voelt veilig, alsof ik in een andere wereld ben, waar de zon iets verder weg is. De vale bruine kleuren krijgen door de glazen van de zonnebril wat meer contrast, zo lijkt het.
Er is hier weinig verkeer. Vlak voor de avond valt, zoek ik mijn achter een heuveltje, net buiten zicht van de weg. De meest prachtige rotsen omringen mij. Ik hoor paarden rond mijn tent briesen, maar dat deert me niet.
Het landschap verandert niet veel: het blijft steppe, maar door de bergen is er toch telkens een kleine verandering die verwondering oproept en je het gevoel geeft dat je vooruitkomt. Ook vandaag geeft de wind mij duwtjes in de rug, dus de rit verloopt voorspoedig en rond het middaguur ben ik al op zo'n 35 kilometer, juist voorbij het dorp Aghashoba.
Niet echt een Chinese naam trouwens, zoals veel plaatsen in de omgeving. In dit deel van Xinjiang zijn de meeste mensen Kazachs. Ook de politieagenten die me nu staande houden spreken onderling Kazachs. Één van de agenten spreekt ook Engels.
Ze willen weten wie ik ben en waar ik naartoe ga. En ik hoor weer dat zinnetje "you need to cooperate". Het geeft me een beetje een ongemakkelijk gevoel van onvrijheid en bekeken worden. Maar de agenten zijn zeer vriendelijk, wat veel goed maakt. Na een check en wat contact via een walkie talkie, mag ik weer verder fietsen.
Maar een paar honderd meter verderop stopt de politieauto weer en de Engelssprekende agent zegt: "Sorry, je mag deze weg niet nemen".
Ik had al vaker gehoord dat dit kon gebeuren in China en nu ervaar ik het aan den lijve. Ik moet de politieauto volgen en wordt teruggeleid naar de hoofdweg. Daar is een checkpoint, waarvan ze willen dat ik erdoorheen ga. Ze houden het allemaal goed in de gaten hier.
De agent verontschuldigt zich meerdere malen en zegt dat hij gewoon zijn werk doet. Ik glimlach en gehoorzaam, maar baal wel van deze omweg van 15 kilometer. Het kan echter volgens mij veel erger zijn, dus ik zeg tegen mezelf dat het gewoon onderdeel is van de weg die ik af te leggen heb.
De agent blijkt van Mongoolse afkomst, maar hij legt me uit dat in Altay, de regio waar we nu zijn, verreweg de meeste mensen Kazachen zijn, maar dat je hier ook Oeigoeren en Han-Chinezen vindt. Hij rent snel een winkeltje in en komt terug met twee flessen water.
De hoofdweg is wat heuvelachtiger, maar met prachtige uitzichten en uiteindelijk een afdaling richting de grens en het dorp Taykashiken. Hier ga ik samen met talloze vrachtwagens door het checkpoint heen. Dat gaat dit keer snel en voorspoedig.
Ik neem mijn intrek in een hotel en ga op zoek naar iets te eten en hoor daar twee mensen Duits spreken. Het blijken Guang en Rainer te zijn. Rainer is te voet onderweg van Portugal naar Singapore! Zijn vrouw (wiens naam "Guang" licht betekent) - oorspronkelijk van Beijing - vergezelt hem regelmatig en reist dan weer op en neer voor zaken.
Rainer vertelt me over de voordelen van het wandelen: niet voortdurend tussen de vrachtwagens, een podcast kunnen luisteren, veel meer in contact komen met mensen, omdat je echt overal moet bevoorraden. Hij heeft slechts 23 kilometer niet zelf gewandeld, op plekken waar het niet mogelijk of toegestaan was om te wandelen. Hij is verwonderd dat het mij gelukt is om alles zelf te fietsen tot hier en onder de indruk van mijn kennis over grenzen en visa.
Guang en Rainer vragen of ik een brief voor hen wil bezorgen en hoe kan ik dat weigeren? Morgen zetten ze hun toch voort richting Mongolië, terwijl ik een rustdag zal houden.
Ik probeer weer mijn twee brieven te bezorgen, maar het postkantoor is weer gesloten. Er hangt een briefje op dat het vanwege de islamitische viering Eid is. Nu begrijp ik het! De brieven moeten dus nog een eindje met me meefietsen.
Bij een tankstation knuffel ik met een klein katje, die ik het liefst zou adopteren.
Verder zie ik langs de weg weinig. Vaalgroen en bruine bergen met herders op motoren een grazende dieren: schapen, koeien, kamelen. Af en toe wat yurts langsbde weg met tafels vol stenen die worden verkocht.
Ik probeer bij een tankstation zo'n honderd kilometer verder water te kopen, maar dat hebben ze niet, alleen olie en anti-vries. Het meisje van het tankstation geeft me haar eigen flesje en ik neem het dankbaar aan. Ik heb nog water, maar het is boven de dertig graden en geen wolkje aan de lucht. Het water gaat er dus rap doorheen.
Het is de eerste avond dat ik ga kamperen in China, maar anders dan in Kazakhstan - waar ik zo ongeveer overal de weg af kon stappen om ergens mijn tent op te zetten - zie ik hier veel sporen van menselijke activiteit: bordjes, hekken en weinig beschutting en men heeft me vertel dat het in China niet zo makkelijk is om het bij mensen te vragen, omdat dat ze dan waarschijnlijk vriendelijk zullen weigeren. Ik fiets dus kilometers lang zonder iets te vinden. "Zo schiet het wel lekker op", denk ik en dat wordt nog eens versterkt door de wind in de rug.
Dan zie ik, inmiddels al laat op de avond een grote kuil. Daar ga ik in en zo slaap ik uit het zicht van de weg. 's Nachts begint het hevig te waaien, maar gelukkig heb ik geïmproviseerde scheerlijnen!
Ik kom onderweg zoals verwacht weinig tegen. Ook vandaag is de wind nog in mijn nadeel, dus ik besluit ongeveer 90km af te leggen en te verblijven in de voorlopig laatste stad voor de grens met Mongolië.
Onderweg zijn er weinig voorzieningen, ik ben dus blij wanneer ik een winkeltje aantref. Een eenvoudige winkel met drinken, snoep en chips, waar drie meisjes op hun telefoons zitten te spelen. Hun mond valt open en ze slaken een diepe zucht van verbazing wanneer ze de buitenlandse fietser binnen zien komen. "Een buitenlander", fluisteren ze naar elkaar.
Wanneer ik buiten mijn flesje aan het opdrinken ben, zie ik dat ze eerst door het raam, dan om het hoekje van de deur een beetje verlegen aan het kijken zijn. Één van de meisjes vraagt iets, maar ik begrijp haar niet. Ik zeg dat ik uit Nederland kom, de enige zin die ik nog ken. De meisjes overleggen druk, achter de deur. Dan durft één van de meisjes het aan. Moedig stapt ze naar buiten en duwt haar telefoon in mijn gezicht. Ik zie mezelf en Chinese karakter die ik niet begrijp. "Wat moet ik doen?," vraag ik.
Dsn zegt de telefoon: "Hello, I am a Chinese AI and I am helping these kids to talk to you. Where are you from?"
Ik heb de vriendelijke digitale vrouw alles uitgelegd en ze was zo vriendelijk om het vervolgens in het Chinees te vertalen. De vragen hoefden de kinderen niet zelf te stellen, dat deed deze dame zelf. Ze was ook erg complimenteus, en toen ik vertelde dat ik een fietsende postbode was, zei ze: "That's so special!"
In het hotel in Beitun, zegt de man aan de receptie dat ik het maar bij een ander hotel moet proberen. Ik heb eerder over dit probleem gehoord. Mensen moeten geregistreerd worden in een hotel en het proces is ingewikkelder met een buitenlands paspoort. Tegen mijn intuïtie en mijn gevoel voor beleefdheid in, besluit ik - met een vriendelijke glimlach - aan te dringen, ik ga gewoon rustig zitten wachten, terwijl de man probeert om me aan te melden. Deze tactiek werkt en ongeveer een uur later is het eindelijk gelukt en mag ik in de goedkoopste kamer.
Dat is een soort betonblok met niets meer dan een matje erop, toch zal ik hier heerlijk slapen: ik ben inmiddels gewend aan harde ondergronden.
Ik zoek iets te eten en vind een hamburgerrestaurant. Ik ben opgelucht dat ik iets zonder chopsticks kan eten (hoewel ik in de tussentijd druk aan het oefenen ben!) en het bleek een goede keus want ik raak aan de praat met Ma Li ("Mary" legt ze met een overdreven Amerikaans uit) en haar collega. Zonder tussenkomst van AI dit keer, of nee, niet helemaal, want we gebruiken vertaalsoftware. "Je bent geweldig", zegt ze en daar word ik een beetje verlegen van. Voor ik vertrek, wordt mij nog duidelijk gemaakt dat ik Chinees moet leren, zodat ik met een Chinees persoon kan trouwen. Helder!
Voor ik vertrek wil ik een nieuwe simkaart kopen en twee brieven die in Kazachstan schreef eindelijk op de post doen. Het lukte daar telkens niet om een geopend postkantoor te vinden.
Ik heb mezelf gedwongen om vroeg op te staan, ook al voelt dat als midden in de nacht. Raar zo'n jetlagachtig gevoel wanneer je een landgrens oversteekt.
Maar het stadje, waar je op straat vooral veel Kazachs hoort, lijkt ook in Kazachse tijd te leven. De meeste zaken gaan pas om 10 uur open. Ik struin dus wat rond en kijk naar de marktkooplui die hun kramen vullen met producten. Ik stap een winkel in en kan het niet laten om heel veel voorraden te kopen: het is een paradijs met (gedroogde) vruchten en groenten, nori bladeren en allerlei andere zaken waarvan ik niet precies weet wat het is, maar die ik toch wil proberen.
In de telefoonwinkel vindt men het nogal grappig zo'n buitenlander. De vrouw die me een simkaart moet verkopen vraagt me iets in het Chinees, probeert het dan in het Kazachs en kijkt dan met wijdopen gespreide armen de winkel in en roept waarschijnlijk iets als "wat moet ik met deze man die niets begrijpt". We proberen het met vertaalsoftware, met wisselend succes. Op enig moment lees ik namelijk "ik heb een sandwich voor je gemaakt," en moest ik teleurgesteld constateren dat van een boterham geen sprake was. 40 Gigabyte waren 40 oude dames. Geen commentaar. Ik ben getuige van een uiterst ingewikkeld bureaucratisch proces met foto's en handtekeningen en uiteindelijk worden mij haastig al mijn zaken weer in de hand gedrukt en ineens zachtaardig de straat op geduwd, de telefoonvrouw gebaart dat ik haar moet volgen, treft dan op straat een kauwgomkauwende vrouw en laat me bij haar achter, nu achtervolg ik de kauwgomkauwende vrouw, geen idee waar naartoe. Ze vraagt me iets en ik kijk gaar vragend aan. "Ah," zegt ze. Het blijkt een mevrouw van een andere provider te zijn, ze is heel vriendelijk, maar blijft luid kauwgomkauwen tijdens het hele bureaucratische proces dat weer van voren af aan moet beginnen nu. Driemaal is scheepsrecht want ik verlaat de zaak met razendsnel internet.
Op naar het postkantoor, waar men net zo vragend naar de Latijnse letters op de envelop kijkt als ik naar alle Chinese tekens overal. Iedereen probeert te helpen, klanten, medewerkers, de chef wordt gebeld. "Je moet nog even wachten," lees ik telkens op telefoons. En dan komt ook nog Zhalin, een vriend van Aslan uit Zaysan. Maar het is allemaal tevergeefs. Na een uur wachten krijg ik te horen dat ze niet weten hoe ze zo'n brief naar het buitenland verstuurd moeten krijgen. Inmiddels is het al voorbij het middaguur en heb ik nog geen kilometer gefietst. Hoe moet ik ooit dit gigantische land doorkomen als ik zoveel geduld moet opbrengen. Zal de Chinese immigratiedienst ook geduld hebben met mij, als ik een paar dagen over mijn visumvrije periode heen ga. Ik neem me voor om dat niet te proberen.
Dus op naar het oosten, waar de wind vandaan komt. Alweer. Het is zo ongeveer overal middle of nowhere, maar anders dan in Kazachstan heb ik over vier à vijf streepjes. Ik ben verbonden. De snelweg waar ik over fiets, splitst al snel op en ik volg de oude weg, waar ik nauwelijks nog auto's zie. Langs de weg staan om de 50 meter een soort lantaarnpalen met een pijl erboven, die de zijkant van de weg aangeeft. Nogal overdreven, lijkt mij? Ze draaien er hun hand niet voor om hier in China, voor al dat staal, al die betonnen voeten. Ik fiets door een eindeloos windmolenpark, daar zal wat energie vandaan komen in deze winderige uithoek van de wereld!
Vanwege mijn late vertrek, kom ik vandaag niet verder dan Burqin, een toeristenstadje met een oude Russische haven aan de rivier. Het is mij onduidelijk wat nu historische gebouwen zijn, en wat er naderhand bijgebouwd is voor de toeristen. Twee gigantische Matroeschka's aan de ingang. Ergens hangt een speaker met het Russische volkslied op repeat. Ik ga ergens wat eten en kan gewoon in het Russisch bestellen. Maar als bestek, krijg ik gewoon chopsticks. Poging twee. Het gaat met wisselend succes. Het oppakken van eten gaat redelijk soepel, noedels oppakken is lastig. Ik voel me ongemakkelijk, bekeken, want ik zie heus wel af en toe een geamuseerde blik mijn kant op. Maar een vork vragen doe ik niet. "Ik ben voorlopig hier, ik moet het leren," zeg ik tegen mezelf. Het voelt erg existentieel, deze worsteling met bestek. Het voelt onrechtvaardig, ik kan al niks lezen en niet meer praten, maar zelfs datgene wat me vooruitstuwt bij het fietsen, het eten wat ik zo nodig heb, wordt een soort ongemakkelijke worsteling, waarbij ik me schaam en het gevoel heb dat ik echt niks kan. "Maar," zeg ik tegen mezelf "net zoals fietsen repareren ga je dit leren, gewoon door te doen en op je bek te gaan. Laat de mensen maar lachen, ik wil hen wel eens horen in het Nederlands".
In een winkeltje koop ik een setje chopsticks om te oefenen in mijn hotel. Hotels zijn zo goedkoop in China, dat het erg aanlokkelijk is om er elke nacht een te pakken. Maar morgen ga ik richting onherbergzamer gebied.
Mijn laatste dagen in Kazakhstan proefde ik van haar ongekende gastvrijheid. Aslan, de eigenaar van hotel Nomad, waar ik verbleef, hielp me eerst om mijn fiets te kunnen repareren en nadat ik had verteld over mijn reis, over hoe ver ik al had gefietst en dat ik elke centimeter van mijn reis op eigen spierkracht had afgelegd, bood hij me aan om gratis in het hotel te verblijven, 's ochtends en 's avonds werd ik telkens geroepen voor het eten en het personeel behandelde me als een eregast. Ik ben Aslan zo dankbaar voor de hulp na een tegenslag en om me Kazachstan met zo'n goed gevoel en prima uitgerust te verlaten.
De weg naar de Chinese grens is eenzaam en leeg. Het gaat snel, ik.heb windkracht 5 in de rug. Aan de Kazachstaanse kant is het even zoeken waar ik precies naartoe moet, maar uiteindelijk kom ik in China terecht en zie meteen dat het hier een hele andere wereld is. De meestal roodkleurige Chinese letters die ik van foto's kende zijn hier overal en natuurlijk lampionnen en die typische daken. Ik begrijp niks van wat er geschreven staat.
Een Engelssprekende grenswacht is mijn gids door de verschillende stadia van het immigratieproces. Hij begint steevast elke zin met "bro" en hij ik voel me erg op mijn gemak. Hij is een Kazachse Chinees, en tussen het 3 x opnieuw checken van bagage en paspoort in, uit hij zijn bezorgdheid: "het is hier dunbevolkt, je moet zorgen dat je genoeg water meeneemt" en "als er iets kapot gaat, kun je het dan wel zelf repareren?" of: "wist je dat er hier wilde dieren zijn, ben je daarop voorbereid?."
Ik ben het grensgebouw nog niet uit of er staan twee vriendelijke mannen met brede glimlachen naar mij en mijn fiets te kijken. Ze stellen allerlei vragen, maar ik versta niets. Wat ik al dacht, wordt hier bevestigd: de opgedane Russische taalkennis is hier waardeloos. Op mijn vertaalapp schrijf ik dat ik een simkaart wil kopen. De mannen wijzen en praten, maar ik snap het niet. Één van de mannen gebaart nu: "kom maar mee." Na vijf minuten wandelen komen we bij een winkel die dicht is. Hij gebaart dat we even moeten wachten. Even wordt al snel een kwartier, een halfuur, drie kwartier, het voelt als een eeuwigheid. Ik heb de indruk dat China een land is waar je geduld moet hebben, dat merkte ik bij de grensovergang ook al. De eigenaar van de telefoonwinkel komt daar eindelijk aangereden. Op zijn scherm lees ik: "laat me eerst je paspoort maar eens zien". En dan wordt er gebeld en gevraagd. De twee mannen die me hielpen, druipen af. Al snel zit ik daar een kwartier, wanneer ik lees: "het gaat even duren, is dat ok?". Ik kijk eerlijk gezegd mijn ogen uit, alleen al met het uitzicht op de straat, waar twee mannen aan de weg werken, op de hoek staat een kazerne, een groep soldaten marxheert al roepend langs, vol verwondering kijk ik naar alle karakters op de muren van de huizen, hier in de winkel. Ik verveel me niet, ik kan bijna niet geloven dat ik hier naartoe ben gefietst. Ik wacht nog een kwartier, een halfuur. Dan lees ik op zijn scherm: "het gaat nu niet lukken, morgen misschien". Ik verbaas mezelf over mijn geduld. Ik bedank de man vriendelijk voor zijn moeite, ik koop nog een Chinese oplader, die ik vervolgens niet hoef te betalen.
Omdat ik had begrepen dat het goed is om aan de grens een hotelovernachting te kunnen tonen, had ik een hotel geboekt. Nog zo'n 25 kilometer van hier. Maar het is hier drie uur later en dus al 's avonds nu. Ik vind het niet zo leuk om zomaar ineens drie uur te verliezen. Ik besluit in dat stadje een simkaart te zoeken en ga op weg.
Onderweg is nog een politiecontrole checkpoint. Ik wordt er direct uitgepikt en moet allerlei vragen beantwoorden. "Je hebt geen Chinees nummer? Hoe denk je hier de weg te kunnen gaan vinden?". Ik leg hem uit dat ik net bijna twee uur vergeefs op een simkaart heb gewacht. Ze vragen naar mijn hotel. "Het kan zijn dat de politie je daar komt opzoeken. Je moet dan meewerken," staat er op het scherm van de agent en nu moet ik hem op de foto.
Eenmaal aangekomen op de locatie van mijn offline kaart zie ik een hele serie gebouwen met rode letters en geblindeerde ramen. Ik voel lichte paniek. Ik ben een peuter. Ik weet niet eens welk gebouw een winkel of restaurant is en ik kan ook niet zoeken naar de naam van het hotel, want die kan ik niet lezen. Ik vraag om hulp: een man weigert, schudt zijn hoofd en loopt snel door, de volgende twee mannen wijzen wat in de verte en daar kan ik ook niet veel mee. Dan zie ik een jongeman met een vriendelijk gezicht en twee emmers. Ook hij legt me iets uit, maar ik versta hem niet en hij wijst dan weer een hele andere kant op dan de andere mannen. Ik geloof dat hij mijn lichte paniek ziet, en de jongeman gebaart lachend dat hij eerst de twee emmers even moet wegbrengen. Dan escorteert hij mij naar het hotel. Zelfs wanneer we er recht voor staan moet ik hem vragen, is het nu dit of dit gebouw.
De lobby is erg Chinees. Er hangt een schilderij met een minimalistische tekening van een landschap en een foto van Xi Jin Ping die geanimeerd met een aantal mannen aan het praten is.
Naast het hotel is een noedelrestaurant. Ik vraag om iets vegetarisch en krijg het. Met een beetje chili. Ik ben hier het levende bewijs van alle cliché's die er over westerlingen bestaan, ze kunnen niet tegen pittig eten en ze kunnen niet met chopsticks eten. Ik voel me een loser, een peuter, iemand die nog moet leren lezen, spreken, eten.
Maar het mooie van peuter zijn is dat je de wereld met verwondering ziet, als nieuw.
Verslagen ruim ik alles op, als een robot. Het is koud, ik heb te weinig geslapen en ik heb geen idee of ik 75 kilometer naar Zaysan red met een wiel dat steeds heftiger begint te zwabberen.
Gek genoeg doet het me niet zoveel, ik doe nu gewoon wat nodig is. Als ik alles heb ingepakt zoek ik een plekje op waar relatief weinig wind waait en eet daar een heleboel dadels en sla een halve fles koude thee achterover. Dat kikkert op!
Die wind die me een slapeloze nacht bezorgde, blijkt voor de verandering wel de goede kant op te waaien. Ik vlieg dus richting Zaysan, maar al snel word ik door de weg gehaald door Serik, ook een fietser, zo blijkt. Hij had me gisteren al op de weg gezien. "Je hebt buiten geslapen vannacht? Met deze wind?" Van de gedachte alleen al lijkt Serik het koud te krijgen.
We maken een foto en wisselen contactgegevens uit. Serik zal een beschermengel zijn, maar dat weet ik op dit moment nog niet.
Nu stop ik bij een yurt, een aantal containers en een publiek toilet. Ik koop water en chips, maar ga zoals wel vaker in Kazakhstan met een gevulde maag weer de weg op. Als bonus krijg ik een gerookte vis, "uit het meer hier. Je moet weten," zegt de mevrouw die hier de boel runt, "dat een reiziger voor ons een geschenk uit de hemel is. Je zorgt ervoor dat die kan uitrusten en iets te eten krijgt, dat is de normaalste zaak van de wereld".
Ik ben halverwege wanneer ik nog een spaak hoor knappen. Het wiel begint nu tegen het frame aan te schuren. Ik bereid me voor op een lange wandeling en ben dankbaar voor iedere kilometer die dit wiel me richting Zaysan brengt.
Dan denk ik aan Serik, die ook een fietser is. "Hij moet dan toch weten waar ik een nieuw wiel kan krijgen".
"In Zaysan is er niks," reageert hij, "maar ik ga je helpen,"
Ik zal een lang verhaal kort maken. Ik red het naar Zaysan en nog deze avond om 22:30 klopt er een koerier op de deur van mijn hotelkamer. In zijn habd een nieuw wiel en het gereedschap dat ik nodig heb. Het wiel komt uit Oskemen, de grootste stad in deze regio, "slechts" 500 kilometer hiervandaan.
"Dit had ik zelf nooit kunnen oplossen," denk ik en ik bedank mijn beschermengel Serik.
Ik ga aan de slag met mijn achterwiel, maar de velg blijkt inderdaad gespleten, zoals ik al vreesde.
Ik probeer een spaak provisorisch te spannen met een stuk scheerlijn. Dat lukt! Maar het wiel slingert als een gek, niet alle spaken laten zich meer spannen. Ik weet: dit wiel is een verloren zaak.
Maar waar ga ik in godsnaam een nieuw wiel vinden in dit gebied waar bijna niemand woont. Ik zet al mijn hoop op Zaysan, een plaatsje op 60 kilometer van de Chinese grens. Nog een kleine 200 kilometer van hier. Echt ontspannen fiets ik niet. Red ik die tweehonderd kilometer wel? In mijn hoofd maak ik rekensommen, stel dat ik zou moeten wandelen, hoe lang zal ik er dan over doen.
Ik fiets langs het meer van Zaysan, maar genieten van de prachtige omgeving lukt niet zo goed. Ik probeer in mijn hoofd te herhalen: "accepteer de omstandigheden zoals ze zijn," ik heb weinig andere keus, besef ik. En: in dit gastvrije land is er altijd wel een oplossing.
Zo ook voor mijn gebrek aan drinkwater. Wegwerkers houden mij aan voor een praatje (dat gaat altijd redelijk dwingend, als een politieagent die je staande houdt). We hebben dezelfde veiligheidshesjes aan: " Hey, collega's," roep ik. Ik krijg een fles koude thee mee, en zo ben ik voorzien voor de avond. Het is wonderlijk hoe blij je kan zijn met een colafles gevuld met koude thee.
Er breken geen spaken meer. Op nog 75 kilometer van Zaysan sla ik mijn kamp op, vlak langs de weg. In het zakje met haringen ontbreken de scheerlijnen, vast laten liggen op mijn vorige kampeerplek, toen ik een stuk scheerlijn gebruikte als noodspaak.
Het is gelukkig inmiddels windstil en met een gerust hart val ik in slaap. Tot middernacht! Dan word ik wakker van een hels kabaal en herken ik de vorm van mijn tent niet meer. Het waait zó hard, dat ik direct besef dat mijn tent het niet zal overleven als ik niks doe. Scheerlijnen installeren is alvast geen optie bij gebrek aan scheerlijnen, dus ik besluit de tentstokken los te maken om zo min mogelijk wind te vangen. De tent ligt nu op me als een soort deken. Ik heb niet de beste nacht,aar vat uiteindelijk toch slaap.
Vandaag gaat het licht bergaf en valt het mee met de wind. Het is nog steeds rustig op de weg, dus ik kan genieten. "Én!", bedenk ik me, "gisteren was de eerste dag dat er niks kapot ging."
Ik probeer het af te kloppen, maar ik weet niet waar.
Niet veel later: pang: een spaak die knapt. Dat is een probleem: er is hier in de wijde omtrek geen reparatie mogelijkheid en ik ben erachter gekomen dat de in Ayagoz gerepareerde spaak, niet goed vast zit en ook niet meer aan te draaien is.
Dat betekent meestal niet veel goeds: de velg is dan waarschijnlijk aan het splijten. Ik besluit door te fietsen en het aan het einde van de dag te checken. Er is toch niet veel wat ik nu kan doen. Wegwerkers vertellen me in elk geval dat er in het volgende stadje geen fietsenmaker is. Een auto stopt, het is Erkin, ik ben de tweede reiziger die hij in zijn leven hier heeft gezien. "Nederland! Gullit! Van Basten," die heb ik vaker gehoord. Hij begint nu vol enthousiasme een WK-finale tussen Nederland en Brazilië, of was het nu Portugal na te vertellen. We wisselen telefoonnummers uit en maken selfies. Erkin heeft een gulle glimlach onder zijn bolle bruine wangen, vol gouden tanden. Ik besluit boodschappen te doen in het dorpje Zhantekei, voorlopig het laatste dorp. Daar tref ik Ersayin in camouflagekleding op een prachtige Sovjetfiets, ik vraag of ik een foto mag maken. Zeker! "Dit is een héle oude fiets! Veertig jaar maar liefst". Ik zeg: "Ik ook!"
Vlakbij het dorp, naast de zendmast, zet ik mijn tent op. Het is een beschutte plek met struiken en bomen. De bomen hangen vol met kraaiennesten en die dieren maken een hels kabaal!
Vandaag ga ik langzaam over vals plat stijgen met de wind in het gezicht. Maar eerst word ik nog hardhandig het hotel uit gewerkt, ik ben nog helemaal niet klaar met spullen pakken en breng alvast naar beneden en de mevrouw van het hotel staat al in de kamer te gebaren dat de spullen weg moeten. En, herhaalt ze, je moet je vuilnis zelf naar buiten brengen.
Ik ben deze mevrouw een beetje beu maar het lukt me op dit uur nog niet dat ik het Russisch kenbaar te maken. Ik moet denken aan Yanka in Batumi die 's ochtends riep: "No English before coffee!" Ik spreek maar gewoon Nederlands en zeg: "doe eens even rustig, ik ben nog niet klaar." Normaal niet mijn stijl als ik moet communiceren met dames op leeftijd, maar deze mevrouw is ook niet echt aardig geweest tegen mij. (Hoewel ik haar gisteravond wel zo ver kreeg om mijn thermosfles met warm water te vullen. Wat ben ik toch een bofkont!)
Ik ben al een paar uur wakker, want de gasten naast me stonden op 5 uur op en begonnen direct op vol volume door hun sociale media te scrollen. Ze aten niets en wasten zich niet. Sociale media was hun ontbijt.
Ik ben zo blij dat ik dit vreselijke hotel langs het spoor waar ik eigenlijk geen oog dicht heb gedaan mag verlaten.
Ook al is de weg zoals verwacht zwaar én koud. Ik merk al snel dat ik een extra jasje aan moet. Een vrachtwagen stopt. Of ik niet wil meeliften. Nee. Ze snappen er niks van, maar stoppen me een paar rode handschoentjes toe. Ik ben ontroerd door hun menselijkheid, die ligt hier in Kazachstan, ondanks dat stomme hotel toch gewoon voor het oprapen.
Het is rustig op de weg. Ik rijd nog door een dorp, waar ik op advies van een aantal mannen in een vale blauwe Kamaz, iets eet. Ze rijden op en neer over de weg en ze begroeten me nog een aantal keer enthousiast. Verder is er weinig te doen hier, behalve genieten van de bergen en van de rust. Dat wordt steeds makkelijker naarmate de wind gaat liggen.
Achter een heuvelrug vind ik prachtige plek, beschut door wat struiken en uit het zicht van de weg.
Ook vandaag ontstond er weer een defect."Pang!". Weer een spaak geknapt. "Het is tijd om me van al mijn winterkleding te ontdoen," denk ik.
De kapotte spaak zit aan de kant van de cassette en daar heb ik heen gereedschap voor. Op naar de markt in Ayagoz, waar uiteraard een vriendelijke fietsenmaker is. Hij heeft de tool! Maar hoe hij het moet verwijderen, weet hij eigenlijk niet. We moeten een kettingzweep improviseren met een oude ketting en een oude trapper. Het lukt!
Maar dan duwt de fietsenmaker de spaak te ver door en knapt de binnenband. Een nieuwe erin. Er zit nog steeds een slag in het wiel. Dat lukt niet meer, zegt de fietsenmaker. Ik mag zelf weten wat ik hem betaal en krijg er dan nog een spaaksleutel bij cadeau.
Ik zoek een hotel in de stad en ik vind. De ervaring leert dat ik me moet voorbereiden op een vreselijke service en dat krijg ik! In dit hotel moeten alle gasten één badkamer en douche met elkaar delen en voor de douche moet je ook extra betalen. Dat wordt me allemaal achteraf verteld, wanneer ik al geïnstalleerd ben. De vrouw van het hotel zegt dat ze 's avonds de was voor me kan doen. Als ik mijn zak was kom brengen, schreeuwt ze: "we doen hier geen was!". De eigenaren van het hotel staan naast haar. Ik druip een beetje geschrokken af, maar dan knipoogt ze naar me op de gang en gebaart: "later". Deze mevrouw wil mij dus stiekem helpen met een clandestiene was, maar als haar baas toekijkt, moet ze natuurlijk wel de schijn wekken dat de gasten hier vreselijke worden behandeld, want dat is de norm. Het is, zoals de meeste hotels die ik in Kazachstan bezocht, erg luidruchtig tot midden in de nacht. Vooral wanneer er ineens een dronken dakloze in mijn kamer staat, is het moeilijk om slaap te vatten. Ja, in Kazachstan slaap je het best gewoon in de steppe, zonder luid telefonerende mensen of dronkenlappen, maar met vogeltjes en huilende coyotes en hopelijk geen beren.
De wind zit me vandaag soms mee, wat ik niet goed snap. Ik zou vandaag ook fikse tegenwind moeten hebben, maar ik accepteer de duwtjes in de rug met dankbaarheid en heb eindelijk het gevoel dat ik vooruit kom.
Nog maar zo'n 200 km noordwaarts en dan mag ik eindelijk weer afbuigen richting oosten!
Onderweg vind ik niet veel te eten en te drinken, gelukkig heb ik nog voorraad. Aan het einde van de dag vind ik nog een wegrestaurantje en ik besluit daar nog wat te eten voor ik een kampeerplaats zoek.
Zoals in veel restaurants in Kazachstan word ik weinig vriendelijk welkom geheten. Ook hier ervaren ze mij als een last. Het blijft me verbazen hoe gastvrij dit land is, maar zodra je ergens voor betaalt, lijkt de norm te zijn: "de klant is een waardeloze straathond". Bij alles wat ik bestel word met de ogen gerold en dat ik iets zonder vlees wil is uiterst lastig. Dan zit ik lang te wachten voor ik iets te drinken kan bestellen en ik heb erge dorst. Er zit nog een man in het restaurantje en hij laat mij zien hoe het moet: "Hey! Meer thee!", roept hij naar de keuken. En de thee wordt direct gebracht. Het is even wennen, maar ik roep nu ook maar "één koffie!". En ik krijg het. Misschien is het gewoon directe communicatie, een transactie, zonder dat er enige medemenselijkheid hoeft te worden getoond, die ligt hier al voor het oprapen, dus in een etablissement hoeft dat niet. Zou dat de achterliggende gedachte zijn?
Ik ben blij dat ik weer weg mag. Er wordt nog even wat gesjoemeld met de prijs en als ik daar mijn beklag over doe, verstaat niemand me meer. Bij mijn fiets zit een lief hondje, die wat bedelt. "Sorry, schatje, ik heb niks bij me voor jou," het straatschoffie geeft me een pootje en ik aai hem over zijn hoofd. Als ik hier wat genegenheid zoek, moet ik dat hier eerder bij een straathond zoeken. Wij hebben in elk geval ons momentje: van hond tot hond.
Niet ver hiervandaan kruip ik met mijn fiets tussen de glooiing van de heuvels vol gras en zo nu en dan een rots. Hier prikken de struiken. Ik vind een plek, uit het zicht. Een vogel sust me in slaap met een repetitief lied, een soort vogelmantra.
Weer een dag tegen de wind in. Maar de wind is minder sterk dan gisteren.
Een lichtpuntje in de dag is mijn ontmoeting met Dastan en Gaziz. We maken foto's. Ze spreken Kazachs tegen me, waar ik geen woord van versta en ze gebruiken dus hun vertaalapp. Ze lezen de Russische teksten voor en ik begrijp ze! Betekent dit dat ik beter Russisch spreek dan Dastan en Gaziz? In elk geval - bedenk ik me - zijn zij de toekomst, misschien ziet Kazakhstan er over 20 jaar wel heel anders uit en spreken de jongelingen geen Russisch meer, maar Engels als tweede taal, net als in Georgië. Of wie weet, Chinees?
Dat zal hier toch ook wel van pas komen gezien de vele Chinese kentekens. Sommige Chinese auto's hebben een bordje achterop geplakt, waarop staat: "Ik ben een Kazach".
Iets opvallends dat me trouwens in alle voormalige Sovjetrepublieken is opgevallen zijn de vele Nederlandse en Duitse vrachtwagens. Ze rijden met Kazachse, Belarussische, Oezbeekse kentekens, maar de teksten zijn nooit aangepast en zo lees je, duizenden kilometers van huis teksten als "Tischlerei und Innenausbau" of
"Janssen Logistiek en Transport".
Aan het einde van de middag check ik de kaart. Ik zie dat er nog maar een klein stukje is met bomen en dat hierna weer de eindeloze steppe volgt. Hoewel ik nog wel een stuk door zou kunnen fietsen, kies ik voor de beschutting van de bomen. Dat slaapt toch een stuk beter. Ik word omringd door veel, heel veel vogels.
In tegenstelling tot gisteren is vandaag een sociale dag. Maar het begint allemaal erg asociaal.
Kazachstan is een ongelooflijk gastvrij land. Mensen stoppen je vaak langs de weg en geven je eten, drinken of geld. Van weigeren kan geen sprake zijn en het is duidelijk dat veel Kazachen er heel erg van genieten om een buitenlander te ontmoeten en te helpen. "We houden van gasten," zeggen ze soms en ze maken dan een hartje met hun handen.
Wat een tegenstelling is de service die geboden wordt op plekken waar je moet betalen! Het lijkt daar vaak de norm om als oud vuil te worden behandeld, als een last. Zo ook vandaag, wanneer ik na een aantal kilometers tegenwind eindelijk een wegrestaurantje aantref. Ik vraag of ze er iets te eten hebben en de vrouw haalt alleen maar haar schouders op en zegt: "huh". Met haar hele lichaamshouding lijkt ze te zeggen: "wat moet je?". Uiteindelijk krijg ik met frisse tegenzij twee Pirashkiy (een soort aardappelpasteitjes), die met plastic zak en al in de magnetron worden geduwd. Er wordt heftig met de ogen gerold als ik er ook nog een koffie bij wil. In de winkel een paar kilometer verderop gaat het net zo, ik ben nog niet binnen of de vrouw maakt een vragend gebaar, alsof ze wil zeggen: "wat kom je doen". Ik pak wat spullen in de winkel en leg ze op de toonbank. De vrouw werkt eerst een telefoongesprek af en gaat vervolgens uitgebreid met een leverancier, die zojuist is binnengekomen praten. Ik ben het gewend dat je netjes op je beurt moet wachten, dat je anders onbeleefd bent, maar het is mij opgevallen dat je hier je beurt moet pakken. Zo is het me in postkantoren al meerdere malen gebeurd dat mensen voordringen. Ze komen binnen en gaan gewoon aan de balie staan, waar ik op mijn beurt had staan wachten en worden dan eerder geholpen. In de rij van de supermarkt net zo, mensen lopen gewoon langs je heen en leggen de producten op de balie en dan zijn zij aan de beurt. Bij fietsenmakers viel me iets soortgelijks op: terwijl mijn fiets gerepareerd wordt, lopen er telkens mensen in en uit om wat te vragen en die worden dan direct geholpen, ook al moet ik dan wachten. Mijn aanpak: rustig wachten tot iemand klaar is en dan beleefd vragen: "Sorry, zou ik misschien..." wordt eerder als irritant ervaren. Hoewel ik het mechanisme steeds beter begin te begrijpen, kan ik er niet aan wennen. Een zeker cultuurverschil mag bestaan, maar deze aanpak ligt zo ver van wat ik prettig vind en waar ik aan gewend ben, dat ik me af en toe in Kazachstan wat verloren en ongelukkig voel.
Gelukkig zijn daar telkens die momenten van ongelooflijke gastvrijheid die het je allemaal doen vergeten. Na de onvriendelijke mensen in de winkels, ga ik naar de markt in Sarkan. De rits van mijn tent moet namelijk worden gerepareerd. (De afgelopen dagen gaat er elke dag wel iets kapot!). Net zoals op de markt in Taldykorgan, hoor ik al snel overal "Nederland, Singapore, Putteschestvennik (het prachtige Russische woord voor reiziger)." In winkeltjes en restaurantjes hoef je dus vaak niet te verwachten om als een mens te worden behandeld, maar op de markt vind je vrienden! Een verkoop vrouw komt enthousiast op me afrennen. Ze verkoopt zaden van bloemen en planten. Ze omhelst me, net als Olga de pianolerares uit Oranzherei in Rusland, voelt ze dat ik die menselijke warmte even nodig heb. Ze laat me zien waar ik een hapje kan eten en daarna wordt mijn rits gerepareerd door een vrouw die alleen Kazachs spreekt en geen Russisch. Van betalen mag geen sprake zijn.
Eenmaal onderweg met een werkende tent, volle maag en hersteld van de onvriendelijke interacties van eerder die dag dankzij de vriendelijke marktvrouwen, word ik aangehouden door twee jongens, die me geld geven. Ik weiger uit automatisme, maar het heeft geen zin! "You are a guest, we want to help you".
Even verderop wordt ik gestopt door de politie. Mijn eerste gedachte is: "o jee, heb ik iets fout gedaan," maar natuurlijk willen ze gewoon weten waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga en me hulp aanbieden. Één van de twee agenten geeft me een hand, tussen zijn warme hand en de mijne kleeft een stuk papier. Een bankbiljet. Ik moet terugdenken aan de corruptie in Midden-Amerika, waar ik jaren woonde. Daar probeerde je een agent wat te vleien en dan gaf je hem een hand, met stiekem een biljet erbij. En dan maar hopen dat het genoeg is en je de agent niet nóg eens de hand moet schudden. Hier is het omgekeerd en probeert de politieagent mij om te kopen? Ach nee, niks geen omkoperij. "Wij houden van gasten," zegt de agent en hij maakt een hartje met zijn handen. "Heb je verder nog hulp nodig?", vraagt de andere agent.
In het dorpje Qoilyq schijnen archeologische vondsten te zijn: een middeleeuwse stad en een boeddhistische tempel. Vooral die laatste zou ik wel willen zien. Ik ben hier nu toch!
Een jongetje op een racefiets roept: "hey! Hey!". Het is Alibek, snel gevolgd door zijn vriendje, tevens fietsfanaat Amir. De jongens ondervragen me uitgebreid over mijn fietstocht en ik hoop dat ze zelf ook ooit zo'n tocht zullen maken. Ik geef ze een vel stickers en ze plakken direct hun fietsen vol met duifjes.
Even verderop, op weg naar de tempel stuit ik op een boerderij. Daar tref ik Elubai aan en vraag hen naar de weg. Al snel komt zijn vrouw Mika naar buiten en nodigt me uit voor thee. Dan verschijnen er ook allerlei gerechten op tafel. Elubai is dorpsmanager en Mika natuurkundeleraar. Terwijl Mika die Engels soreekt mij bevraagt, zit Elubai's moeder naast me en kijkt kritisch naar mijn bord: "Kushet! Eet!", roept ze en ik probeer de balans te zoeken tussen het beantwoorden van vragen en het eten van de lokale lekkernijen, veel afkomstig van deze boerderij. Mika's zoontje - een jaar of 6? - fluistert ook af en toe wat vragen in Mika's oor: "Volg je het nieuws over Donald Trump? Met welke AI-systemen ben je bekend, behalve Gemini en Chatgpt?". Een intelligent knaapje, hij staat erop om de hele tijd mijn helm te dragen en zegt dan: "mama, ik wil later ook toerist worden".
Ik zeg Sem vaarwel en ga op weg naar die Chinese grens, ver, ver weg. De komende week staat er tegenwind op het programma. Of misschien is in deze regio de wind meestal ongunstig.
Dus ploeter ik voort, tussen de besneeuwde toppen. Het is een dag zonder veel bijzonderheden: ploeteren, af en toe schrikken van een vrachtwagen die je schampt, uitgestrekte landschappen.
Er zijn weinig sociale interacties, behalve af en toe en auto die toetert. Soms is dat leuk, minder leuk is het als een auto je van achter nadert in volle vaart en dan enthousiast toetert omdat je gewoon geen idee hebt of iemand je waarschuwt en ik me telkens afvraag waarom het niet lukt om een beetje afstand te houden.
Ik eindig de dag op een prachtige plek, bij een klein watervalletje langs een rivier, vlakbij de weg, maar zonder haar te horen. Hier slaap ik heerlijk. 's Nachts word ik even wakker om naar het toilet te gaan. Hoeveel sterren zijn er te zien! Het is een magisch schouwspel, de maneschijn tekent glanzende contouren van de omringende bergen en maken het plaatje compleet.
Ik moet eerst wat klimmen om vervolgens de lange afdaling naar Taldykorgan in te zetten. Daar wil ik de gebroken spaak laten vervangen, want bij de vorige fietsenmaker heb ik de verkeerde maat meegekregen.
Maar eerst even twee brieven naar Nederland posten. Dat gaat heel vlotjes dit keer!
Ik ga op zoek naar de markt, ik heb geleerd dat je daar altijd een fietsenmaker vindt en zo is het. De fietsenmaker heeft een kraam met allerlei ander gereedschap en gaat snel aan de slag met de spaak. Ik koop ook een nieuwe buitenband. Ik help hem mee, dat durf ik tegenwoordig. Hoe vaak heb ik dat wiel er niet vanaf gehaald, de banden, de remschijf, ik draai er mijn hand niet meer voor om. Al snel komen er allerlei omstanders kijken en op elke hoek hoor ik wel mensen "Nederland" en "Singapore" zeggen. Dat moet wel over mij gaan, zeker gezien het feit dat iedereen ook naar mij aan het wijzen is.
Een vriendelijke dame met een kledingverkoop, zegt: "als je fietst, moet je eten". Ik heb trek en volg haar. De kokkin Alma staat voor een grote bak met Somsa, maar ik krijg Manty, een soort dumplings. Ik krijg ook nog een zak mee voor onderweg en water. Betalen mag niet, ik ben tenslotte te gast. Eerder probeerde ik dan wel eens iets te kopen, maar dat heb ik afgeleerd: dat krijg je er dan nog eens bij als cadeau. Ik bedank de kledingmevrouw Zhuldyz en Alma hartelijk en we nemen nog wat foto's. Zhuldyz probeert me ook nog geld en hygiënische doekjes toe te stoppen, maar die sla ik succesvol en beleefd af, als ik dan nog maar wat dadels meeneem. De fietsenmaker rekent me een prijs die hoger is dan ik dacht en zo is alles weer in balans. "Dat is alleen niet echt eerlijk voor Zhuldyz en Alma," denk ik, maar ik moet accepteren dat ik me de Kazachse gang van zaken niet eigen kan maken. Ik kan me alleen laten meevoeren over deze markt die ik nu probeer te verlaten, maar moet eerst nog allerlei mensen te woord staan over waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga.
Sam, de Schaslik-man nodigt me uit voor thee en eten. "Maar ik heb al gegeten!". "Een beetje," zegt hij. En voor ik het weet heeft hij me aangeboden om bij hem te logeren. "In de tent? En wat dacht je van coyotes en beren?", zegt hij.
Hij vraagt me wat ik doe en ik probeer het uit te leggen. "Je bent dus een influencer?", concludeert hij. De rest van de dag en avond volgen er momenten dat er video's worden opgenomen. Ik word geacht spontaan het café van zijn vriend aan te prijzen, te bedanken voor de Oeigoerse gastvrijheid, ik ben immers een influencer, dus daar draai ik mijn hand niet voor om.
Sam en zijn vrienden verdwijnen soms even naar het schuurtje. "Ik ben de Pablo Escobar van Taldykorgan," zegt hij en ze beginnen allemaal te giechelen. We zitten niet helemaal op dezelfde golflengte, geloof ik.
Sem herhaalt wel vijf keer dat onze wegen morgen om 8 uur scheiden. Dan gaat hij werken en ik fietsen. "Ik heb dan wel mijn eigen zaak, maar ik moet wel werken, anders heb ik niks te eten," zegt hij terwijl hij een nieuwe ronde biertjes opent. "Anders dan bij jullie."
Met vrienden Bachadur en Gayrat - of zijn het nu broers. Of is dat hetzelfde broers en vrienden? - krijg ik een lesje Oeigoerse geschiedenis en word ik wat argwanend aangekeken als ik zeg dat ik geen geloof heb. Als ik begin over de verschillende amuletten die ik bij me draag ter bescherming (mij meegegeven door mensen onderweg), wordt geconcludeerd: "zie je wel, dus je gelooft wel dat er iets hogers is".
"Wij hebben familie in China," zegt Sem, "maar we gaan niet over politiek praten!" Vervolgens vraagt hij wat wij Europeanen over Rusland denken. "Wij houden van de Russen, maar niet van de oorlog," zeg ik. Hij knikt. "Ondanks de politiek vind je overal vrienden, iedereen is een mens, Oeigoer, Duitser, Rus, Oezbeek, Chinees, het maakt niet uit". Dus toch op dezelfde golflengte.
Ik heb een lekke band, die langzaam leegloopt en besluit eerst de beklimming aan te gaan en onderweg op te pompen. De reparatie pas te doen op een plek waar ik dat rustig kan doen, want de ervaring leert dat dat altijd veel beter gaat, dan in de volle zon en wind langs de weg.
Ik fiets dus de bergpas over, de percentages zijn laag, een beekje kabbelt gemoedelijk langs de weg. Al om acht uur 's ochtends besluit ik mijn shirt in de beek te dompelen om verkoeling te krijgen. Dan begint alweer de afdaling, naar een lager gelegen plateau, waar ik afslag neem naar een kleinere weg.
Vlak voor de afslag is een caféer daarnaast weer zo'n bergwaterbron. Ik besluit daar eerst te ontbijten, dan te repareren. Ik bestel de gebruikelijke vijf gebakken eieren met brood en koffie en dan komen er twee luidruchtige mannen binnen.
De luidruchtigste van de twee heeft besloten dat hij mij aardig vindt en begint vanalles in het Russisch naar me te roepen. Ik antwoord met de woorden die ik ken, maar helaas heb ik nog niet het vocabulaire om te zeggen: "we zitten hier in een hele kleine ruimte, ik versta je ook wel als je wat zachter praat." Ik voel me direct schuldig over mijn veroordelende gedachtes, wanneer Kola me geld aanbiedt. Zoals gebruikelijk weiger ik en zoals gebruikelijk wordt het geld dwingend in een broekzak geduwd. "Hoe heet je?", vraag ik, "Kola," zegt hij en ik wijs geamuseerd naar de flessen op de plank. Die had hij volgens mij al vaker gehoord. We moeten telefoonnummers uitwisselen en ik moet iets fatsoenlijks eten. Vlees, veel vlees! Hij pakt nu een stuk vlees uit zijn eigen bak en hij probeert me te voeren als een peuter. Nu geef ik even duidelijk een grens aan. "Sorry, sorry," zijn de enige Engelse woorden die nu uit Kola's mond springen.
Ik betaal de eigenaar, bestel dan nog een flesje cola met een c en warm water voor in de thermoskan en dan volgt er een vreemde berekening, waarop mijn ontbijt ineens heel duur wordt. Ik probeer de man uit te leggen dat hij mijn ontbijt dubbel rekent, maar hij begrijpt me niet, of wil me niet begrijpen. Ik geef het op en geef hem Kola's bankbiljetten. Het een compenseert het ander.
Dan begint de fietsreparatie. Terwijl ik bezig ben ontdek ik nog allerlei onderhoudskwesties en uiteindelijk ben ik bijna twee uur bezig.
Het is inmiddels weer bloedheet, maar ik hoef niet meer veel te klimmen. Ik sla rechtsaf en kom op de binnendoorweg naar Taldykorgan. Prachtig. Niet vanwege één uitzicht, maar de gehele ervaring. Je moet er geweest zijn. Het landschap verandert continu, de bergen maken telkens een andere compositie, paarden, koeien, sneeuw, een beekje met een vertakking naar links en rechts en een herdertje op een motor kleuren het tafereel in. En er razen minder auto's langs, waardoor je deze schilderijtjes echt kan zien.
Pang! Dan knapt er een spaak. Het is de laatste tijd wel raak met allerlei kwaaltjes aan de fiets gelukkig raak ik er niet meer van in paniek.
Ik stop bij hotel Kalifornia, want het schijnt noodweer te gaan worden de komende dagen.
Vanuit de vallei gaat het weer omhoog. Ik besluit mijn wekker net zo vroeg als gisteren te zetten en bij het eerste daglicht in te pakken en te vertrekken. Ik wil het liefst niet te lang in de verzengende hitte klimmen, maar het is al vroeg in de ochtend en de zon brandt in mijn nek (ja, nu ik noordwestwaarts fiets, beginnen de dagen met zon in de nek!)
Ik bereik een rotonde waarop ik kan kiezen. China is hier nog maar 50 kilometer vandaan. Maar ik neem een andere afslag. Mijn onderzoek in Karakol wees uit dat de route die ik had gepland, niet honderd procent fietsbaar is. In mijn WhatsAppgroep schrijf ik er het volgende over:
"As most of you know, my journey is 100% human-powered. In fact, I recently decided that this journey will end as soon as I need to take a motorised vehicle. For me, the chain of connection I am making by delivering letters on human-power ends at that moment. My logic is: if I take one boat or bus, I might as well take the plane to Singapore to deliver that last letter. I am very serious about it, it's almost religious! And I ask you to try to understand and support me in this mission.
By the way: I applied for a Guinness record for longest continuos human-powered journey (all other human-powered records are interrupted at some point), but it wasn't accepted, because they weren't confident that I could prove I really did it. I don't care. It's not about the record, it's about connecting Iris in Hulsberg to Yalçin in Turkey, Chiara in Italy to Nurbol in Kazakhstan, it's about Kseniya, Lars Ludwig, Jean and Andreina. They are all within cycling distance from each other and I want to tell that story to everyone who wants to hear it.
The practical realities of this mission can be a bit absurd: a Belgian cyclist that I met on the road told me he was forced by the police to hitchhike on the highway to Urümqi: a nightmare scenario for me. So I started to investigate and several cyclists confirmed this. I started looking for alternatives, but I only found dead ends: a route that is still closed because of snow, a region that is off limits to foreigners and a shady gravel road that nobody could confirm. Then I started looking into alternative border crossings, but the 2 crossings north of Khorgas cannot be crossed by bicycle (one has to put the bicycle in a bus for a couple of hundred meters ). The only alternative is a border way up north. I was greatly helped by Fu, Udo, Justin and Nurbol to verify all the information."
Met frisse tegenzij fiets ik weer van China vandaan, en ik besef dat ik nóg meer tijd in Kazachstan zal doorbengen. Het land voelt vertrouwd: mensen die je spontaan eten of geld aanbieden, maar ook de weinig klantvriendelijke houding in winkels en restaurants, een paar keer per dag een lift aangeboden krijgen, mensen die op vol volume door hun sociale media scrollen. Alle voor- en nadelen van dit land doen me glimlachen en soms een beetje geïrriteerd mer de ogen rollen: een gevoel van thuis zijn.
Mijn mond is snel droog, de lucht lijkt droog. Een man in een sportauto met stoere muziek en een zonnebril op biedt me een blik sportdrank aan, die ik gretig aanneem. Bovenop de berg is een bron, een populaire plek lijkt het: bergen afval overal en een boom waar zakdoeken aanhangen.
Aan het einde van de dag is het weer moeilijk om een schaduwrijke plek te vinden, geen boom te zien, alleen soms een struik. Ik vind een soort mini canyon, een opgedroogde rivier zo lijkt het en zet mijn tent op in de schaduw. Ik rol snel mijn sokken over mijn trainingsbroek, want overal kruipen gigantische rode teken. Vieze griezels zijn het. Een man op een motor stopt en staat me lang aan te staren. Hij heeft een bivakmuts op, maar hij is geen dief, dat is hier heel normaal en misschien wel verstandig met die bergzon die op je huid brandt. Hij rijdt weer verder.
Midden in de nacht schrik ik één keer wakker van een oorverdovend kabaal. Wat het is, weet ik nog steeds niet, het leek een sirene, heel dichtbij. Verder hoor ik allen nog het ruisen van de wind tussen de lage struiken en het geritsel van... Wie weet.
Om 03:45 gaat de wekker en ik zit direct rechtop. "Snel en efficiënt inpakken," zeg ik tegen mezelf. Als ik mezelf geen tijdsdruk opleg, duurt het gemiddeld ongeveer 2 uur voordat ik mijn tent heb ingepakt, alles op de fiets zit en ik ontbeten heb.
Dat moet nu iets vlotter en dat lukt redelijk: om 04:45 zit ik in het zadel, nu alleen nog naar de ingang van het park fietsen, waar Alibi's tour start. Dat blijkt langzamer te gaan dan ik dacht, over de gravelweg omhoog vanuit de rivier is toch even wat anders dan omlaag...
Ik kom pas om 05:15 aan en Alibi is al vertrokken. Ik twijfel. Zal ik lekker gaan fietsen en veel kilometers maken of de andere kant van de Canyon ontdekken. Ik kies voor het laatste. "Wanneer zal ik hier ooit nog terugkomen," denk ik. Waarschijnlijk nooit. En dit is mijn kans om de canyon in alle rust te ervaren. Via het pad dat ik gisteren ontdekte klim ik weer naar beneden het rivierdal in en ik volg de rivier langs een pad waar ik een bord met "levensgevaar" besluit te negeren.
Er zitten wel een paar stijle stukken met stenen bij, die een beetje tricky zijn, maar de tocht blijkt vooral mooi en verschillende dieren laten zich zien: reptielen, fazanten die met veel kabaal opvliegen als ze me aan zien komen en lieve konijntjes, die ook even moeten wennen aan een mens aan deze kant van de canyon. Ik moet nog heel wat klimmen over allerlei rotspartijen om uiteindelijk weer terug te keren bij Alibi's werk. Ik verontschuldig me en neem afscheid van hem.
"Bedankt dat je aardig voor me was," zeg ik, "de weg is soms eenzaam, maar het voelde alsof ik hier een vriend had". De jonge gids geeft me een sticker van de Charyn Canyon die ik op mijn brievenzak plak.
Ik raak wat aan de praat met nog wat Russen, die hun best doen om Engels te spreken en onderling hebben besloten dat ik geen woord Russisch versta, hetgeen ik verstond, wat ik grappig vond.
Het is inmiddels een uur of acht en al snikheet. Er wacht mij een dag vol zweten, weinig schaduw en water inslaan waar mogelijk. Ik tref onderweg een Australische en twee Russische fietsers, die ook wat moeite hebben met het plotse zomerweer.
Het is rond 17:00 wanneer ik een bosje zie en ik besluit daar mijn kamp op te slaan, omdat ik geen idee heb of ik nog ergens beschutting ga vinden. Al snel word ik omgeven door vliegen en muggen, die overal op mijn lichaam lijken te zitten. Uit de bosjes klinken oergeluiden, herten, zwijnen? Ik negeer alles en zet zo snel mogelijk mijn tent op me daar te kunnen verschuilen voor de beestjes.
Langs de rivier staat een bord met een Kazakhse waarschuwing, waarvoor weet ik niet. Misschien voor de weg die verderop is opgeslokt door de brede en bruine rivier, met een eiland in het midden, waar allerlei afval in drijft: plastic flessen, chipszakken, stukken hout. Idyllisch is anders, maar ik slaap al snel als een roos.
Ik merk trots op, dat ik niet meer bang ben, voor de dieren of voor de mensen. Overmoed? Of misschien ben ik gewoon gewend geraakt aan dit leven. Of simpelweg te moe.
Ik fiets droog en rood gebied in: de Charyn Canyon, één van de grootste ter wereld en zeer indrukwekkend.
Ik ontmoet Russische toeristen op de eerste plek waar de canyon goed te zien is. Je kunt er foto's nemen in traditionele Kazachse kleding. De toeristen willen mijn verhaal horen en volgen me op instagram, dan vervolgen ze hun reis door dit toeristische gebied.
Ik ben nooit zo'n fan van toerisme, ik ben meer van het "gewone leven" en de ongerepte natuur, maar in het nationaal park ontkom je er niet aan. Veel Chinese en Russische toeristen, maar ook uit Thailand en Polen en ik hoor daar geloof ik ook Duits. De horeca ter plaatse biedt prijzige lokale gerechten aan met vegetarische opties.
Een ontevreden Russische vrouw loopt heen en weer van de balie van het restaurantje naar haar tafel en weer terug. Ik besluit rustig te wachten tot ze is uitgeraasd, maar vind het wel een vreemd contrast, die ongelooflijke sculpturen van de natuur, over miljoenen jaren ontstaan, naast ons nietige en ontevreden toeristen. Maar ik had nog zo beloofd dat ik toerist niet meer als scheldwoord zou zien.
Een enthousiaste jonge man met lange haren komt op me af. "Ik zie dat je met de fiets bent, kun je me tips geven? Ik zou zelf van Almaty naar hier willen fietsen." Hij blijkt gids in het park te zijn en biedt aan om me mee te nemen op een hike. Eerst gratis, dan bij nader inzien toch betaald: hij noemt een bedrag dat gelijk staat aan mijn weekbudget, dus ik bedank hem vriendelijk.
Ik ga zelf exploreren, naast de twee grote paden waar alle andere toeristen over paraderen ontdek ik na een tijdje ook wat zijweggetjes waar niemand overheen loopt. Hier kan ik pas echt de schoonheid van die indrukwekkende rotsformaties zien, in rust en eenzaamheid, met geritsel van reptielen en schattige knaagdieren en zingende vogels. Ik snap nu waarom het pad niet zo populair is, een gedeelte is meer klimmen dan wandelen, maar ik neem de uitdaging met plezier aan. Het pad komt uit bij de rivier, waar ook de hoofdweg op uitkomt. Een ongelooflijke plek, maar toch kost het me moeite om haar schoonheid echt te kunnen zien omdat de drones (lieve drones die filmen!) je om de oren vliegen en omdat er naast elke rots iemand poseert voor het perfecte plaatje. Ik kan er moeilijk een oordeel over hebben. Ik kom hier toch zelf ook om mijn ogen uit te kijken. Ik heb zelf toch ook foto's gemaakt. Eigenlijk zijn wij toeristen soms maar verwend volk: het liefst willen we het mooist voor onszelf hebben en de anderen zijn maar obstakels, die onze ervaring verpesten, in plaats van medereizigers op weg naar niets, medestruiners dan?
In de bocht van de rivier zijn grasveldjes en bomen en een gezin zet haar kamp op. Ik ga mijn fiets halen, die nog bij Alibi's werk staat aan de ingang. Toch nog wel een klus van een uur, wanneer ik terug kom is daar niemand meer behalve dat gezin. Naast hun tent staan grote tassen met kolen en voorraden: ze lijken heel wat van plan. Ik besluit me wat af te zonderen om alleen van het gekletter van de rivier te genieten en rustig te slapen.
Dan krijg ik een bericht van Alibi: "ik heb een betalende groep morgenvroeg, je mag gratis mee als je wil". Ik zet de wekker om 03:45, kook snel een instant noodlesoep op een kampvuurtje en maak me op voor een korte nacht.
Ik heb mijn onderzoek kunnen doen in Karakol en de uitkomst is duidelijk: ik weet nu welke route naar China ik moet nemen.
Door mijn online onderzoek en een aantal WhatsApp groepen met andere fietsers, kom ik in contact met de Franse Jean, die van Azië terug naar Europa fietst. We spreken af om samen een hotelkamer te delen. Een leuk vooruitzicht.
Maar eerst nog de laatste kilometers in Kirgizië, die zijn erg Kyrgizisch! Overal bergen en vee en mannen op paarden. Ja soms ook kinderen. Ik maak contact met een kind op een paard, hij lijkt de controle even kwijt, galoppeert dan weer hard voorbij, gevolgd door zijn trouwe herdershond. Hoe zou het zijn om zo op te groeien, vraag ik me af.
Ik ga een bergpas over via een gravelweg, of zeg maar gerust keienweg. Het lijkt Zwitserland wel, eerst naaldbomen en riviertjes, dan glooiende weides, besneeuwde toppen rondom.
En dan is daar Kazachstan. Ik rijd over de makkelijkste en vriendelijkste grensovergang ooit en wie steken daar de grens over in tegengestelde richting: twee Nederlanders! Ze zijn onder de indruk van mijn reis en ik wens hen veel plezier in het prachtige Kirgizië.
Het voelt vertrouwd in Kazachstan. Het lijkt alsof ik "als vanouds" de wind in het gezicht geblazen krijg. Toch voelt het alsof ik weer thuis ben in een land waar ik vrienden heb gemaakt en een maand doorgebracht heb.
Ik ontmoet Jean in het ietwat aggenebisje hotel Kegen. We beginnen direct aan wat ruilhandel: Kazachse Tenge in ruil voor Kirgisische som, ik krijg er ook nog wat Vietnamese dong bij. "Als je ooit op menskracht heel China doorkomt." En dan een paar wintersokken voor een fietsketting. Tot slot informatie, ik geef tips over het westen, inclusief wat Russische taalkennis, hij over het Oosten.
En dan besef ik me ineens: ik heb een brief! Voor Jean!
Ook vandaag kom ik niet vooruit door de staat van de weg. Auto's slingeren verwoed langs de gaten in de weg, wat de langzame weg oostwaarts er niet ontspannener op maakt.
En dan kom ik erachter dat mijn fietstas kapot is. Ik repareer hem provisorisch, maar maak me toch een beetje zorgen.
De Belgische fietser Bart vertelde me gisteren dat hij op de route die ik van plan om te fietsen in China door de politie werd aangehouden en verplicht moest liften. Ik vesluit het na te vragen in fietsergroepen op WhatsApp. En dan ontvang ik verontrustende berichten: veel fietsers mogen daar niet doorfietsen.
Ik besluit halt te houden in het toeristische plaatsje Karakol - vol houten huisjes, een houten orthodoxe kerk en een moskee in Chinese stijl - om deze problemen op te lossen en een nieuwe route uit te stippelen.
De weg naar het Oosten is grotendeels nog in aanbouw, dus ik hobbel zeer langzaam langs het meer, langs veel vrachtwagens en auto's.
Zie ik daar nu... Een fietser?
Jazeker, ik heb het goed gezien. "What's your name?". Hij zegt: "Bart," en ik hoor aan zijn tongval direct dat hij Vlaams is. Ineens sta ik hier dus midden in Kirgizië Nederlands te praten.
Bart is vanuit Singapore hierheen gefietst, door Maleisië, Thailand, Vietnam, dan China in en dan met de trein naar Urumqi. Niet helemaal gefietst dus, zoals de meeste fietsers die ik tegenkom, en ik besef me des te meer dat het bijzonder is wat ik doe, om helemaal op menskracht hiernaartoe te komen.
"Er lag nog sneeuw op het Tibetaans plateau, dus dat ging niet. Ik vertel hoe ik door de winter in Bosnië en de alpen fietste. Volgens mij vindt Bart me maar een uitslover. "Dag!", zegt hij.
Ik eindig mijn dag bij een inham vlakbij het meer. Een plek waar al wel meer mensen hebben gekampeerd aan het afval en wc-papier te zien.
In het stadje Kochkor houd ik halt om een brief aan het thuisfront te versturen. Zoals gebruikelijk is het een unicum en weten de postmedewerkers niet zo goed wat ze met de brief aanmoeten. Er wordt van alles opgezocht en nagevraagd. Een mevrouw wijst dat ik het postkantoor in moet lopen.
Overal zijn deurtjes met mensen achter bureaus, overal stapels papier en mappen. Wat doen ze hier toch allemaal? Hoeveel mensen werken hier wel niet.
Een mevrouw kijkt niet naar me op of om, terwijl ik aan haar bureau sta, ze praat met iemand aan de telefoon met de luidspreker op vol volume. Ze gebaart dat ik haar iets moet tonen op de vertaalapp, maar ik schud van nee en laat haar de brief zien. Ze blijft praten aan de telefoon. Dan komt er een andere mevrouw aan, zij besluit me te helpen.
Ook zij verwacht dat ik haar iets toon, maar ik schud van nee. "Brief, België", zeg ik. Ze kijkt me verward aan, denkt na, kijkt naar de brief. "Belgija," zegt ze nu verontwaardigd. Blijkbaar sprak ik het verkeerd uit. Ik sta nog drie kwartier in het postkantoor. Elke tien minuten moet ik een vraag beantwoorden als: "is dit de straatnaam?", of "is dit de verzender of de ontvanger?". Uiteindelijk lukt het - hopelijk - om de brief te verzenden.
Ik ga ontbijten in een cafeetje hiernaast. Ik verwacht wederom niet veel voorraden meer te kunnen inslaan onderweg. Tot mijn verbazing spreekt de eigenaar goed Engels. Twee jongens vragen waar ik vandaan kom en geven me een stuk cheesecake. Ze overleggen hoe je nu smakelijk eten zegt en besluiten dat her "Bon appetit" is. Vera komt naast me zitten en eet een peroshka met een kop thee. Zij spreekt gebroken Engels, ik gebroken Russisch. Ze heeft drie kinderen en is 65 jaar, begrijp ik. "Kyrgizië is geweldig," zeg ik. Ze knikt vol overgave.
Ik haal voorraden in de supermarkt en krijg een blik met onbekende inhoud cadeau: het blijkt een soort karnemelk.
Dan verlaat ik Kochkor, richting het befaamde Issyk Kul meer, maar eerst rijd ik nog langs het artificiële meer van Orto Tokoy. Ook niet verkeerd. Ik passeer een hele drukke sectie met veel Chinese vrachtwagens. Ja, de Chinese kentekens worden hier steeds talrijker. Wanneer de weg afbuigt naar Bishkek wordt het rustiger. Mannen in oranje veiligheidshesjea zoals die ik draag werken aan het spoor, collega's. We begroeten elkaar en er is herkenning.
De wind blaast nu weer in mijn gezicht, waardoor ik het tweede gedeelte van de dag veel langzamer ben. Ik bereik het meer van Issyk Kul en het stelt niet teleur: het is gigantisch en ongeven door besneeuwde toppen en marsachtige heuvels en rotsen.
Ik verblijf in een hostel in een toeristenlocatie aan het meer, die momenteel volledig verlaten is. Hier ga ik een dag rust nemen.
Ik fiets de canyon uit en kom na een aantal kilometers weer op een verharde weg uit. Het is even wennen om de weg weer te moeten delen met vrachtwagens en al snel begint de wind in mijn gezicht te blazen.
Vandaag beklim ik weer een bergpas, nu op 2600 meter hoogte, maar de beklimming is zo'n 80km vals plat omhoog. Met de wind in het gezicht is het niet zo aangenaam en de uitzichten zijn veel minder indrukwekkend dan de voorgaande dagen en bieden dus ook minder verlichting.
"Gewoon blijven trappen," zegt ik tegen mezelf. En dat doe ik. Op hoogte, rondom de bergpas is het drukker dan ik dacht. Er zijn veel herders en mannen te paard, overal staan yurts, die soms ook allerlei producten verkopen.
Op de top biedt een jongetje me thee aan, terwijl een herder agressief blaft. Ik sla de thee beleefd af, want het wordt snel donker en ik heb nog geen slaapplek gevonden.
Het is hier kaal, zonder beschutting en elk weggetje lijkt naar een yurt te leiden en elke yurt lijkt een waakhond te hebben. Dan vind ik een lege weide met een pad en wat glooiing. Daar zoek ik een plek waar ik vab de weg niet zichtbaar ben, uitkijkend op de besneeuwde toppen en inmiddels ook wat rillend van de kou. Het was weer een tijdje geleden dat ik me warm aan moest kleden. Ik haal ook de winterslaapzak weer tevoorschijn en ben blij dat ik mijn winterkleding nog bij me draag.
Ondanks het feit dat ik nu bergaf ga, kom ik maar moeizaam vooruit vandaag. Ik neem een afsplitsing van de weg richting Aral, dat is een gravelroute, die erg lastig te fietsen is. Soms komt er een auto op volle snelheid langs en vormt zich een stofwolk, waardoor ik de weg nog nauwelijks kan zien. Auto's zijn er gelukkig niet veel en de route is prachtig.
Buitenaardse rode rotsen, sculpturen van de natuur, voortdurend in het gezelschap van de rivier die soms gemoedelijk kabbelt en soms vervaarlijk brult. Langs watervallen en een paar kleine dorpjes, waar de schoolkinderen me direct aanklampen: "hello, hello, hello!". Ze geven niet op tot ze een high five hebben gekregen. Een jongetje geeft me een kauwgombal.
Het is een uur of 17 en ik zie een perfecte kampeerplek. Midden in de canyon, een strandje, hier hebben mensen al eerder kampvuurtjes gemaakt. Langs het weggetje naar de ydillische plek ligt een koeienkarkas. Tja, de dood en het leven bestaan naast elkaar.
Zo zou ik altijd willen kamperen: een kampvuurtje maken en water uit de rivier koken. Geen geraas van auto's. Onder de indruk van een hoge berg en de sporen die de sneeuw daarin heeft achtergelaten in de winter, niet zo lang geleden.
De klim naar de Ala-Bel pas is erg lang en geleidelijk. Omdat ik weinig winkels verwacht onderweg, eet ik een ontbijt met vijf eieren en een heel brood in het eerste restaurantje wat ik tegenkom.
Ik spreek met Sam, de Franse fietser, af dat we elkaar ergens ontmoeten onderweg. Maar al snel is alle mobiele bereik weg en we spreken elkaar niet meer.
Al snel zie ik overal besneeuwde toppen. Het is een prachtige klim. De laatste 10 kilometer heb ik het zwaar, vanwege de hoogte? Vanwege de lengte van de klim? Ik ben blij wanneer ik boven ben.
Jasje aan. Nog even een praatje met een Kyrgische familie die selfies neemt in de sneeuw. En dan naar beneden. Ik dacht dat ik op was, maar rijd toch nog 40 kilometer naar beneden. Zo zie ik een afdaling graag: niet te steil.
Ik neem een klein paadje en zie daar dan een stel zeer hippe cabines staan. Er staan wat mensen, dus ik vraag of ik hier mag kamperen. De eigenaar, Beka, zegt: "maar doe jezelf een plezier en huur toch een cabine, dan kun je lekker douchen." Klinkt aanlokkelijk. "Ik geef je een speciale prijs!" En hij noemt een bedrag dat gelijk staat aan mijn wekelijkse budget. Hij kan maar moeilijk geloven dat iemand uit het westen dat niet zomaar kan betalen, maar hij is erg aardig en laat me op het terrein kamperen. "Vorige week had ik nog een gast die helemaal vanuit Dubai kwam met de auto."
De Oezbeekse gastvrijheid reikt tot aan Kirgizië. Nadat ik een defect ontdek aan mijn fiets, nam ik contact op met de fietsenmaker in Tashkent: Azamat. Een specifiek onderdeel is nodig, maar dat is hier in de bergen niet te krijgen. Hij besluit zelf langs te komen om het te installeren!
Mijn verblijf in Karakul duurt daarom langer dan ik had verwacht, maar ik kan nu wel vooruit, de rest van Kirgizië ontdekken. Het is één en al berg en zeer gevarieerd.
In Karakul ontmoette ik ook de Australische fietser Vaughan, die van west naar oost fietst.
Ik kom langs het meer van Toktogul en ontmoet daar de Engelse fietser Patrick. De lokale Engels docent ziet ons praten en haakt aan: "het meer was veel groter, het water kwam tot hier, maar we verkopen het nu allemaal aan Oezbekistan, straks ligt alles droog"
Patrick fietst van Singapore naar Engeland, ook van west naar oost. Vaughan brengt me in contact met een Franse fietser die vanuit Parijs naar Japan reist. Het is heerlijk om wat met gelijkgestemden te praten: even lijkt het alsof het leven op de fiets dat ik leef, normaal is.
De fietsers die ik ontmoet, hebben bewondering voor mijn missie om alles op menskracht te doen. Dat geeft me veel motivatie en doet me weer beseffen hoe bijzonder mijn reis is en hoe trots ik op mezelf mag zijn.
Ik kampeer langs de weg en langs de rivier, aan de voet van de klim richting de Ala-Bel pas op 3150 meter! Door het geluid van de rivier, storen de langssuizende auto's en vrachtwagens me niet meer zo. Ik merk dat ik niet meer bang ben om mijn tent zomaar ergens op te zetten, zelfs zo langs de weg: ik ben gewend geraakt aan dit nomadisch leven.
Ik was vergeten te vertellen dat ik gisteren de eerste fietsers sinds Georgië ontmoette! Fransen. Ze gaan dezelfde richting uit als ik, misschien zie ik ze nog wel onderweg?
Kirgizië stelt niet teleur, vanaf de eerste kilometer word ik getrakteerd op prachtige en gevarieerde landschappen. Van gekleurde heuvels met zig-zagpatroon tot azuurblauwe rivieren en rode rotsen die op mensfiguren lijken. Het is jammer dat ik ook nog op de weg moet letten, want het liefst zou ik links en rechts mijn ogen uitkijken.
De weg is moeilijker dan ik dacht, vaak heuveltje op en heuveltje af.
Vandaag werd ik getrakteerd op de legendarische Oezbeekse gastvrijheid.
Door het vlakke land, dan weer over een drukke weg, dan weer over een keienpad zet ik koers richting Kirgizië, wanneer mijn versnellingskabel breekt.
Ik overweeg haar zelf te vervangen, maar aangezien ik nog -op het zwaarste verzet - kan fietsen, denk ik dat het toch beter is om te kijken of een fietsenmaker kan vinden, er zijn hier namelijk veel stadjes en dorpjes.
In het eerste dorp wordt de fietsenmaker erbij gehaald door de dolenthousiaste Poula Tzhon, die me Somsa's (de bekendste Oezbeekse streetfood) aanbiedt tijdens het wachten. Er is geen sprake van dat ik ze mag betalen, sterker nog, ik moet nog mee naar de winkel om daar nog wat dingen uit te zoeken. De fietsenmaker kijkt even naar mijn fiets en besluit dat dat hij er niet aan gaat beginnen: "te ingewikkeld".
In een volgend dorp raak ik aan de praat met Shariff, die ook nog wel een fietsenmaker kent, door straten en steegjes word ik naar een huis geleid met een prachtige tuin: een hemel.voor fietsen. Zo'n tiental exemplaren staan op hun kop op de binnenplaats.
De fietsenmaker krabt even op het hoofd, wanneer hij mijn fiets ziet, maar besluit dan toch aan de klus te beginnen. Af en toe help ik een beetje mee, omdat de mechanismes vertrouwder voor mij zijn dan voor de fietsenmaker. Sharif onderhoudt mij met verhalen over vroeger en nu. Hij en de fietsenmaker hadden samen in her Sovjetleger gediend. Nu werkt hij in de bouw. "Oezbeken zijn goed in bouwen, veel beter dan de Chinezen!". Hij vraagt of ik geen Schengenvisum voor hem kan regelen om in Europa te werken en ik vertel hem dat dit helaas buiten mijn macht ligt. De fiets is klaar! Het stuurlint moet met nog met schilderstape worden vastgemaakt en dan kan ik weer vooruit. De fietsenmaker weigert een betaling aan te nemen. "Je bent toch onze gast?", roepen Sharif en de fietsenmaker van de fietsenhemel bijna verontwaardigd en in koor.
Nu kan ik doorstomen naar de grens met Kirgizië. Een hele nieuwe grensovergang, waar ik sneller doorheen ben dan door de Kazachs-Oezbeekze grenspost. De douaniers stellen veel vragen, volgens mij meer uit nieuwsgierigheid dan uit veiligheidsoverwegingen. En dan wordt mij nog het gezicht over de zwarte tulp van Dumas aangeraden, door de douanier die het minst Engels spreekt. De man van de paspoortcontrole stelt me wat vragen in het Russisch, of in Samarkand ben geweest bijvoorbeeld, aangezien het gesprek niet echt vloeit, geeft hij het op en mag ik naar Kirgizië, waar het even duurt voordat men er zeker van is dat Nederlanders visumvrij het land in mogen.
De weg over de Kamchik pas is vierbaans en drukbezocht. Dit is de enige weg naar het oostelijke gedeelte van het land.
De uitzichten over besneeuwde toppen zijn spectaculair. De twee tunnels boven op de pas worden bewaakt door soldaten die mijn paspoort willen zien.
Op de weg naar beneden rijd ik soms harder dan 50km en kan ik vrachtwagens inhalen. Aan het einde van de dag, vraag ik bij en tankstation omringd door grasvelden of daar mijn tent op mag zetten. Tot mijn verbazing weigeren ze.
Het is bijna donker nu, dus ik zoek het meest dichtsbijzijnde pad op, naast een boomgaard en zet daar mijn tent op.
Ik rijd voor het eerst in tijden met mijn GPS omdat hier zoveel verschillende wegen zijn, dat het mogelijk is om over rustige wegen naar mijn bestemming te rijden. Dat levert een grillige route op met soms wel veel hobbels en zo nu en dan een ezel.
Ik heb een paar dagen uitgerust in Tom's huis en een brief aan hem gegeven. Ik deed weinig, behalve de website updaten, een brief schrijven, koken. Het was goed om even stil te staan. Op vrijdag verwonderde ik me over het vrijdaggebed, waarvoor de hele straat werd afgezet. Honderden mannen bidden op straat, terwijl het stoplicht doelloos groen en rood bleef kleuren, overal fietsen tijdelijk neergelegd of gezet. Sommigen knielend, anderen staand en dan weer een wisseling van de wacht: een massachoreografie.
De laatste twee dagen werden mijn benen rusteloos. Vandaag verken ik de stad nog even op de fiets. Zo kijk ik rond in een park vol standbeelden van Oezbeekse schrijvers.
Dan is het tijd voor de hereniging met mijn eigen fiets en wat blijkt: de fietsenmaker heeft er een ongeluk mee gehad, terwijl hij hem meenam om hem te wassen.
Resultaat: een bekraste vork die netjes overgespoten werd en een nieuw wiel. Een geluk bij een ongeluk. Ik ben vooral ook blij dat de fietsenmaker zelf gezond is en neem me voor om wat voorzichtiger door de stad te gaan.
Ik verblijf nog één nacht in Tashkent voor ik verder reis: nog een keer bij Anton en Anastasia van wie ik afscheid neem.
Op de veel te kleine gehuurde fietsjes crossen we door de stad langs allerlei bezienswaardigheden, zoals het "Centre for Islamic Civilization", een indrukwekkend spiksplinternieuw gebouw. Ernaast zijn verschillende moskeeën en historische gebouwen met prachtige azuurblauwe torentjes. "Als je er één hebt gezien, heb je ze allemaal gezien," volgens Anton. We zitten wel op één lijn wat sightseeing betreft.
Veel meer plezier beleef ik aan een gigantische bazaar met een groot rond dak, waar je je ogen uitkijkt, maar shoppen is er niet bij, aangezien ik geen kilo meer met me mee wil dragen op de fiets.
We blazen uit in het Tashkent city park met hoge gebouwen rondom, waaronder het Hilton hotel. We vragen ons beiden af hoe het zou zijn om daar te overnachten. En dan scheiden onze wegen. Anton gaat naar zijn huis, ik ga verder naar het zuiden, daar word ik voor een paar dagen opgevangen door Tom, een Zwitserse fietser en leraar Frans op een lokale school.
Volgende stop: Anton, die een brief helemaal uit België krijgt.
Ik heb mijn fiets achtergelaten bij de fietsenmaker en dus ga ik te voet met heel wat bagage, want Anton en zijn vrouw Anastasia hebben aangeboden dat ik ook bij hen mag blijven slapen.
Ik kom niets tekort bij Anton en Anastasia, die mij meenemen om te gaan eten en hun appartement tiptop in orde voor mij achterlaten.
Ze wonen in een buitenwijk van Tashkent, waar vooral geslapen wordt, het echte leven, zegt Anton, speelt zich in andere wijken af. "Maar we hebben een goede bazaar!"
Anton belooft om me mee te nemen naar het centrum, maar hoe krijgen we dat geregeld? Want ik neem geen openbaar vervoer. Het is moeilijk voor Anastasia en Anton om deze manier van reizen te begrijpen. Uiteindelijk besluiten we om fietsen te huren om de stad te verkennen, maar eerst een nacht rust!
Doordat ik de afgelopen dagen zoveel kilometers maakte, is het nog maar 60 km naar Tashkent. De grensovergang is chaotisch en druk. Ik moet mijn tassen van de fiets afhalen en weer erop en dat een paar keer. Ik moet lang in de rij wachten voor de paspoortcontrole, mensen kruipen telkens voor. Een mevrouw heeft het warm en ik besluit haar voor te laten, ze is erg verbaasd.
Anderhalf uur later ben ik dan toch eindelijk in een ander land, precies op tijd!
Ik verblijf in een hotel, hoewel ik hier onderdak aangeboden heb gekregen. Het is een verplichting om jezelf in een hotel te laten registreren in Oezbekistan. Het hotel heeft een zwembad en sauna, hier kan ik even tot rust komen.
Ik breng mijn fiets naar de fietsenmaker, want het achterwiel is het aan het begeven en ze heeft nog wat kwaaltjes.
De komende week zal ik in deze stad verblijven, om brieven te bezorgen en om eens uit te rusten, stil te staan, mijn administratie op orde te krijgen, etc.
Ik ben helemaal vergeten om een foto te maken. Terwijl ik wacht op een simkaart, zie ik twee voetjes naast een paar pantoffels achter de deur uitsteken. Op de stoep staat een drilboor en een vrachtwagen komt juist langs rijden. Een mooi beeld van de drukte en diversiteit van de stad, besluit ik.
In het stadje Arys splitst de weg: het is altijd spannend wat je dan krijgt: ineens onverhard, of heel smal of druk?
De weg blijkt iets drukker dan de vorige weg, maar slingert prachtig over groene heuvels waar paarden grazen en soms een modderbad nemen. Zou het hier altijd zo ydillisch zijn?
Het is Kazachstan zoals ik het nog niet eerder zag.
Na een bezoek aan het postkantoor in Turkistan besluit ik van de hoofdweg af te wijken. Mijn laatste dagen in Kazachstan hoef ik toch niet continu op dat randje langs de razende vrachtwagens te blijven rijden?
Ik besef me dat het een risico is, omdat ik niet weet wat voor wegen ik kan verwachten, maar vol goede moed buig ik van de weg af.
Het eerste stuk is veelbelovend, het is eerst een rustige tweebaansweg en dan wordt het een soort snelweg, maar dan zonder verkeer. Dan begrijp ik waarvoor de snelweg is aangelegd als ik aankom bij het Arystan Bab Mausoleum. Een historische begraafplaats uit de twaalfde eeuw. Hoewel ik normaal niet vaak entree betaal om iets te zien, ga ik nu gretig naar binnen. Ik heb in Kazakhstan nog nauwelijks historische gebouwen gezien, behalve Soviet-architectuur. Het is een prachtige locatie met verschillende gebouwen, een man in een traditioneel gewaad zingt religieuze liederen. Dan gaat hij druk telefoneren, terwijl hij langs het mausoleum ijsbeert. Ik maak er een foto van en dat heeft hij in de gaten.
Ik voel me vrij, besef me dat ik ook mag genieten van dit land, even de toerist mag uithangen. De weg is na het mausoleum weer tweebaans, maar het is rustig. Ik kan filosferen en om me heen kijken. Het is groen overal!
Ondanks het toeristische gehalte van de dag schiet ik goed op met de wind in de rug. Oezbekistan komt steeds dichterbij. Ik sla mijn kamp op in een veld, waar ik heerlijk slaap.
Na het warme bad bij Mukha te verlaten, die me weer bij de snelweg afzet in de ochtend, probeer ik zoveel mogelijk kilometers te maken richting Tashkent, mijn visumvrije periode in Kazachstan verloopt namelijk over een paar dagen!
Helaas is dit net het gebied waar er ook wat geasfalteerde zijweggetjes te vinden zijn, maar ik besluit om geen risico te nemen en de hoofdweg te volgen. Dat blijft ontspannen en meestal zonder veel risico's. Ik voel me op deze weg voldoende thuis om een vrachtwagen te gebaren dat ze best wat meer ruimte mogen laten, want op deze weg is er voldoende ruimte en het is dus een kwestie van goede wil.
Ik geniet van het landschap dat steeds gevarieerder wordt, er verschijnen heuvels en de aarde is op sommige plekken rood. Ik zie veel landbouwgrond, er is hier blijkbaar meer water en ook meer bewoonde wereld. Soms lijkt het wel een beetje op Nederland.
Maar hierdoor wordt het ook direct wat ingewikkelder om een kampeerplek te vinden, dus ik besluit te vragen of ik naast een wegrestaurant mag kamperen. Dat betekent ook dat ik een warme maaltijd heb en mijn telefoon op kan laden. De nacht is aangenaam qua temperatuur.
Ik zou een nacht in Kyzylorda blijven en dan doorreizen, maar dat ging niet door. Ik was moe van het racen door Kazachstan en werd door Nurbol gehost, wiens familie een horeca-imperium heeft en drie dagen lang werd hun gebouw - een labyrinth met allerlei keukentjes, gangetjes, en een disco, karaokebar en café - mijn thuis.
In drie dagen werd Nurbol mijn vriend. Hij leerde me van karaoke houden en "Space Oddity" werd ons liedje, dat we elke avond een beetje beter vertolkten.
Ik mocht zelfs op de verjaardag van zijn zoon aanwezig zijn. Ik schreef de jonge Nura als cadeau een brief, met daarbij ook een briefje (een financiële bijdrage). Nura was geraakt door de brief, en zei dat hij kon voelen dat ik hem vanuit het hart had geschreven. Misschien ben ik goed geworden in brieven schrijven? Het raakte mij op mijn beurt dat Nura inzag dat mijn woorden een groter cadeau waren dan het geld. Het gaf me veel kracht om weer verder te gaan, omdat het de afgelopen weken soms ook zwaar was. Ik dacht ook aan de jongeren die ik in Rusland, in Oranzherei, ontmoette en besefte me dat hun toekomst er misschien heel anders uitziet dan dienvan Nura. Ik schreef er uitgebreid over in een brief naar Valkenburg, die ik dan weer aan Nurbol voorlees. Het zijn al met al drie dagen die een leven lijken en waarin alle emoties aan bod komen en ik voor het eerst in tijden contact met mensen heb dat verder gaat dan waar ben je en waar kom je vandaan.
Nurbol regelt dat ik bij een vriend van hem kan overnachten: Mukhanbetiyar in Shieli.
De weg is heerlijk! In Europa zouden we het misschien levensgevaarlijk noemen om over een dun strookje langs de snelweg te fietsen, maar het is zoveel veiliger dan ik in weken heb ervaren, dat ik met volle teugen geniet van de fiets trance, het nadenken over van alles en nog wat terwijl je met elke pedaalslag een stukje dichterbij komt. Dat het vandaag regent, merk ik zelfs nauwelijks.
Bij de stadspoort, die je hier bij de ingang van elke stad welkom heet, staat Mukhanbetiyar al op me te wachten met zijn auto. "Ik mag niet met de auto," zeg ik geschrokken. Maar geen zorgen, hij is gekomen als escorte en loodst me veilig de stad in. Boven de stad prijkt een grote regenboog. Thuis wordt er goed voor me gezorgd door de familie, heerlijk eten, zelfgemaakte zuivel en oma van 90 jaar geeft me haar beste wensen mee in een ritueel dat hier gebruikelijk is, waarbij je je handen voor je houdt als om te bidden.
Ze wenst me dat ik ook 90 mag worden, mag trouwen en heel veel kinderen maken en dat ik veilig weer thuis mag komen.
Zoals wel vaker, blijkt een gemakkelijke dag minder gemakkelijk dan gedacht.
Tegenwind. "Alweeeer," denk ik. En dan: een gebroken spaak. En dan: een lekke band. Terwijl ik mijn fiets inspecteer stopt er een automobilist voor het gebruikelijke praatje en vervolgens moet ik ook allerlei Kazachse dingen zeggen voor een filmpje op sociale media. Mijn hoofd staat er even niet naar en schiet uit mijn rol van vriendelijke postbode. Sorry.
Maar het langverwachte rustpunt wordt bereikt. Nurbol vangt mij op via Couchsurfing. Zijn familie heeft een horeca-imperium, dat betekent een hotelkamer, heerlijk eten en karaoke!
Maar eerst neemt hij me mee naar de fietsdokter op de markt. "De beste fietsenmaker van de stad," verzekert hij me. Binnen no-time is mijn fiets weer operationeel. Ik mag de fietsenmaker niks betalen: "je bent hier te gast en je hebt al zo ver gefietst." Daarover zegt Nurbol: "hij is een echte moslim"
Ik besluit Nurbol een brief te bezorgen uit Turkije die gericht was aan "iemand in Kazachstan". Er blijken twee dollars in te zitten voor een kopje koffie en een lief bericht van een Turk die contact zoekt met een Kazach. "We zijn verwante volkeren," legt Nurbol uit.
En dan zit ik te dansen op een Kazakhse kraker met een biertje. En moet ik zelf ook liedjes gaan zingen. Ik val erg uit de toon hier, alles is chic en iedereen heeft zich opgemaakt en mooi aangekleed. Maar hier word ik getolereerd met mijn trainingsbroek. Wat een bizarre wereld, hier in de stad. Maar ik geniet er met volle teugen van.
Ik gooi de plassen water uit mijn tent, voor ik haar oprol, ik heb geen zin om dat gewicht met me mee te dragen.
De wind is nog steeds in mijn voordeel en ik besluit zo ver mogelijk richting de eerstvolgende stad Kyzylorda te willen komen.
Helaas draait de wind wat, waardoor het tweede gedeelte van de dag wat zwaarder is dan gedacht, maar: groot nieuws: er is hier een secundaire weg. Ik kan éindelijk, voor het eerst sinds Aktobe (en een paar kilometer bij Aral in de buurt) eens over een rustige weg fietsen en wat om me heen kijken.
Het is hier een rivierdelta, dus er zijn wat meer boompjes en groen. Het is lente. Ik rijd langs zo'n dorp voor de doden, een prachtige begraafplaats. Er stopt een oud busje. Mensen stappen uit en knielen. Ze zingen een mysterieus lied. Ik wil erbij zijn, erbij horen, maar ik ken de tekst en de melodie niet. Dit is niet mijn lied, niet mijn ritueel.
Ik besef me dat fietsen ook leuk kan zijn. Ik stop af en toe om een foto te maken. Aan het einde van de dag is het moeilijk om een kampeerplek te vinden: overal ligt modder en hopen koeienstront. Zoals altijd vind ik toch iets. Morgen slaap ik weer eens in een bed.
Vandaag kan ik kilometers maken met de wind in de rug. Af en toe wordt ik gestopt door een automobilist, aan wie ik moet vertellen waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga. Vervolgens moet er een selfie worden gemaakt.
Aan het einde van de dag begint het te regenen. En dan blijft het regenen. Ook 's nachts. Ik word wakker en zie dat er plassen water in mijn tent staan. Ik verzeker me ervan dat er geen elektronica stuk kan gaan en slaap verder.
"Goed voor de plantjes", herhaal ik als een mantra om mezelf weer in slaap te krijgen.
Ik zie onderweg weer meer kamelen.
Ik ben het beu om de weg alsmaar te volgen en er zijn hier wat gravelpaden langs de weg. Her gaat erg langzaam en verandert plotseling in een zand of modder pad, maar het zijn momenten om even te ademen.
Ik ploeg mezelf door het natte zand dat me dwingt om langzaam te gaan. Dat wilde ik toch?
En dan zie ik een vlinder poseren op een blaadje, hij blijft, vleugels gespreid keurig stilzitten. Ja, ik blijf erbij: in de steppe moet je niet voor je uit kijken, in de verte: dan zie je een eindeloze amorfe massa van vale kleuren. Je moet naar de grond kijken. Dáár gebeurt het, bloemen in alle kleuren, kevers die hun kop in het zand steken en dus deze vlinder.
Ik probeer zoveel mogelijk kilometers te maken om Aral te bereiken, naar het gelijknamige meer dat inmiddels half droog ligt. Daar huur ik een kamer. Ik moet toch ook eens een keer douchen.
Ik vind het maar vervelend, een kamer huren, je voelt je er nooit thuis, zoals in je eigen tent. Nee, het liefst word ik door iemand opgevangen om dan nog wat menselijkheid, verhalen, een lach, een maaltijd te delen. Gekochte gastvrijheid voelt niet goed.
Ik kon gisteren een kampvuurtje maken, want ik had een droge plek met opgedroogde aarde én vond een paar stukken hout! Ik warmde me aan het vuur en zat alleen op de steppe en voelde me goed.
Maar nu moet ik weer terug naar die grijze strook, naar de razende wagens. Voor ik naar die mensenwereld terugkeer, tref ik een obstakel op mijn weg: een kudde paarden.
Het valt me telkens op hoe ze me aanstaren. Ik lijk zelf misschien ook wel een beetje op een paard op mijn fiets. Andere paarden rennen dan weer in paniek weg, terwijl ze de auto's de normaalste zaak van de wereld vinden.
En dat doet deze kudde in eerste instantie ook. Maar dan houdt een stoer paard, de leider, halt. Nieuwsgierig zet hij wat stappen in mijn richting en dan volgt de kudde ook. Zo staan we elkaar een paar minuten aan te staren. Ik durf niet door de kudde naar de weg te lopen en wacht geduldig, geniet van dit moment, in deze wereld die me veel meer bevalt dan de wereld van de veachtwagens.
Het liefst zou ik dwars door de steppe fietsen, maar ik heb maar 30 dagen om dit immense land te doorkruisen en dwars door de steppe zou langzaam, heel langzaam gaan.
De paarden zijn op me uitgekeken en trekken verder. Dus ook ik ga de weg weer op. Het is nog ver naar Shymkent, maar toch, stukje bij beetje kom ik dichterbij.
Ik eindig mijn dag in het zand, een hele uitdaging. En er vallen wat druppels uit de licht. Hoe heet dat ook alweer?
Regen!
Ook vandaag moet ik weer zien te overleven op de weg. Terwijl ik fietsen en zo nu en dan de berm induik om niet aangereden te worden, besef ik me: dit is waar het misgaat.
Ik fantaseer dat ik een bordje achterop mijn rug heb hangen waarop staat: "ik ben een mens". Want hier voel ik me geen mens, ik ben meer een geel fluoriserend obstakel, dat vrachtwagens tot last is. "Maar," denk ik, "hoeveel tijd verliezen ze nu echt aan mij als ze even zouden wachten om veilig te passeren? Een seconde? Een paar seconden?"
Zijn die paar seconden een mensenleven waard?
Toch zijn het soms dezelfde vrachtwagenchauffeurs die hun duim naar me opsteken of mijn fles water aanrijken. Hoe kan een goed mens - want dat is iemand die een ander mens een fles water aanrijkt - ook een potentiële moordenaar zijn?
Op de weg komen onze diepste overlevingsinstincten aan de oppervlakte, daar denken we aan onszelf, geloof ik. Nog een stukje jager-verzamelaar dat er genetisch ingebakken zit misschien?
Want het overkomt mij ook in het verkeer. Voetgangers die tergend langzaam in mijn weglopen moeten toch ook gewoon aan de kant? We zijn allemaal goed mens en moordenaar tegelijk en moeten constant waakzaam zijn, om de goede mens de overhand te laten houden.
Alles went, ook gedehumaniseerd worden als fietsend obstakel. Inmiddels heb ik zelfs tijd om te filosoferen tussen het overleven door.
Een een touringcar komt voorbij rijden. De chauffeur praat in de microfoon en hij lacht. De passagiers lachen ook. "Wat zou hij zeggen?", vraag ik me af. Er is hier niks. Ik fantaseer het volgende: "Als u heel goed hier rechts van u kijkt ziet u helemaal niks. Kijkt naar links dan is daar helemaal niks. Nee, dames en heren, hier wilt u niet dood gevonden worden. Laat staan dat je er gaat fietsen!" Iedereen lacht, terwijl ze hun hoofden draaien en me nakijken.
Na 100km vind ik onverwacht een hostel. Ik besluit er te overnachten. Het blijkt een grote kamer met zo'n twintig onopgemaakte bedden vlak naast elkaar. De kamer heeft geen licht en geen elektriciteit. In de hoek hangt een camera. Zou die wel aangesloten zijn? Ik kies een bed. "Hoeveel mensen zouden er al onder deze dekens hebben geslapen?", vraag ik me af. Ik zit een tien minuten op het bed in de donkere kamer. Ik vraag waar de douche is. De vrouw lacht. "Die is er niet!". Ik zit een paar minuten op het bed in de donkere kamer en besluit dan verder te fietsen. Dan liever in mijn tent.
Ik kom onderweg nog een koe tegen, een kunstige koe, die de chauffeurs eraan moet herinneren dat hier ook nog overstekend vee is. Ik wil er een bordje ophangen met "ik ben een koe".
Ik duik de steppe op zo ver mogelijk van de weg. Hier creëer ik mijn oase. Een plek waar ik er mag zijn en niemand in de weg sta.
Ik kijk erg uit naar de kruising van wegen in Karabutak. Ik hoop dat daar de weg wat rustiger wordt. Op de kruising in de warme en stoffige stad - de temperaturen lopen inmiddels op tot boven de 20 graden overdag - eet ik nog iets in een wegrestaurant. Hierna volgt heel veel middle of nowhere tot aan Aral.
Het is luxe, want het lukt in deze streken niet elke dag om te lunchen, vaak sta ik langs de weg, waar ik snel wat gedroogd fruit of koekjes eet terwijl de voorbijrazende vrachtwagens windvlagen veroorzaken.
Toch zijn de lunchpauzes niet altijd een rustmoment, want ik lijk zelfs soms wel een toeristische attractie met mijn fiets. Mensen nemen soms zelfs foto's en video's! En in de wegrestaurants zitten vaak mensen op vol volume door de sociale media te scrollen. Het lijkt alsof ik de enige ben die dat schelle geluid storend vindt. Ik heb soms het idee dat ik steeds minder van de wereld begrijp.
Dat gevoel wordt bevestigd als ik naar de menukaart kijk, waar ik niks van snap. Het lukt uiteindelijk om iets te bestellen en in de rij spreekt een man me aan: "Waar kom je vandaan?", hij wacht niet op antwoord en vervolgt: "je begrijpt het niet, hè?." Tegen een andere man in de rij zegt hij: "hij begrijpt het niet". Ik besluit het maar zo te laten. Ik zoek een tafeltje op, het eten wordt gebracht, dan verschijnt er een grote bak vlees. Ik gebaar dat ik die niet besteld heb en de ober wijst op de man die me net aansprak. Die schuift al snel aan en komt tegenover me zitten, terwijl er nog veel vrije tafels zijn. Ik had al wel eens gehoord dat dat hier gebruikelijk is.
"Hij vindt het misschien gezellig," denk ik en ik vind het prima. De man zit zwijgend voor me en begint zijn bak vlees al smakkend en slurpend weg te werken. Hij kijkt me niet aan en begint ook geen gesprek. Ik versta er toch niks van. Dan haalt hij zijn telefoon tevoorschijn en begint hij op vol volume door de sociale media te scrollen. Hoe denk je dat ik erbij keek?
Alle vrachtwagens lijken mijn kant van de kruising te kiezen. De weg is niet rustiger, integendeel, het lijkt nu spitsuur. Ik besluit aan de tegenovergestelde kant van de weg te gaan fietsen, zodat ik het in elk geval kan zien als iemand me aanrijdt en me dan snel de berm in te storten. "Waarom ben ik hier, waarom doe ik dit?
We zijn nu bijna 100 kilometer verder. Ik zie een gravelweggetje langa de weg. Ik duik erop. Even ademen. Maar al snel verslechtert de weg, ik moet door de modder en voor ik het weet sta ik met mijn enkels in de bruine modder, waarschijnlijk veroorzaakt door gesmolten sneeuw, want sneeuw is inmiddels nauwelijks nog te zien. Ik zie een paadje dat links de steppe opgaat en ik volg het. Ik wil weg van de weg.
Terwijl ik het geraas van de weg op de achtergrond hoor verdwijnen en de steppe oprijdt, maakt een gevoel van vrijheid zich van me meester. Ik zie ineens hoe mooi de steppe is. Ik kijk op de grond en zie bloemetjes, witte, gele en roze. En een soort roodgroene bladeren: steppesla? Overal holletjes, waar soms een vaalbruin knaagdier in verdwijnt of verschijnt, hagedisjes. Ik sta even stil bij een stuk opgedroogd zand en tussen de spleten krioelt het van de insecten. Deze dorre massa lééft! Ik hoor nu overal de vogels en de zon verdwijnen achter een heuvelrug. Ook hierom ben ik onderweg. En ik neem me voor om voortaan elke dag een kilometer de steppe op te gaan en daar mijn kamp op te slaan.
Kamperen en zeker wildkamperen, zag ik eerder vooral als een noodzakelijk kwaad: een ongemak dat overwonnen moet worden omdat je nu eenmaal moet slapen. Ik besef me nu dat dít mijn rustpunt is en neem me voor om er een ritueel van te maken. Het routineus in en uitpakken van de spullen, het creëren van een eigen plek met alleen het geluid van fluitende vogels en zingende wind, de vrachtwagens daar op die grijze streep een verre herinnering.
Ook vandaag ploeter ik tegen de wind in en balanceer ik telkens op het randje van het asfalt, het randje van het bestaan en de samenleving, waar ik soms net vanaf val.
Men toetert er een eind op los. Om me te begroeten, om te waarschuwen, je weet het niet.
Onderweg probeer ik zoveel mogelijk halt te houden bij elk wegrestaurant dat ik zie (vandaag twee; vandaar!). Zo probeer ik de voorraden die ik in Aktobe heb ingeslagen zo min mogelijk op te maken en waar mogelijk bij te vullen.
Bij elke stop is er wel een praatje: waar kom je vandaan en waar ga je naartoe. Veel verder komt het gesprek niet, door mijn matige kennis van het Russisch en mijn non-existente Kazachs. Over brieven kan ik niet eens beginnen vanwege de taalbarrière.
Zo tegen de wind in, op de rand van het asfalt, en met contact dat nooit verdiepend, maar altijd oppervlakkig is, begin ik me af te vragen: wat doe ik hier. Is dit het einde van de wereld?
Zo rond 19:00 is het in elk geval het einde van de dag. Ik zie naast de weg wat boompjes! Daar sla ik mijn kamp op. Een uil vliegt juist weg, wat een enorm beest.
Een herder en zijn kudde zwaaien vanuit de verte naar me terwijl ik mijn tent opzet. Ook 's nachts blijf ik het gebrul, geraas en gezoef van de weg horen.
Ik ga nog even langs de fietskraam om een flesje kettingolie te halen en fiets dan Aktobe uit. Zodra ik de bescherming van de gebouwen kwijtraak is het ploeteren tegen de wind in. Het doet me denken aan mijn eerste dagen in Kazachstan.
De eerste 25 kilometer is het rustig fietsen over een vierbaans weg, maar dan blijft nog een tweebaansweg over, zonder geasfalteerde vluchtstrook. Het is een erg drukke weg, dus ik fiets over de onverharde vluchtstrook.
Maar nog zo'n 20km verderop is dat geen optie meer, omdat de grond te zacht is en ik niet meer vooruit kom. Ik vind nog een paar keer even rust door over een stuk oude weg of weg in aanbouw te fietsen.
Zoals gebruikelijk in Kazachstan stoppen er wat mensen om me een lift aan te bieden. Dat ik weiger, daar snappen ze helemaal niks van.
Ook Nurlan stopt, een gezette man met een groen Kazachs hoedje. Hij maant me om te stoppen. Eerst moet ik uitleggen wie ik ben en wat ik doe. Dat lukt inmiddels in het Russisch. Dan foto's, een broodje en wodka! Ik weiger beleefd, maar dat heeft geen effect. Dan nog een slok wodka. "Dat zal je kracht geven". De man die de auto waar Nurlan inzit bestuurt, neemt ook een flinke teug. "Kazakhstan normalny?", vraagt Nurlan. "Jazeker en prachtig." Nu toont Nurlan me wat lijkt op een 5-literfles water. "Vodka!", roept hij enthousiast.
Door de wind kom ik niet verder dan 75 kilometer. Aan het einde van de dag ga ik een onverharde weg op om een kampeerplek te zoeken. Ik moet een stukje sneeuw oversteken, dan kom ik bij een gravelweg en daar zie ik een mooi plekje. Al snel sta ik bijna tot kniehoogte in de sneeuw en mijn voeten in het water dat zich onder de sneeuwhoop heeft gevormd. Een ijsbad. Gelukkig heb ik nog een paar zomerschoentjes...
Een vlotte tocht zonder complicaties. De band heeft het gehouden! Terwijl ik door het dorp Alga rijdt, stopt een auto en houdt halt. De man stapt uit en zegt dat hij me al een paar keer heeft gezien op de weg tussen Atyrau en hier. Hij stopt me wat briefgeld toe. Ik probeer te weigeren, maar de man drukt het geld in mijn hand en rijdt snel weer door, terwijl hij me in het Russisch een goede reis toewenst.
Gisteren was dat me ook al eens overkomen. Het voelt vreemd, vernederend bijna, maar ik zag ik beide gevallen dat de intentie goed was. Misschien hadden ze me liever een fles water of iets te eten gegeven, maar hadden ze het toevallig niet bij zich? Ik kan het geld van de sponsoren goed gebruiken om straks weer voorraden te kopen om de woestijn door te komen. Wie jullie ook zijn, bedankt voor jullie gastvrijheid en hulp aan de reiziger.
In Aktobe stop ik direct bij de enige fietsenmaker. Die is net Nuryk aan het helpen met zijn mountainbike. "Heb je ook 28 inch banden"? De fietsenmaker trekt het gevreesd gezicht. Hij komt terug met een dun stadsbandje. "Daarop ga ik het niet redden naar Tashkent." Dan biedt Nuryk aan om me te vergezellen naar de markt, waar ze meer banden hebben.
Wow! Een droom voor een fietser. In de marktstal vol fietsspullen ligt er inderdaad een band op mij te wachten.
Mijn dag begint met een lekke band.
En dan, vijf kilometer verder, nog een lekke band.
Ik probeer mijn geduld te bewaren, alles zo precies mogelijk te doen. Dat werkt altijd het best. Toevalligerwijs ben ik bij beide lekke banden nét in de buurt van een bushokje.
Het enige nadeel daarvan is dat daar auto's stoppen. Met mensen die lekker een praatje willen maken. En hoewel ik daar normaal best voor in ben, probeer ik me dus te concentreren op dat precieze werkje.
Ik koop een pakje appelsap en een chocoladereep bij een openbaar toilet. Bij het wegrestaurant ernaast staan ze al te zwaaien. Waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe? Hoe oud ben je? De gebruikelijke vragen. Als ik mijn verhaal heb verteld, krijg ik een kop koffie aangeboden. Ik wil een broodje kopen, maar krijg dat dan gratis. Ik durf verder niks meer te bestellen, want anders zal ik het wel cadeau krijgen.
Een man komt binnen en begint in het Arabisch te prevelen. Dan richt hij zich tot Mekka en als hij klaar is tot mij. "Heb je honger, heb je dorst?". Ik zeg dat ik alles heb, maar ook Taras laat me niet vertrekken zonder proviand. En dan komt er nóg een man met een zak pasteitjes. De eigenaar van het wegrestauranrlt zegt dat hij voor me wil bidden. Ik moet hem nazeggen.
Gloeiend van zoveel menselijkheid fiets ik verder de steppe in. Ja, ik zie steeds meer boompjes, ga over heuvelruggen. Dit voelt toch anders, toch meer alsof je van het één naar het ander gaat.
Dan: mijn derde lekke band van de dag. Ik besluit grondig te onderzoeken wat er aan de hand is en mijn vrees blijkt gegrond: mijn buitenband is volledig aan het eind van haar latijn. De beschermende laag begint aan de binnenkant los te raken en prikt gaatjes in de binnenband.
Ik verwissel de kapotte band, na het plakken van de gaatjes, naar de voorkant. Daar komt er minder druk op. De strategie werkt en brengt me bij een bosje. Je leest het goed: een bosje!!! Meerdere bomen bij elkaar, langs de weg, waar ik mijn tentje opzet en probeer te slapen tussen het geraas van vrachtwagens aan de ene, treinen aan de andere kant. De vogeltjes fluiten er lustig op los en zouden hier slangen zijn of schorpioenen? Nog maar 70 km naar de stad Aktobe, waar hopelijk banden zijn te vinden.
Tussen aankomst en vertrek is er niets. Niet menselijks althans. 80 kilometer lang. Dus ik leer nog meer tinten bruin kennen. Zoals het roodbruin van een struik die ik nog niet eerder zag. De bergen sneeuw worden steeds talrijker. Hoe zou dit landschap er een paar weken geleden uit hebben gezien?
Had ik al geschreven over de kerkhoven hier? Dorpen voor de doden, met huisjes in alle tinten bruin, van beige tot terracotta. Spookdorpen. Daar in de verte is er één.
Even buiten Shubarkuduk verblijf ik in een pension met Oezbeekse buren. Vrachtwagenchauffeurs. De hele middag scrollen ze met hun telefoons op vol volume door hun sociale media. Ik ben hier neergestreken om een live verbinding met Eupen in België tot stand te brengen.
Het is een surreële ervaring, ik ben even in België, met Max die vertelt over dit project. Het publiek lacht, moedigt me aan, geeft me applaus. Zij in de bewoonde wereld, ik in de woestijn. Ik voel me gesterkt in mijn missie.
Ik begin vertrouwd te raken met het dorre landschap, het is niet langer één amorfe enge en/of saaie bruine massa, waar ik doorheen moet, meer en meer zie ik de verschillende tinten bruin, zoals ik ook de oneinde blauwen van de zee onderscheiden kan.
Er is hier meer leven dan ik dacht, door het ruisen van de wind, het razen van de auto's, hoor ik de vogeltjes fluiten. Maar waar zijn ze? Zijn ze net zo bruin als de woestijn, zie ik ze daarom niet. Zoals ik het geelbruin van een duin zie en het groene bruin van een struik. Het zwarte bruin van een drol en de stippen in de verte in alle kleuren bruin die je maar bedenken kan. Koeien, paarden, nee schapen? Kijk! Het glimmend donkerbruin van een paard dat de weg over wil steken, ik rem af, het is een neppaard en het deed zijn werk.
De horizon is hier niet recht, het is een grafiek, een wisselkoers. Een vaalbruin marmotje kijkt me angstig aan en kruipt dan zijn holletje. Een goudbruine steen die lijkt op een neergestorte kameel. De weg is nog steeds grijs met witte strepen. Op de weg loopt een grijze tor. Een kruispunt, de weg naar rechts is even grijs, dan nog twee strepen bruin. Bruin op bruin. Het bruin voor de mensen is iets donkerder. In de verte rijdt een witte bus, gevolgd door een wolk van opwaaiend zand. De kleur van die stofwolk is moeilijk te omschrijven, de kleur die je krijgt als je bruin met onzichtbaar mengt.
Rood op de weg, rood met bruin op grijs, aangereden wild, een auto rijdt er nog eens overheen, er spat iets op mijn gezicht. Echt waar!
Een zee van bruin, golvend, bruin, bruin en wit. Wit? Water? Nee. Schuim! Nee. Sneeuw? Dat kan niet, het is twintig graden. Ik steek mijn vinger erin. Sneeuw! Ik pak een hand en maak een bal. Het is twintig graden, ik heb een t-shirt aan en ik maak een sneeuwbal.
Ik ga door met het inventariseren van bruin. Blauw! Een bord. Nog een bord. Heel klein. 600. Zo ver ben ik al van Rusland, een ander leven. Nog meer blauw in het bruin, daar in de verte. Daken. Een dorp! Het lijkt dichtbij, maar blijft ver weg. Hoeveel pedaalslagen nog tot het dorp? Oneindig veel. Hoeveel vanuit Rusland naar hier? Hoeveel vanaf thuis?
De dode koe in de berm is een zwartbruine vlek. Het uitstekende bot is wit en de ingewanden rood. Zwart met wit is de gier. Hij ziet me nu en neemt de benen... Spreidt zijn vleugels, veel wijder dan de roofvogel die ik hiervoor zag. Machtig.
Een witte auto volgt me. Het raampje gaat open, de vrouw filmt me als een paparazzi. De gebruikelijke vragen: waarheen? Waarnaartoe? Heb je honger. Ik krijg wat eten aangereikt van een man die Dhulat heet. "Rachmet" (bedankt)
Op het grijs van de weg zie ik een donkergrijze, bijna zwarte kopie van mezelf. Die moet ik volgen.
In Dossor splitst de hoofdweg zich in tweeën, het is rustiger op de weg, een verademing. Ik kan wat meer ontspannen. Soms raak ik even in de fietserstrance en laat ik mijn gedachten de vrije loop, om dan weer ruw wakker te worden van een vrachtwagen die langs scheert of een inhalende auto van de andere zijde. Even wachten om veilig te kunnen passeren lijkt geen optie. Ik wordt veel begroet onderweg door enthousiast toeterende en zwaaiende automobilisten. Soms groet ik vriendelijk terug, soms heb ik er even geen zin in. Ik begin ook in de steppe onderscheid te zien, in wat één amorfe bruine vlakte leek, valt toch een hoop te ontdekken. Een eenzaam groen graspolletje, een blauwe poort, schaapjeswolken in de lucht, een passerende trein en aan het einde van de dag warempel een heuvel! In het dorpje Zhanterek word ik vanuit een huis enthousiast begroet door een tiener die direct zijn motor pakt en een praatje komt maken. Maar hoe doe je dat als je elkaar niet verstaat? Hij helpt me met het vinden van een kampeerplek en dan gaat hij zijn vriendjes halen. Ze komen nog een paar keer langs en laten horen hoe hun motoren knallen.
Langs de grote weg door de woestijn verlaat ik de laatste stad die ik voorlopig zal zien. Ik fiets door het niets, af en toe een (opgedroogd) meertje. Van rustig fietsen is toch geen sprake: ik moet heel alert zijn op de vrachtwagens, die rijden namelijk gewoon door, alsof ik er niet ben. Als twee vrachtwagens elkaar passeren wordt het te krap op die kaarsrechte potloodstreep die op een vaalbruin canvas is getrokken. Dan moet ik de onverharde berm induiken. Onderweg stopt een automobilist om me een fles water te kopen. De lente is begonnen, ik fiets in mijn shirtje. Ik eindig de dag in een pension in het stadje Dossor, een laatste glimp bewoonde wereld voor de komende dagen.
In Atyrau, op de grens tussen Europa en Azië, pendel ik op en neer over de bruggen van slaapplek naar slaapplek, onderweg bezorg ik een brief en breng ik mijn fiets naar de dokter.
Vandaag is de wind me beter gezind. De weg naar Atyrau verloopt zonder grote problemen, behalve een lekke band wanneer ik de stad inrijd. Net zoals in Istanbul, ook op de grens tussen Azië en Europa. Ik word hier vanavond opgevangen door Bekbolat via Couchsurfing. Maar hij is nog niet thuis. Ik ga ergens een wrap met frietjes eten. De jongens vragen waar ik vandaan kom en wat ik hier kom doen. "Met de fiets vanuit Nederland?!". Ik hoef mijn eten niet te betalen. Later op de avond ontmoet ik Bekbolat, zijn vrouw en zijn vier vrolijke kinderen.
Ik had een heerlijke nachtrust in de kantine. De verearming draaide op volle toeren. Aan gas geen gebrek hier. Na afscheid te hebben genomen van de oliemannen, na wat kopjes thee, koekjes en foto's, ga ik op weg in de richting van Akkystau.
Dat is zo'n 80 kilometer, wat met tegenwind heel ver lijkt! Maar de wind is wat zachter vandaag en soms kan ik wel 15km/u halen.
In Akkystau kan ik ook eindelijk geld wisselen en een simkaart halen.
Na weer een dag ploeteren tegen de wind in, kom ik niet verder dan 53km wanneer ik uitgeput ben.
Na veel jaknikkers te hebben gezien, vind ik een dorpje waar wat bedrijvigheid is rondom de olie-industrie.
Ik ga wat eten in een café en vraag of ik daar mag kamperen. Het mag niet. Via de vertaalapp, krijg ik de cryptische instructie: "je moet op zoek gaan naar het huis van de vertaler" en de vrouw van het restaurant wijst naar de overkant van de weg.
Ik spreek daar een man aan, die ook van nee schudt, hij spreekt iets in op mijn telefoon en dan lees ik: "moeders zullen helpen". En hij wijst naar een hokje.
Daar tref ik de beveiligers van de site aan, die aangeven dat ik naast de elektriciteitscentrale mag kamperen. Weinig beschutting, midden in de wind, maar beter dan niks.
Terwijl ik mijn tent opzet, komen er mannen met blauwe pakken aan. "Thee!", roepen ze. Ik besluit ze te volgen en plots zit ik in een kantine vol mannen met blauwe pakken, ik noem ze de oliemannen. En daar is een man die een beetje Engels spreekt, hij heet Talgat. Hij is, de vertaler, vertelt Vitaly, een Russische medewerker me.
Ook de andere mannen in blauwe pakken vertellen me hun namen, maar ik kan zo veel namen niet onthouden, dus ik noem ze de oliemannen.
Na een vreselijke dag tegen de wind in en met zand in de schoenen, besef ik me dat dit is waarom ik deze reis maak. Om ineens in de kantine van de oliemannen te mogen zitten en wat momenten met hen te mogen delen, een inkijkje in hun bestaan.
Viyaly is getrouwd met de dochter van Talgat en spreekt nu vloeiend Kazachs. Talgat opent zijn jas en toont me een fles Vodka, hij legt zijn vinger op zijn lippen: "Shhh".
Het is te koud en te winderig om in de tent te slapen, besluiten de oliemannen. Ik moet dus mijn kamp opbreken en in de kantine slapen en ik mag daar zoveel thee en koekjes nemen als ik wil.
's avonds gaan we terug naar het restaurant en eten we samen. De fles Vodka wordt van tafel gehaald voor de foto.
Een stormachtige wind blaast recht in mijn gezicht. Ik kan niet sneller fietsen dan zo'n 10km/u. Werkelijk een marteling, zoals de eindeloze heuveltjes op en af langs de zwarte zee. Kamelen bieden troost en verwondering.
In het stadje Kurmangazy wil ik een simkaart halen, geld wisselen en eten, maar alles blijkt dicht. Twee mannen in een dikke auto met Russisch kenteken bieden aan om me te helpen en ze te volgen naar het tankstation, daar kan ik eten.
Maar ik ga wel erg langzaam en ze lijken haast te hebben, dus worden twee mannen in een andere auto ingeschakeld om me te escorteren.
De vrouw die in het restaurant werkt is niet erg behulpzaam. Ik probeer drie dingen te bestellen, maar ze hebben het allemaal niet. Ze vertelt me ook niet wat ze wél hebben. Wannneer ik te lang nadenk loopt ze weg van de tafel. Uiteindelijk lukt het toch om iets te eten.
Ik kom nog steeds niet vooruit, ook niet met de nieuwe brandstof. Op zo'n 60 km besluit ik een afslag naar een dorp te nemen. Het is hier echt woestijnachtig. Opwaaiend zand en duinen, soms zakt mijn fiets weg in het zand.
In het dorp vraag ik beveiligers in een school (geen idee wat ze beveiligen) of ik daar ergens kan kamperen, maar het lijkt allemaal heel ingewikkeld. Uiteindelijk mag ik mijn tent naast het kantoor van de spoorwegen neerzetten en krijg ik een zak eten mee van de beveiliger: "dit heeft mijn vrouw voor jou gemaakt".
Na een comfortabele dag bij Mark, die een filmliefhebber is en met wie ik verschillende films heb gekeken. Na een rondje door de mooie stad en het Astrakhan Kremlin is het tijd om door te gaan naar het volgende land: mijn Russisch visum verloopt bijna!
Ik fiets over een "pontoon bridge", het is een vreemde gewaarwording, alsof je over het water zelf fietst. Dan begint de lange weg door de steppe en met de wind in het gezicht
Die wind wordt dan ineens gebroken door een eindeloze rij vrachtwagens uit Kazakhstan, Oezbekistan, Turkmenistan, noem het maar op. De chauffeurs staren me aan of begroeten me.
En dan is daar ineens de grenspost, naast een klein dorpje. Het is een hermetisch afgesloten vesting vol containers. Ik verwacht er vrij snel doorheen te gaan, zoals telkens is gebeurd bij alle grensposten, maar bij de paspoortcontrole krijg ik mijn paspoort niet terug en moet ik op een bankje wachten. Ik zit naast een Oezbeekse man, die zit te bellen, de grenswacht komt hem streng toespreken: "bellen is hier niet toegestaan".
Na een tijdje wachten komt er een man met een bontmuts op me af. "Follow me please". Het blijkt een FSB agent. Ik volg hem naar een container en wordt gesommeerd mijn fiets daar neer te zetten. Naast de container staat een busje, een groep Oezbeekse mannen laadt hun bagage op het rek op het dak. Ik durf niet te vragen of ik mijn fiets op slot mag zetten. Waarschijnlijk zijn er - voor mijn fiets althans - weinig veiligere plekken dan hier.
"Close the door please". De agent wijst, zonder me aan te kijken naar een stoel in de hoek van de container. Links van me staat een tafel met een microscoop en een doos met latex handschoenen. De agent zet zijn bontmuts op de plank die voor bontmutsen schijnt te zijn. Hij haalt een map uit een la en begint nu driftig op zijn computer te typen. Hij kijkt me niet aan.
En dan beginnen de vragen. Sommigen heel specifiek, zoals: "in welke steden in Georgië heb je overnacht," andere algemeen, zoals: "wat is het doel van je reis?". Ik weet alle antwoorden en beantwoord alles naar waarheid. "Dit is niet de plek om iets te verbergen," denk ik. De slotvraag is "did you like it in Russia?". Naar waarheid antwoord ik"yes, very much", en nu verschijnt er voor het eerst een glimlach op het gezicht van de agent. Nu moet mijn telefoon imei nog geregistreerd worden, waar ik de agent mee help. "Wat zouden ze met die informatie doen?", vraag ik me af.
En dan mag ik de vesting verlaten. Ik fiets nog zo'n 10 kilometer langs wachtende vrachtwagens door Rusland. De steppe ligt hier bezaaid met flesjes water en lege zakken chips. Ik kijk telkens achterom, of de agent niet toch nog een vraag heeft. En dan is daar de brug, aan de andere kant is het Kazakhstan.
"Ik ben er bijna," denk ik en voel me ineens beklemd. Daar aan de andere kant ligt mijn vrijheid op me te wachten. Ik fiets de brug op langs een militaire controlepost, die verlaten lijkt. Maar dan hoor ik iemand roepen en twee Russische militairen sommeren me om terug te komen. "Maar ik was er bijna," dacht ik. "Waar kom je vandaan en waar ga je naartoe?". Ik leg mijn reis uit en dan verschijnt er een grote glimlach op de gezichten van de soldaten. "Wacht hier," zeggen ze, en ze komen terug met een fles water, Russisch water, "voor onderweg". Ik zie ze aan de andere kant van de brug nog zwaaien.
Nu moet ik nog de Kazachse immigratiecontrole door. Ik moet aan zo'n vijf verschillende mensen hetzelfde vertellen. Één agent zoekt mijn instagram op en volgt me. maar dan ben ik eindelijk echt in een ander land en ik was bijna vergeten hoe hard het nog steeds waait. Het is al bijna avond nu.
Ik zie een paar huizen langs de weg en vraag of ik daar mijn tent mag opzetten. De kinderen hier zijn nieuwsgierig, maar ze spreken alleen Kazachs. Dus spreken we de taal van een potje voetbal en tellen we in het Spaans tot tien. Zo voelt vrijheid voor ik in mijn tentje kruip voor een goede nachtrust in een andere wereld.
Kseniya biedt me aan om nog een dag in het appartement te verblijven en uit te rusten. En dat doe ik, want ik ben ook nieuwsgierig geworden naar dit dorp en haar lieve mensen.
Oranzherei is een voormalig vissersdorp, waar ooit - tijdens de Sovjetunie - een grote industrie was. Miljoenen blikken vis werden vanuit hier jaarlijks door het hele land verspreid. In het museum in het cultureel centrum staat een verzameling vintage blikken in een vitrine.
In dat museum kreeg ik gisteren een rondleiding, Sonya en haar klasgenoot Temerlan helpen met vertalen. "This is the Astrakhan raven". Ik vraag wat het verschil is met een normale raaf. "Oh, no, it's just a normal raven". Het is een indrukwekkende verzameling objecten en documenten over dit dorp dat ooit booming was en nu vooral vergane glorie. "This is Lenin", zegt Temerlan die naar een poster wijst. Ik zeg dat ik weet wie dat is. "You know Russian history!", zegt hij trots. Ik zeg dat ik een schilderij met vissersvrouwen mooi vindt en hij bloost een beetje, alsof ik hem zojuist een persoonlijk compliment heb gegeven.
Ik ontmoet ook de rest van de schoolklas, die een brief voor me hebben geschreven met getekende hartjes en Matroesjka's. Kseniya komt me een paar keer eten brengen, waaronder hele exclusieve vis. Een artikel over mijn bezoek verschijnt in de lokale krant. Ik ben de eregast van dit dorp, het is heel bijzonder en ik vraag me af waar ik al deze hartelijkheid aan heb verdiend.
De mevrouw van de winkel en de pianoleraar Olga komen me uitzwaaien. Olga geeft me een medaillon mee van de beschermheilige van het dorp: "om je onderweg te beschermen".
Ik ga nu door naar de stad Astrakhan, waar ik via Couchsurfing verblijf bij Mark, die theater maakt en fotografeert.
De tempel lijkt gesloten. Buiten staat een gigantische gouden Boeddha. Ik loop om de tempel heen en klop aan bij een gebouwtje. Een monnik in oranje gewaad maakt de deur van de tempel voor me open.
Ik ga alleen in de tempel zitten en een gevoel van intense kalmte komt over me heen. Bij de verschillende Boeddha beelden en foto's van de dalai lama ligt geld of eten. Iemand klopt aan en ik maak open. Een man komt binnen en buigt drie keer met de handen voor het gezicht in bidhouding. Hij gaat dan alle altaren af en legt er een muntje neer. Nu maakt hij even een praatje, voorzover dat gaat, wie ik ben en waar ik naartoe ga en of dat mijn fiets is. Bij de ingang liggen zakjes met eten. De man pakt zo'n zakje mee en maakt een verontschuldigend gebaar.
Nu valt mijn oog op een tafeltje met foto's van mannen, meestal jonge mannen. Ze hebben uniformen aan. Één van de mannen lacht, terwijl hij een groot machinegeweer in zijn schoot vasthoudt. De foto's van de soldaten liggen vlak bij de Dalai Lama. Oorlog en boeddhisme, hoe valt dat met elkaar te rijmen? Ik besluit dat ik dat niet hoef te doen, ik ben hier om te kijken en om te luisteren. Ik moet de dingen naast en niet in een bepaalde volgorde lf boven of onder elkaar plaatsen. Ik ben een postbode, just a messenger. Maar mijn gevoel van kalmte is weg.
Ik fiets verder, de steppe op en kom langs het dorp Dzhalikovo. Ook hier is een tempel. Ik vraag een oude man in uniform (zou hij ook een soldaat zijn?) of ik de tempel kan bezoeken en hij belt iemand op. Hij gebaart dat ik even moet wachten en scheurt weg in zijn auto, een stofwolk neemt langzaam bezit van het dorp. Enkele minuten later is hij terug met Svetlana, die de tempel opent en direct op volle snelheid in het Russich begint te vertellen. Veel snap ik er niets van. Behalve dat dit de eerste boeddhistische tempel in de Sovjetunie was en dat haar voorvaderen uit Mongolië kwamen en via Siberië hier terecht zijn gekomen en dat ze een vriendin heeft die in Duitsland woont en altijd met kilo's Kalmukse thee terug naar huis gaat.
Ze leert me hoe ik moet bidden, met welke knie ik voor de Dalai Lama mag knielen en dat ik mijn hoofd drie keer naast zijn portret moet laten aanraken. Ik moet in het midden van de ruimte staan en naar de Boeddha buigen. Ik krijg een zaad van de lotusbloem. "Als je die in je zak terug vindt, moet je nog eens aan ons hier in Kalmukkië denken". Ik krijg een zakje Kalmukse thee mee en snoepjes die voor de Boeddha waren neergelegd. "Zijn die niet voor de Boeddha?," vraag ik. "Van de Boeddha voor jou, gebaart ze.". Dan geeft ze me een kaarshouder in de vorm van een lotusbloem mee. Die kan ik eigenlijk niet aannemen, maar weigeren lukt ook niet.
"Ik moet ze weer doorgeven," denk ik, eigenlijk is die lotusbloem een soort brief. Ik fiets dat dorp uit en veroorzaak nu zelf een stofwolk. Daar komt een oude Lada. Zijn stofwolk is groter, hij toetert. Naar mij? Ik fiets door. Hij toetert weer. Ik stop en kijk. Een man in een legeruniform zwaait naar me. "Thee!," roept hij dwingend.
En even later zit ik in de keuken aan een kopje thee. Op de tafel staat brood met boter: "eten!" Roept de soldaat. De Russische gastvrijheid gaat soms wat met de harde hand, maar ik voel dat het goed bedoeld is. Dan laat hij me zijn wapenvergunning zien. "Bent u een jager? Een politie agent?," vraag ik naar de bekende weg. "Soldaat," zegt hij. Hij pakt nu zijn telefoon en toont me een filmpje. Ik zie een gebouw dat onder vuur wordt genomen vanuit een raam, ik hoor mensen roepen. "Bachmoet.," zegt de soldaat. Mijn maag draait zich aan alle kanten om van deze oorlogsbeelden. Ik geef hem aan dat ik niet verder wil kijken. Dan toont hij me het portret van een vriend, ook een soldaat, die daar is overleden. "Het spijt me," zeg ik. "Ach," gebaart de soldaat en hij wappert naar achteren met zijn handen om te zeggen: "dat ligt achter me". De magere man maakt schokkerige bewegingen, hij lijkt voortdurend alert, zelfs als hij mij nog wat thee bijschenkt. Aangezien ik liever geen filmpjes van de oorlog bekijk, zoekt hij nu naar iets wat me wel bekoort. Iets Engels misschien. Queen? Ik knik opgelucht. Boeddhisme en oorlog. Een Russische soldaat die Queen voor me opzet. Ik snap er helemaal niks van. Het hout knettert in de haard en helpt me om kalmte in mijn hoofd te vinden. "Naast elkaar, niet onder of boven elkaar," herhaal ik als een mantra.
De soldaat is gewond en mag niet meer vechten. Anders zou hij zo teruggaan. Nu krijg ik een rondleiding door het huis. Hij is fier. Eerst gaan we langs het altaar en we buigen naar de boeddha. Vlak ernaast staat het tafeltje met de militaire onderscheidingen. Zijn schokkerige bewegingstaal, maakt plaats voor onwankelbare trots, wanneer hij naar zijn medailles wijst. Hij toont ook de slaapkamer en de hal als kostbare museumstukken, en lijkt te wachten op mijn bewondering. Ik weet me geen houding te geven. Ik zie een eenvoudig en aangenaam huis, temidden van een dorp in het niets, waar elke beweging een stofwolk doet opwaaien.
Ik ben veel langer in dit dorp dan ik van plan was. Ik moet nu echt weer verder. De soldaat knikt, een beetje teleurgesteld. Hij drukt me een vis in de hand. Door de plastic zak kijkt hij me beteuterd aan. Ik trek mijn schoenen weer aan en de soldaat kijkt even hoe ik daar onhandig mee worstel. Springt dan gretig op en komt terug met een schoenlepel. Wanneer ik die na gebruik terug wil geven, schudt de soldaat gedecideerd van nee. "Voor onderweg".
En zo verlaat ik het dorp, wat zwaar beladen, de vis achter de snelbinders geklemd. De soldaat kijkt naar me en naar mijn fiets. "Naaar China?", vraagt hij en ik knik. Hij wijst lachend naar zijn voorhoofd, alsof hij wil zeggen: "je bent niet helemaal bij zinnen". Door mijn eigen stofwolk, werp ik nog één blik op dat dorp, dat mij ondanks alles als een eregast heeft ontvangen en ik realiseer me dat het een plek is die ik nooit zal vergeten.
Over een gravelweg waar ik geen enkele auto of vrachtwagen zie, steek ik de grens over naar de regio Astrakhan. Ik zie nu weer orthodoxe kerken en begraafplaatsen. Ik heb een kamer geboekt in het vissersdorpje Oranzherei. Ik moet eerst een brug over, dan langs een elektriciteitscentrale en de begraafplaats waarachter de zon zich nu langzaam verstopt, een magische glinstering achterlatend.
Mijn internet ligt eruit. GPS ook. Dat zal wel met die centrale te maken hebben. Dat is dus ouderwets op de kaart kijken, na zoveel afslagen naar rechts, en op straatnamen letten. Ik klop aan bij het huis op aan de onverharde weg langs de rivier. Niets. Ik klop nog eens. Ik roep. Het begint kouder te worden. Hoewel de temperaturen overdag steeds aangenamer worden, koelt het 's avonds hard af. Een typische droge kou, een ongedaige wind, die dwars door de je kleren heen lijkt te blazen. Ik klop en roep nog eens. Ik sta hier inmiddels al een kwartier en begin te klappertanden. Ik kan niet bellen en heb geen internet. Ik besluit aan te kloppen bij een huis, dat wordt bewaakt door een grote enge hond. Hij blaft even, maar als ik het poortje van het erf open, doet hij niets. Ik klop aan. Niets. Ik hoor toch mensen binnen. Ik klop nog eens. Niets. Ik ga nu naar het raam en zwaai. Nu opent er een meisje met sproeten. "Mama," vraag ik. Een vrouw komt aan met verschillende kinderen met sproeten aan haar zijde. Ze kijken me wat uitdagend aan. "Wat?", vraagt ze. Ik begin te stamelen, maar kan niet in het Russisch uitleggen wat ik nodig heb. De familie staart me ongeduldig aan. Ze bestuderen me. Ik typ druk op mijn telefoon en laat ze een tekst zien (ik heb een offline woordenboek gelukkig)
De vrouw zegt van alles, maar ik versta haar niet. "Nee! Nee!," zegt ze dan, "Doei! Wegwezen buitenlander." De deur wordt dichtgesmeten en de sleutel draait rond in het slot. Buiten aangekomen hangen de kinderen uit het raam en kijken me vijandig aan. Ze lijken de hond aan te sporen om me te verjagen, maar die herder ligt me alleen wat schaapachtig aan te staren. Het schemert nu, ik voel de koude wind tot op mijn botten.
Ik wil weg van die plek en die mensen en ga terug naar het centrum van het dorp. Ik loop een winkeltje in. De vrouw van wie de winkel is, ziet direct dat ik geschrokken ben. Met wat hardhandige Russische gastvrijheid zet ze me aan een kopje thee: "jas uit!, stoel pakken!, zitten!, aanschuiven!, drinken!" Ik krijg nu ook wat koekjes en een broodje "eten!". Ze begint druk te overleggen met alle klanten die aankomen en aan de telefoon. Ik snap er niks van. De lokale pianolerares Olga (leerde ik later) staat me wat bezorgd aan te staren. Er is hier in elk geval geen hotel, is de conclusie.
Dan komt er een vrouw met een brede glimlach de winkel in. Ze geeft me direct een goed gevoel, ik voel me veilig nu zij er is. Even later toont ze me haar telefoon, daarop staat de volgende tekst:
"Ik heb een plek gevonden waar je kunt overnachten, volg mij"
De vrouw heet Kseniya. Ze neemt me mee naar een typisch appartementenblok uit de Sovjettijd, mijn fiets gaat in een loods. We moeten naar de bovenste verdieping, de buurman is er nu ook bij om te helpen met de bagage. Hij duwt me een paar leren handschoenen in de hand, voor onderweg. Ik sla ze beleefd af, omdat ik al handschoenen heb. Ik kan vandaag niet meer geschenken aannemen! Hoewel dit appartement, waar de spinnende en eenzame kat Agnieszka op me zit te wachten nu ook een godsgeschenk ik. De verwarming draait op volle toeren en ik ben de kou snel vergeten als de kat tegen me aan kruipt op de bank. De eigenaar van dit appartement is tijdelijk voor werk in Sint Petersburg en Agnieszka is helemaal alleen. "Ze zal blij zijn met je gezelschap," zegt Sonya, Kseniya's dochter die gelukkig wat Engels spreekt.
De mevrouw van het hotel geeft me nog een brood, een stuk kaas en een fles water voor onderweg mee. Ik steek de grens met Kalmukkië over, het checkpoint ziet er serieus uit, maar ook hier mag ik gewoon doorfietsen.
Al snel zie ik een tankstation met de naam "Lotos" en een boeddhistische gedenksteen vol gekleurde bloemen, voor iemand die is aangereden.
Ik heb geleerd van gisteren. In het stadje Artezian, sla ik voldoende voedsel en water in, want het lijkt erop dat ik de komende honderd kilometer niets ga tegenkomen.
Op het plein staat een standbeeld van Lenin, naast de Boeddhistische tempel. Er hangen borden met glorieuze militaire taferelen uit de Soviettijd en een oproep om je bij het leger aan te sluiten. De mensen zien er hier Aziatisch uit, ik leer later dat het Kalmukse volk oorspronkelijk uit Mongolië komt. En deze regio is de enige in Europa waar het Boeddhisme dominant is. Terwijl ik het dorp uitrijd over een zandweg richting de hoofdweg rijd ik over een soort vuilnisbelt, in de vertr blaffen honden. In vergelijking met de Islamitische republieken is het hier allemaal wat rauwer, heb ik de indruk. Voor mijn gevoel contrasteert dat met de lotus en met de symbolen van het boeddhisme.
Ik fiets inderdaad de rest van de dag door de steppe. De wind is mij niet gunstig gezind, waardoor ik erg langzaam ga. De vrachtwagens scheuren soms op volle snelheid vlak langs me heen. De weg loopt kaarsrecht noordwaarts, maar aan het einde van de dag is er een afslag richting Lagan, daar maak ik een hoek van 90 graden en terwijl het al donker begint te worden, raas ik ineens met de wind in de rug naar Lagan, waar ik een aftands pension binnen stap. Een Kalmukse vrouw zit daar achter een venster met een opening om door te spreken. Ze zit naast een geïmproviseerd bedje, boven het bed hangt een portret van Vladimir Putin in zijn jonge jaren.
De kamer hangt vol verwarmingsbuizen, nergens een knop om de verwarming wat zachter te zetten, maar zo schijnt dat hier gebruikelijk te zijn. Ik heb zo een warme en comfortabele nacht in een hele andere wereld en neem me voor om morgen de tempel te gaan bezoeken.
Een vriendelijke jongeman met glinsterende ogen komt naar me toe in de ochtend, hij spreekt een beetje Engels. Ik voel me wat minder ontheemd, hij glundert als hij over mijn reis hoort. Ik krijg de indruk dat hij zelf ook wel zoiets zou willen doen.
De weg is best druk, na eerst door een paar dorpen te fietsen, zie ik al snel alleen nog maar steppe. Geen winkels, geen mensen, alleen nog maar de weg en een eindeloze vlakte met lage struiken. Nog nooit van mijn leven ben ik door zo'n middel of nowhere gefietst. Ik begin me af te vragen waar ik zal overnachten. Toch niet in dat uitgestrekte landschap, zo zichtbaar vanaf de weg?
Maar ook nergens huizen te bekennen. De weg is relatief rustig, maar er is nauwelijks ruimte voor een fietser aan de zijkant. Als twee auto's en vooral vrachtwagens elkaar inhalen is het erg krap en ben ik bijna gedwongen om van de weg af te gaan. Er wordt hier ongelooflijk hard gereden. Ergens snap ik het wel, de weg is kaarsrecht en er is niets om voor te stoppen. Dan maar op volle vaart erdoorheen kachelen.
Maar ik ga maar zo snel als ik ga. En dan, vlak voor de grens met Kalmukkië, is daar toch ineens een aantal huizen. Een restaurantje, een winkel en een hotel. Ontbijt en avondeten zijn gelukkig inbegrepen, want veel voorraad had ik niet meer. Ik was niet goed voorbereid op de steppe.
De mevrouw van het hotel is aanvankelijk wat wantrouwend, maar wordt dan steeds vriendelijker en leert me hoe je in Dagestan dankjewel zegt: "Barkalla"
Ik verlaat Grozny en neem een rustigere weg ten noorden van de stad die me richting Dagestan zal brengen. Had ik al verteld dat GPS hier niet zo goed werkt? Vanwege de oorlog valt het regelmatig uit, net als mijn internetverbinding.
Op enkele kilometers van de stad is er eencheckpoint. Bij de vorige checkpoints tussen de verschillende deelrepublieken, lieten ze me gewoon doorfietsen, maar hier moet ik stoppen.
Een Russische agent in een blauw uniform en een Tsjetsjeense agent in een zwart uniform stellen me allerlei vragen die ik niet begrijp. Een vertaalapp moet uitkomst bieden. De agenten spelen good cop, bad cop. De Tsjetseense man zegt dat ik me warmer moet aankleden en dat ik verderop eten kan kopen. De Russische agent praat door een walkie talkie en vraagt naar mijn paspoortnummer, adres, telefoonnumer. Twee verschillende politiehonden snuffelen aan mijn bagage. En nu is het weer de Tsjetsjeense agent die me streng aankijkt en zegt dat ik moet wachten, terwijl de man in het blauwe uniform lacht en vragen stelt over het fietsen. "Wat willen ze eigenlijk van me?", vraag ik me af. Is het de bedoeling dat ik ze "iets toestop?". Ik wacht het rustig af, maar voel me wel steeds beklemder, ondertussen begint mijn lichaam te rillen van de kou.
Ik mag dan na een half uur uiteindelijk toch vertrekken. "Davai," zegt de Russische agent en gebaart dat ik verder mag fietsen. Hij zegt nog iets tegen mijn telefoon. "Leer Russisch, het gaat je nog van pas komen", lees ik in het Nederlands op mijn scherm. De Tsjetseense agent geeft me een boks, terwijl hij me strak aankijkt.
De weg is rustig en zonder problemen. Ik zie een volgend checkpoint bij de grens met Dagestan, maar daar word ik weer vriendelijk doorgewuifd. Hier is het weer een andere wereld, wat minder opgeruimt dan in Tsjetsjenië en er staan overal plastic 5-liter flessen vol wijn langs te weg te koop. Ondenkbaar in Tsjetsjenië!
Ik vind een pension in een tankstation langs de weg. Het personeel is heel onvriendelijk en de prijs veel te hoog, maar ik durf hier in Rusland nog niet zomaar ergens te kamperen. Ik snap de taal, het land niet en denk soms toch even aan dat rode reisadvies. Ik voel me wat verloren en ongemakkelijk in deze vreemde wereld, in dit tankstation waar ik met tegenzin welkom word geheten. Ik maak een selfie in de spiegel van de hotelkamer om toch wat territorium af te bakenen.
Ik laat het Kaukasusgebergte achter me en over het vlakke land rijd ik richting Grozny, de hoofdstad van Tsjetsjenië, met nog een beetje een zwaar hoofd van de drankjes die ik gisteren moest proeven en met een hele zak eten, die ik van Larisa meekreeg.
De Russische Kaukasus bestaat uit verschillende deelrepublieken, die allemaal een heel eigen karakter hebben. In Noord-Osettië, waar ik start, zijn ze christelijk, maar al snel bereik ik de grens met Ingushetië, waar ze Islamitisch zijn.
Het is Ramadan en ik ben nog geen kilometer in de deelrepubliek of een auto stopt om me te begroeten en me water aan te bieden.
Ik fiets langs de snelweg, wat comfortabel is, vanwege de brede vluchtstrook. In Ingushetië mag je niet zomaar over alle wegen rijden vandaar dat ik deze route koos. De Noordelijke Kaukasus is dieprood in de reisadviezen van westerse landen, maar vooralsnog voelt het hier veilig. De wegen zijn goed, alles is schoon, de mensen zijn vriendelijk.
Eenmaal in Tsjetsjenië, zie ik overal vlaggen en portretten van de grote leider Kadyrov, soms op een wit paard en soms naast Vladimir Putin. Tsjetsjenië is een deelrepubliek waar sharia-wetgeving geldt en je kunt dus onderweg nergens iets te eten kopen. Ik neem de afslag richting Grozny: wat een bling bling. De stad is extreem proper en blinkend. Ik herken twee torens met klokken erop van foto's die ik thuis zag. Het doet me hier een beetje denken aan Dubai. Ik verblijf in een hotel. De receptionist is nogal onder de indruk van mijn reis. Op het plafond in mijn kamer hangt een sticker waarop aangegeven staat waar Mekka ligt. De kamer heeft geen ramen.
Ik bezorg twee brieven vanochtend, waaronder één aan een middelbare school. Terwijl de jongeren een brief schrijven, blijft mijn blik naar de vensters getrokken, naar die imposante giganten. Vrienden hadden me al verteld dat ik Kazbegi zeker moest bezoeken en hier ben ik dan, op misschien wel de mooiste plek die ik ooit heb gezien. "Hoe is het om op zo'n mooie plek te wonen?", vraag ik aan de jongeren die er hun schouders voor ophalen: "er komen hier veel toeristen, dus dat is lekker bijverdienen," grijnst een guitige jongeman. In het pension waar ik verblijf - eigenlijk een privé huis, waar ik Giga ontmoet, die de neef van de Engelse docent op de school en de collega van Rusadan (aan wie ik een brief moet bezorgen) blijkt te zijn: "de wereld is klein!", roep ik. "Stepantsminda is klein," zegt hij. In het pension waar ik verblijf dus, ontmoet ik Fu uit China. Hij is met de fiets onderweg naar Iran. "Kijken of dat nog lukt". Het lijkt alsof we hier op de grens tussen Europa en Azië hebben afgesproken. "I will never forget you," roept hij met gevoel voor drama, terwijl ik wegfiets. De weg naar Rusland is gemakkelijk, maar ik moet een aantal tunnels door. De eerste tunnel is vrij kort. Ik kijk de tweede tunnel in en zie alleen een hele hoop duisternis. Ik besluit te wachten op een auto, om die te vragen of die achter me wil rijden. Maar er komt maar niets. "Ach wat, het is toch bergaf," denk ik en ik waag het erop. Al snel word ik omringd door duisternis. Mijn fietslampje lijkt niets te doen, ik zie het wel, maar het licht bereikt niets, alsof ik door de oneindige duisternis van het heelal vlieg. Ik denk nog steeds rechtuit te fietsen, maar mijn ogen kunnen dat niet bevestigen en ik raak heel erg in paniek. Ik probeer te blijven ademhalen, rustig door te fietsen, maar het voelt alsof het zwart van deze tunnel me voor altijd op zal slokken. Maar dan zie ik een reflectie op de muur, een beetje licht, dan steeds een beetje meer. Hoeveel levens kan ik op deze dag nog leven? De volgende twee tunnels besluit ik wel op auto's te wachten en dat blijkt een goede strategie. En dan is daar de grens. Ik begin me nerveus te voelen. Rusland, dat is niet niks. Allerlei rampscenario's vliegen door mijn hoofd, ondervragingen door de geheime politie, of simpelweg teruggestuurd worden, of gevangen genomen? Net als in de tunnel blijf ik ademen. Bij de grens is men erg vriendelijk tegen me. De lange rij wachtende auto's laat me passeren en de grenswachten stellen wel veel vragen, maar uiteindelijk krijg ik toch dat stempeltje en mag ik door. Ik kan het niet geloven, ik ben er echt, in dat legendarische land, waar ik al tientallen jaren van droom, maar waar je tegenwoordig niet zomaar even naartoe gaat. Toch ben ik er zomaar even naartoe gefietst. De weg naar Vladikavkaz is snel en makkelijk, licht omlaag. Ik zie mensen die hun normale dagelijkse ding doen: "het leven gaat hier gewoon door," denk ik. Ik oefen mezelf in het lezen van Cyrillisch schrift, wordt even door een vrachtwagen van de weg gebonjourd en kom dan langs allerlei militaire monumenten. Het voelt onwerkelijk om aan de andere kant te staan. Ik moet mensen de weg vragen want GPS werkt hier niet meer, vanwege de drones. In Vladikavkaz word ik gehost door Larisa, haar zoon Nikita en haar dochter Nadia die wat Engels spreekt, twee katten geven me kopjes. En dan komt er bier en eten en een groep vrienden, nieuwsgierige vrienden die me de hemd van het lijf vragen. En dan vertelt Nadia me over haar man, die vermist is, ze laat me een video zien, waar hij geblinddoekt wordt: "ik weet het bijna zeker, hij is gevangen genomen," spreekt ze hoopvol, "ik hoop dat er snel een gevangenenruil komt". "Ik hoop dat hij snel terugkomt," zeg ik oprecht. De vrienden blijven drinken, maar ik moet gaan slapen, morgen moet ik door. De katten komen tegen me aan liggen, ik ben warm ontvangen in dit mysterieuze land. Wat wacht er nog op me?
Ik klim heel geleidelijk, de klim is niet moeilijk of zwaar. Wel is het koud. De laag sneeuw langs de weg wordt met elke hoogtemeter hoger tot het indrukwekkende sneeuwmuren zijn. Ik hoop dat ze niet instorten, en ik hoop dat er vandaag geen lawines zijn. Auto's scheuren over de smalle weg die soms in slechte staat is. Ik zie twee auto's bijna frontaal op elkaar botsen na een inhaalmanoeuvre bij een bocht. Iedereen kijkt er heel ontspannen bij, of het de normaalste zaak van de wereld is. Veel Russische vrachtwagens, zwaar beladen giganten, die stapvoets de berg op tuffen. En dan ben ik er ineens al: het viel me reuze mee. Of moet het moelijkste nog komen na Stepantsminda? In dit dorp bezorg ik twee brieven. Het is misschien wel de mooiste plek waar ik ooit geweest ben. Aan alle kanten gigantische besneeuwde toppen, divers in vorm.
Na wat dagen rust, spelletjes en een brief bezorgen kan ik eindelijk richting Rusland: de weg is officieel geopend en de volgende uitdaging is een feit: over het Kaukasusgebergte, naar een hoogte van 2700 m over één van de gevaarlijkste wegen ter wereld waar duizenden vrachtwagens overheen denderen omdat het de enige route is tussen de Noordelijke en Zuidelijke Kaukasus. De eerste kilometers gaan langzaam omdat ik de snelweg probeer te vermijden, maar dat betekent modder waar je in vast komt te zitten, gesloten hekken en honden, veeel honden! Ik passeer een curieus monument, waar je in kan en dan ga ik echt die fameuze weg op. De bergen in. Ik houd halt bij een hotelletje om morgen de pas te kunnen oversteken.
Ik ga een brief bezorgen van aardrijkskundeleraar Rusadan en maak van de gelegenheid gebruik om een fietsreoaratie te doen: mijn achterrek is kapot, niet onbelangrijk! Onderweg passeer ik een oorlogsmonument, waar soldaten in rode uniforms permanent de wacht houden. Ik zie ze stiekem met elkaar praten, maar zodra iemand dichterbij komt, gaan ze keurig in de houding staan als de Britse soldaten voor het koninklijk huis. Ik begroet ze, en er verschijnt een voorzichtige glimlach. Ik probeer door Tbilisi te navigeren via kleinere wegen en fietspaden en de toch valt me alleszins mee.
De weg van Gori naar Tbilisi verloopt zonder grote bijzonderheden of problemen, hoewel er flink veel sneeuw ligt. De wegen zijn sneeuwvrij gemaakt en ik ben sneller dan ik denk. Even pauze houden is lastiger, dan sta ik al snel in een dikke laag sneeuw. Het laatste stukje naar Tbilisi is stressvol, de enige weg die ik kan nemen is een snelweg, met nauwelijks een vluchtstrook. Een paar keer moet ik de modderige berm induiken wanneer ik een grote vrachtwagen in mijn rug hoor komen. Sinds het incident in de tunnel vertrouw ik er niet zomaar meer op dat het verkeer in mijn rug mij daadwerkelijk ziet. In Tbilisi wordt ik voor een paar dagen opgevangen door Eric en zijn zoon Finnley (moeder Debbie is op reis). Ze zijn een reizend gezin en vangen graag reizigers op via het netwerk Warmshowers. Mijn reis is niet zo bijzonder voor ze: ze hebben alle bestemmingen, afstanden en dergelijke al gezien: ook fietsers die ski's bij zich dragen enzo. De familie blijkt - net als ik - dol op spelletjes. Zo kom ik de tijd door, terwijl ik wacht tot de weg naar de Russische grens weer wordt vrijgegeven: vanwege lawinegevaar mag je er nu niet op!
Ik mag het huis van Inga niet verlaten zonder brief en twee flesjes zelfgemaakte druivenlikeur. "Niet aan de Russen geven, die zijn er dol op."
Ik vervolg mijn weg naar Gori, de geboorteplaats van Stalin en bezoek het Stalinmuseum in het Stalinpark voordat ik een brief bezorg aan Giga's vriend Beka.
Over een prachtige pas terug het dal in richting Borjomi. De weg is druk en smal, veel Turkse vrachtwagens, waarvan ik al wist dat ze niet graag ruimte maken voor een fietser.
Ik probeer het over een secundaire weg, maar die blijkt zeer uitdagend. Wat ik in een uurtje dacht te doen, duurt drie uur, maar ik bereik dan toch eindelijk Borjomi, waar ik een brief aan Inga bezorg, helemaal vanuit Venray in Nederland!
Er worden direct allerlei hapjes op tafel gezet en Inga en haar zoon Giga bieden me onderdak aan! Een comfortabele en warme nacht met zelfgemaakte druivenlikeur voor het slapengaan.
Avtandil wilde alleen maar behulpzaam zijn. Dit was geen goede kampeerplek, ik moest dus uit mijn tent, haringen eruit en de tent over het hele veld slepen naar de geautoriseerde kampeerplek. Avtandil rook naar een borreltje, je moet toch iets als je de hele nacht op een school moet passen in een klein dorp. De fiets mag in de school overnachten en 's ochtends wanneer ik haar weghaal en langs de klaslokalen loop, zie ik hoe in elke klas een houtkacheltje staat te branden, een aangename warmte komt me tegemoet. Als ik met mijn fiets vertrek, komen de eerste leerlingen aan en houden me staande. Waar kom je vandaan en waar ga je naartoe? Moeilijk te beantwoorden vragen. En het gaat natuurlijk over voetbal. Ik krijg een snelle cursus Georgisch voor reizigers, leer welke Georgische gerechten ik onderweg moet proberen en word dan onder luid gejuich op weggestuurd. De jeugd is de toekomst.
Op aanraden van Ilya neem ik een bad in de zwavelbaden bij Vani, gewoon via een parkeerterreintje, even toestemming vragen, veilig langs de blaffende hond zien te raken en genieten maar. Al snel word ik vergezeld door Kristian, een oudere man, die hele verhalen ophangt in het Georgisch. Zo nu en dan komt er eens een vraag, waarop ik schaapachtig mijn hoofd schud en zeg dat ik geen Georgisch spreek. Hij herhaalt de vraag dan licht geïrriteerd een paar keer tot hij het moet opgeven. Dan zinkt hij murmelend van geenot het warme water in, tevreden spinnend en mompelend, alsof hij even in trance raakt, ok even later weer wakker te worden en zijn "gesprek" met me voort te zetten. Ik geloof dat hij voor hij vertrok nog probeerde om me lver te halen om mee wijn te gaan drinken, maar dan aanbod heb ik met al mijn Georgische taalkennis vriendelijk afgeslagen.
Want ik wil mijn weg voortzetten richting Borjomi, richting de volgende brief.
Nog één veilige kampeerplek zoeken in de bergen bij Kharagauli bij een grote boerderij. De zoon wordt opgebeld, die blijkt in België te wonen en in het Nederlands vertelt hij mij dat ik mag kamperen waar ik wil. Ik krijg een fles wijn in de handen gedrukt, die ik wederom vriendelijk weiger. Te zwaar, leg ik uit, te veel om vanavond op te drinken. Naira (als ik het goed heb gehoord) begrijpt dat wel.
Vanuit Batumi wordt het verkeer snel minder hysterisch als ik van de grote weg afbuig en om de tunnels heenrijd. Door de heuvels maak ik mijn eerste tussenstop bij Ilya uit Belarus, op advies van Yankka. Hij besluit om me een brief mee te geven! De dag verloopt rustig, heuveltje op en heuveltje af, ik raak een beetje meer vertrouwd met Georgië, al haar honden, agressieve bestuurders en soms stugge, dan weer hele vriendelijke en vrolijke mensen. Vooral door kinderen word ik enthousiast begroet en ze grijpen de kans aan om hun Engels te oefenen. De dorpen worden gekenmerkt door gele of rode gasleidingen, die een meter of twee hoog langs de huizen lopen. In een dorp vraag ik of er een veilige kampeerplek is en ik word naar de school verwezen. Die heeft een grote tuin, waar een koe graast. Ik zet mijn kamp op naast de watertoren, maar dan... Ik wil net gaan slapen wanneer ik felle lichten dichterbij zie komen. Een man spreekt Georgisch, waar ik niets van versta. Hij steekt zijn telefoon naar binnen en daar lees ik een vertaling: "Ik ben Avtandil, de conciërge van deze school." Hij gebaart dat ik uit de tent moet komen. Word ik hier nu weggestuurd?
In de ochtend ben ik met Murat op pad die me meeneemt naar de fietsenmaker, nee beter: fietsprofessor. Hij haalt de gigaslag uit mijn wiel zodat ik voorlopig verder kan en helpt me met een nieuwe band. Dan wordt mijn telefoon onderzocht. "Don't bother repairing it," zegt de telefoonprofessor. Zeewater en elektronica bkijkt geen goede combinatie. Zonder telefoon, zonder geld, maar met paspoort fiets ik het kleine stukje naar Georgië, een andere wereld! Batumi blijkt een kosmopolitische metropool, waar je net als aan de Montenegrijnsd kust Russische en Oekraïense auto's gebroederlijk naast elkaar geparkeerd ziet staan. Via Couchsurfing word ik opgevangen door Yanka uit Kaliningrad, die tijdelijk in Batumi woont met haar zoon Ignat. "Ik kan hier bijna overal gewoon Russisch praten," zegt ze. Zelf spreekt ze goed Engels, ze is een wereldburger, liftte ooit door heel Europa, nu is dat allemaal wat ingewikkelder. Ze legt me uit hoe dat nu kan, al die gigantisch lange waslijnen in de stad. Speciale mannetjes hebben de taak om de waslijnen aan speciale masten te bevestigen, het is een dubbele waslijn, dus vanuit je balkon moet je dan aan het touw trekken, een kledingstuk eraan hangen, weer trekken, volgende kledingstuk, enzovoort. Ignat mag online onderwijs volgen, "dat mag bij ons gewoon." Ik mag zijn telefoon lenen om contact met mijn thuisfront op te nemen, weer toegang te krijgen tot mijn bank, etc. Yanka en Ignat hebben me gered!
De weg langs de kust blijft maar vlak en druk en brengt me langs de grote stad Trabzon, waar ik even halt houd om de moskee te bekijken. Een Kazachse toerist vraagt me om een foto van hem te maken en hij maakt er één van mij. In het dorp Kalecik staat een oud kasteel. "Waar kan ik hier kamperen?", vraag ik aan een groepje mannen. Één van hen neemt het op zich om me alles uit te leggen: "daar, naast het bord "verboden te kamperen", kun je kamperen," zegt hij, en er zijn hier zelfs toiletten, een café en een winkel. Luxe!
Door de steden Ordu en Giresun en langs de grote weg. Aan het einde van de dag fiets ik een rondje door Tirebolu op zoek naar een geschikte slaapplek. Uiteindelijk kom ik op het strand terecht, waar twee schooiende katjes mij gezelschap houden. Een onrustige nacht volgt omdat hier veel mensen voorbij komen.
Vanuit Dilaver's huis zet ik mijn reis voort fllangs de drukke, drukke autoweg richting Ordu. Aan het einde van de dag besluit ik de oude weg te nemen, helemaal langs de kust, over wat heuveltjes, maar wel lekker rustig. Daar vind ik een oude Griekse kerk vanwaaruit er een stuk land de zee in steekt, aan het einde staat een vuurtoren. Het is allemaal vernoemd naar Jason, uit de oude Griekse mythologie. Iets met draken en argonauten, hoe zat het ook alweer? Het is een bezienswaardigheid, overL groepjes mensen die foto's nemen of picknicken. Ik vraag in een winkeltje of ik hier mag kamperen en dat mag, ik krijg water voor in mijn thermoskan. Een klein viervoetertje houdt me gezelschap.
Gerze houdt me nog even gegijzeld: ik moet wachten totdat mijn kleren gedroogd zijn (de wasmachine wilde gisteren niet openen, dus ook mijn natte kleren waren gegijzeld). Mijn host Yalçin schrijft nog een brief naar het verre, verre oosten, naar een fietser die naar het Oosten vertrok op de fiets en nooit meer terugkwam. En dan is het gedaan met de bergen. Met de wind in de rug ga ik sneller dan ik de afgelopen weken kon, het lijkt wel of ik vlieg. Maar dan gaat het hard regenen en aan het einde van dr middag zoek ik mijn heil bij een tankstation, waar ik uiteraard eerst thee aangeboden krijg, een kans om eerst even lekker op te warmen in het kantoortje met de medewerkers.
Après une dernière journée marquée par un dénivelé extrême, je décide de faire une pause d'une journée. Je suis accueilli par Yalçin, professeur de philosophie, via warmshowers.org (une plateforme pour les cyclistes). Je peux me reposer ici pendant une journée, ce dont j'ai grand besoin. Ses trois chats m'accueillent avec beaucoup d'enthousiasme. Le soir, nous faisons une promenade jusqu'au port et Yalçin et son ami Müsjat me racontent tout sur le grand incendie qui a ravagé la ville et comment presque toutes les maisons en bois ont été détruites. Il ne reste aujourd'hui que quelques-unes de ces maisons fantômes.
Aujourd'hui, je peux parcourir un peu plus de kilomètres. Je continue à gravir beaucoup de dénivelé, mais les extrêmes appartiennent désormais au passé. En chemin, je m'arrête dans un petit restaurant. Le propriétaire a du mal à me laisser partir et colle fièrement un autocollant 6letters.com sur la vitrine de son établissement. En ce qui concerne la recherche d'un endroit où dormir, cette journée est atypique. À la fin de la journée, je demande à plusieurs personnes si je peux camper sur leur pelouse ou si elles connaissent un autre endroit, mais personne ne peut ou ne veut m'aider. Un automobiliste s'arrête, inquiet, au bord de la route : « Il fait déjà presque nuit, dit-il, où vas-tu dormir ? ». Je finis par me réfugier dans un buisson, il fait déjà nuit.
Mon pneu arrière est presque à plat, je dois donc m'arrêter dans un magasin de vélos dans la petite ville d'İnebolu. J'arrive juste à temps. Le réparateur de vélos Salih et son ami Saim m'accueillent chaleureusement et m'offrent du thé, comme c'est la coutume en Turquie. Lorsque la réparation est terminée, la nuit est déjà presque tombée et je décide de passer la nuit dans un hôtel.
Eigenlijk zou ik een dag rust houden in Cide maar vanwege een taal- en cultuurbarrière met mijn gastheer Murat besluit ik - desalniettemin dankvaar voor zijn gastvrijheid - verder te fietsen. De zwarte zeekust is hier zeer kalm met veel beklimmingen. Ik had de Alpen over kunnen fietsen, maar in plaats daarvan ben ik nog steeds aan de kust. Het regent en het is koud. Ik sla mijn kamp op aan de weg, waar nauwelijks auto's voorbij rijden. 'S avonds wordt het weer stormachtig en ik waait bijna uit mijn tent.
Ma journée commence sur une autoroute à quatre voies avec plusieurs tunnels, dont le plus long fait 2,5 kilomètres. Dans un tel tunnel, on entend soudain tout se répercuter, on sait que quelque chose arrive et on n'a plus qu'à espérer que la voiture ou le camion nous dépasse avec un peu d'espace. Puis la route s'arrête soudainement : au loin, j'aperçois un tunnel en construction. Pour l'instant, il faut encore passer sur une route calme et brumeuse. Elle est magnifiquement verte et offre une vue sur la côte rocheuse. On monte et on descend, on franchit un petit col jusqu'à un village côtier, on remonte la montagne et on redescend jusqu'au prochain village. Et ainsi de suite plusieurs fois. C'est ainsi que je me dirige lentement mais sûrement vers la ville de Cide, où, pour la première fois depuis longtemps, je suis hébergé par un autre cycliste : Murat. Je suis heureux de pouvoir me reposer un peu de toute cette escalade.
J'opte pour un parcours le long d'une rivière, un peu plus long mais aussi un peu plus plat, en passant par la ville de Bartın. Dans un restaurant local, on ne tarde pas à parler de moi. Tout le monde est invité à écouter l'histoire du Néerlandais qui s'est rendu en Malaisie à vélo. Je n'ai pas le droit de payer mon déjeuner, qui est aux frais de l'entreprise. La journée se termine à nouveau à la plage, dans un village qui grouille sans doute de baigneurs en été, mais qui est maintenant agréablement calme. La seule action vient de quelques chiens, qui essaient d'en faire quelque chose en aboyant un peu. Mais le camping n'est pas autorisé sur cette plage, et ce n'est pas prudent, prévient une dame : "La nuit, la mer arrive jusque dans la rue ! Je sonne à la porte d'un immeuble avec une grande pelouse pour demander si je peux y camper, mais M. Ahmet me répond par la négative : "la police ne me laissera pas faire". Il ouvre alors le café du coin - aujourd'hui fermé - et me propose d'y installer mon campement pour une nuit.
Aujourd'hui encore, il monte et descend et je décide de faire moins de kilomètres. Je m'arrête dans la ville côtière de Filyos. Je demande à un monsieur où je peux camper. "Partout", me dit-il, en me conseillant d'ignorer les panneaux d'interdiction de camper : "ils ne s'appliquent qu'en été". Cet homme au beau sourire s'avère être un ami du célèbre cycliste turc de longue distance Gürkan Genç ! M. Yavuz s'implique également. Il est retraité et fait la navette entre Wuppertal et ici. Nous parlons allemand et il m'indique le meilleur endroit pour camper, juste à côté de la mer, où je peux entendre les vagues s'écraser sur le sable.
Après avoir démantelé mon campement, j'ai repris la route. Cette étape est un peu plus plate, mais la journée se termine par une grande montée au "milieu de nulle part" entre Ereğli et Zonguldak. Le crépuscule commence à tomber et je cherche un endroit pour camper dans les buissons. Y aurait-il des ours ici ? Je ne les ai pas vus, mais je m'endors sous le doux tapotement de la pluie et le hurlement des coyotes.
La route qui longe la mer Noire est pleine de chiens. Des chiens gentils et d'autres qui le sont moins. Et plein de collines : une montée et une descente sans fin. J'aurais pu traverser les Alpes à vélo aujourd'hui si vous regardez mes altimètres, mais mon chemin a continué le long de la côte. En fin de journée, je cherche refuge dans une station-service, mais l'employé me fait comprendre que son patron ne le permet pas. Il me conseille un champ herbeux à proximité, mais il remplit d'abord ma bouteille d'eau et me donne un sac rempli de biscuits.
-
Plus que 70 km jusqu'à ma destination finale pour quelques jours : Istanbul, où je vais retrouver ma mère et ma bonne amie Lisa et me reposer quelques jours. Un monstre d'agglomération, que je traverse à vélo toute la journée, la route principale est trop agitée pour faire du vélo, mais ici il y a des rues partout, même parfois des rues tranquilles, les histoires d'horreur sur le vélo à Istanbul ne sont pas trop mauvaises pour moi. Mais voilà, sur un tronçon très fréquenté, je heurte un morceau de métal et je crève. Je passe des heures à bricoler le pneu extérieur, qui est très difficile à monter sur la roue, et je crève aussi la roue de secours. Je demande de l'aide à un garage. Orhan n'est pas seulement un médecin automobile, il connaît aussi les vélos et m'aide à reprendre la route. Lui et son collègue Habip ne me laissent pas partir sans déjeuner ni thé et Orhan me dit : si vous avez un problème, venez Orhan, si vous voulez du thé ou quelque chose à manger, vous savez où me trouver. Je remercie chaleureusement Orhan et Habip et m'enfonce dans la véritable agitation d'Istanbul.
Voulant aller le plus loin possible vers Istanbul, je fonce sur la route principale qui longe la mer agitée. Fatigué de la route principale, je décide de bifurquer, mais c'est une mauvaise décision : je m'enfonce dans l'argile profonde de ce qui aurait dû être une route goudronnée. La délicieuse soupe de lentilles d'un petit restaurant m'a redonné de l'énergie pour continuer encore un peu, maintenant au-dessus de l'asphalte. Je réserve une nuit dans un hôtel qui s'avère être situé sur l'autoroute, la seule façon d'y accéder étant de ramper à travers un portail puis de prendre la direction opposée sur la bande d'arrêt d'urgence. L'hôtel est immense, mais je suis le seul client, la douche est tellement sale que je décide de me laver dans le lavabo.
Je roule toute la journée le long de la route principale. Une fois que j'ai franchi la frontière turque - une étape importante ! - c'est très confortable : les routes principales sont équipées d'une bande d'arrêt d'urgence très large, une sorte de piste cyclable privée, car je ne vois pas d'autres cyclistes. Ici et là, je dois traverser la route pour dépasser un vieux tracteur. Trouver un endroit pour dormir n'est pas un problème ici : il suffit de demander si l'on peut camper dans une station-service. On me redirige vers l'ancienne salle de prière, car il va y avoir de l'orage ce soir. Et c'est le cas.
Dès que j'atteins la côte, je vois d'abord des flamants roses. Beaucoup de flamants roses ! À mi-chemin, les routes goudronnées s'arrêtent et je me retrouve sur un chemin de gravier, qui monte et descend à travers les oliveraies. Beaucoup de rochers de couleurs et de formes différentes. Ils ressemblent à des figures mythiques pétrifiées ; il semble que ce soit le chemin d'Ulysse. Puis j'entends un bruit assourdissant, des milliers d'oiseaux, une mer d'oiseaux. Je dois passer. Je ne vois personne ici, pas de voitures, je découvrirai plus tard pourquoi : une grande route est en train d'être construite ici, je me faufile difficilement autour des travaux. La magie de ce chemin de gravier aura bientôt disparu à jamais, le fantôme d'Ulysse et ces figures mythiques définitivement relégués dans l'imaginaire.
Je reste près de la côte, la température est agréable et les gens sympathiques. En fin de journée, dans le village de Koutso, je demande si je peux camper quelque part. On me répond : "Il y a trop de chiens ici". En un rien de temps, les gens appellent et on m'offre l'ancienne crèche, qui dispose d'un poêle et d'une civière, comme lieu d'hébergement temporaire. On me donne un sac de nourriture. Puis je vois que Spyros, le seul à parler anglais, a une petite fille. "J'ai une lettre pour vous", dis-je
Toute la journée, je traverse l'intérieur des terres et, en fin de journée, j'atteins à nouveau la côte, où je dors pour la première fois dans mon hamac en bord de mer.
Aujourd'hui, je livre à pied. En passant par le centre de Thessalonique, je longe la côte jusqu'à Kalamariá. Pas d'excès de vitesse pendant un moment et je me détends complètement en regardant la mer qui s'étend à perte de vue.
Je ne m'attendais pas à retrouver l'hiver si près de la côte. Je m'arrête un instant près des chutes d'Edessa pour admirer l'impressionnant paysage hivernal. Un couple me propose de passer la nuit chez eux pour m'éviter de marcher dans la neige, mais je leur réponds : « Je vais y arriver ». À chaque kilomètre parcouru vers la côte, la température augmente légèrement et la couche de neige s'amenuise.
Je passe la frontière grecque, une nouvelle étape franchie. Je franchis un col élevé en direction de Florina (1 500 m) et descends en grelottant de froid. La Grèce m'accueille avec des chiens, beaucoup de chiens. Dans le village de Peraía, le crépuscule commence déjà à tomber lorsque je demande si je peux camper quelque part. « Il va neiger cette nuit », m' répond-on, et on m'indique une simple cabane où je serai au moins au sec. Qui pourrait bien dormir ici en temps normal ?
« Faleminderit, faleminderit ! », je crie à plusieurs reprises en direction de Qaní et Esma pour leur exprimer ma gratitude, tandis que je grimpe la montagne à vélo, en direction de l'est. Le vent souffle toujours à force 4, en plein visage. Parfois, la montagne me protège, mais à d'autres moments, je dois affronter à la fois la gravité et le vent. Je n'arrive pas tout à fait à atteindre la Grèce et je m'arrête dans un hôtel à la frontière, derrière le panneau « douane ». La nuit, je suis parfois réveillé par le système de sonorisation qui donne des instructions inaudibles.
Après avoir dit au revoir à Eduart et à ses colocataires, je suis aujourd'hui gâté par encore plus d'hospitalité albanaise et des vues spectaculaires. Il n'y a qu'une autoroute qui traverse la vallée entre Tirana et Elbasan, les cyclistes doivent donc passer par un col élevé. Cela semble être une punition, mais les vues et la compagnie compensent largement. Je suis dépassé par un groupe de cyclistes, ils me motivent avec leurs encouragements et la différence de vitesse n'est pas si grande. Je reçois donc beaucoup de compliments de la part de ces collègues cyclistes. « Strong man », me disent-ils. Une dizaine de minutes plus tard, je tombe sur l'arrière-garde, Claude (si j'ai bien entendu) et son ami dont j'ai oublié le nom, mais qui connaît ma ville natale, Valkenburg ! « J'étais là-bas pour une course amateur, nous avons gravi le Cauberg à 40 km/h ! C'était une autre époque... ». Ils m'invitent à prendre un café, m'offrent de nombreux sourires et me donnent toutes sortes de conseils. Avec les sommets enneigés en arrière-plan, les maillots de cyclistes trempés de sueur sèchent près du feu avant la descente. Ils retournent à Tirana, tandis que mon voyage me mène vers Elbasan. Après la descente, le terrain est relativement plat, puis je suis la rivière Devoll en direction de la Grèce. Le long de la rivière, cela semble plat, mais ce n'est pas le cas. La route monte et descend et le vent souffle en force 4 directement dans mon visage. Hier, à Tirana, il faisait encore 18 degrés, ici, il fait presque zéro. Je demande à un monsieur si je peux camper parmi ses oliviers. Il secoue la tête avec détermination. Je m'apprête à repartir quand il me montre sa maison. Il s'appelle Qanì et sa femme Esma. Nous ne nous comprenons pas, ou parfois un peu. Les enfants sont déjà partis, je suis leur fils pour une soirée et une matinée.
Sur les routes secondaires qui traversent la vallée : toujours entouré de montagnes et d'animaux, beaucoup d'animaux : chèvres, moutons, vaches, poules, chiens et chats. Puis à travers les banlieues sauvages de Tirana jusqu'au centre-ville, où je suis accueilli par Eduart via Couchsurfing. Le garage est inondé, nous transportons donc le vélo sur le balcon qui offre une vue magnifique sur la ville.
-
-
Je dois franchir de nombreuses collines avant d'atteindre enfin la côte, avec ses vues magnifiques et son climat doux. Après tout cet hiver, j'ai l'impression d'être en été. Je suis accueillie par Felicitas, qui souhaite créer dans son village de Trsteno une communauté où chaque personne déplacée peut se sentir chez elle. « Vous pouvez fuir votre village, mais vous l'emportez partout avec vous ». C'est ainsi qu'elle emporte toujours avec elle ses années de jeunesse en Allemagne, même si elle se sentait encore plus chez elle en Espagne. C'est alors qu'elle a réalisé qu'elle venait en fait du plus beau village du monde. Au milieu du village, situé sur une colline au bord de la mer, se dresse un platane gigantesque. « Il nous relie tous, ses racines atteignent littéralement chaque maison ».
À chaque kilomètre que je descends vers Mostar, la couche de neige s'amenuise et, à environ 20 kilomètres de Jablanica, il ne reste plus aucune trace de l'hiver. Le soleil brille comme toujours autour de Mostar et je peux à nouveau quitter la route principale. Dans cette région, de nombreux souvenirs de la guerre sont encore intacts.
Je grimpe lentement le long de la rivière Vrbas, qui se pare de multiples nuances de bleu. Je franchis ensuite un col en direction de Prozor, puis redescends vers Jablanica, en Herzégovine, où tout devient de plus en plus croate, comme en témoignent notamment les cimetières catholiques et la bière en vente.
Alors que d'habitude, je fais tout pour éviter les routes principales, je fais aujourd'hui le contraire : ce sont les seules routes encore praticables avec ces températures (-12 ce matin) et toute la neige qui recouvre le sol. Les automobilistes sont généralement aimables et prudents, à l'exception de quelques chauffeurs de camion. J'ai réservé une nuit dans la ville historique de Jajce, apparemment au point culminant de la ville, accessible uniquement par des escaliers ou une route très raide recouverte d'une épaisse couche de neige. Je ne peux atteindre la maison qu'à pied et je dois me rabattre sur une autre adresse, car je m'imagine déjà glisser dans les escaliers le lendemain matin dans le froid glacial. Bien que la Bosnie soit réputée pour son hospitalité et la gentillesse de ses habitants, la vie se déroule désormais principalement à l'intérieur et, en tant que cycliste de passage, je ne suis qu'un intrus.
La Bosnie est un pays où coexistent différents mondes. Dans un village, on trouve le drapeau tricolore serbe et on vient de fêter Noël orthodoxe. Dans un autre village, l'appel à la prière résonne dans les champs. Les opinions divergent sur l'histoire et l'ordre mondial actuel...
En raison du froid glacial, je roule rapidement sur des routes déneigées. Mais à 20 km de la Bosnie, cela prend fin et nous devons rouler prudemment et lentement sur la neige et la glace. De l'autre côté de la frontière, on célèbre encore Noël orthodoxe.
Selon les prévisions météorologiques, il devrait neiger légèrement, mais en réalité, je vois la couche de neige s'épaissir de plus en plus. À la fin de la journée, des glaçons pendent à mes cils et à mes sourcils.
Le bleu de la rivière Sava est impossible à photographier, il faut le voir de ses propres yeux. Aujourd'hui, je l'accompagne en aval, en direction de Zagreb. Il neige.
De la côte « chaude » à l'intérieur des terres plus frais, en passant à nouveau par Trieste. Le cyclisme est plus relaxant de l'autre côté de la frontière, où l'on tient davantage compte des cyclistes.
La journée commence par un temps frais, mais le soleil fait son apparition. Un début d'année 2026 sans complication.
En direction de Venise le jour de la Saint-Sylvestre, sous des nuages cotonneux et parfois un soleil timide. Au loin, on aperçoit à nouveau les Alpes. Toutes les rivières que j'ai traversées auparavant se rejoignent ici : le Pô, la Brenta, le Reno, l'Adige. Le paysage est si plat qu'il rappelle parfois les Pays-Bas.
J'ai eu le droit de camper sur le terrain d'un monsieur. Quand je le remercie le lendemain matin, il me répond : « Non, c'est moi qui te remercie ». Son petit chien remue joyeusement la queue à mes pieds. Puis il aperçoit quelque chose, se précipite sur la route, est presque renversé par une voiture et disparaît de mon champ de vision. Je fais un dernier signe de la main à l'homme et je pars. Je suis fatigué, j'ai peu dormi à cause d'une douleur intense au pied et j'ai décidé d'aller chez le médecin. Mon vélo doit d'ailleurs aussi aller chez le médecin. Puis je revois le petit chien tacheté de brun et de blanc qui gambade. Il tient quelque chose, quelque chose qui est presque plus grand que lui. Un coq blanc avec une grande crête rouge, qui se débat encore. Le gentil petit chien qui remue la queue s'avère être un meurtrier. Le chien me regarde d'un air coupable, puis se faufile sous une clôture, sa proie dans la gueule. Il y a quelques instants, je m'inquiétais encore sérieusement pour mon voyage, mon corps. « En tout cas, je ne suis pas ce coq », me dis-je. À Taglio del Po et Porto Viro, on me renvoie d'un service à l'autre et finalement, on m'envoie à l'hôpital. Je dois me reposer, porter des chaussures plus souples et on me fait une piqûre contre la douleur sans trop discuter : pantalon baissé, piqûre dans les fesses et c'est parti !
Tout comme Andreina, c'est mon corps qui dicte désormais le rythme. Il faut que je ralentisse.
Et puis tout à coup, tout est plat...
J'ai dormi dans l'église en attendant une lettre d'Andreina, mais une jeune fille m'informe qu'Andreina ne peut pas venir, qu'elle est désolée, qu'elle ne peut pas non plus écrire de lettre, car elle a dû se rendre à l'hôpital. Je comprends. « La santé passe avant tout », dis-je, et je monte sur mon vélo, sans lettre. Je défie une nouvelle fois les Apennins. Au sommet du col, un homme crie : « copre le mani » (« couvre tes mains ! »). Je descends la montagne sur un chemin non goudronné magnifique, mais très difficile, tout aussi lentement. Il fait déjà nuit lorsque je demande de l'aide à deux dames dans le hameau de Gualdo. Elles m'indiquent un parking près de la rivière où je peux camper et appellent le propriétaire. La dame âgée rentre chez elle et ressort avec une couverture pour la tente, une bouteille de vin et une bouteille d'eau.
Après avoir pris congé de Stefano, Daniela et Mirtillo, qui m'ont hébergé pour une nuit et m'ont gâté avec toutes sortes de délices, je me rends à vélo à une église où l'on travaille à la réalisation d'une grande mosaïque. Je dois y remettre une lettre.
Dans cette région, on tombe sans cesse sur de magnifiques bâtiments, villages et villes. Alors que je reprends la route à vélo en Toscane, accompagnée par le soleil, je suis à nouveau entourée de cette beauté typique de la Toscane : des collines et des oliviers.
De la Toscane à l'Ombrie sous la pluie. Alors que je traverse le col à vélo, je vois l'eau ruisseler sans effort. C'est ce qui rend l'être humain si spécial : il fait partie de la nature, mais il peut parfois décider de défier la gravité. C'est Noël et je livre une lettre. « Tu es un elfe ! », s'exclame Chiara, et avant même de m'en rendre compte, je me retrouve à jouer au Monopoly.
-
-
C'est une journée chaude (pour l'hiver). Lorsque le soleil brille de tous ses feux, je roule à vélo, les bras nus, le long des Apennins en direction de Florence. Là, je m'émerveille devant toute la richesse que la ville a à offrir. Je trouve la vraie beauté dans les petites ruelles désertes, où je vois un homme transporter un tuyau d'incendie et où j'aperçois un vieil homme dans son atelier, qui sculpte de magnifiques ornements sur un cadre en bois.
Je m'enfonce dans les Apennins, mais aucune vue imprenable ne m'attend au sommet de la montagne. Il y a de la brume et, de l'autre côté, la Toscane m'attend avec de la pluie.
Je roule de plus en plus souvent sur des routes ordinaires à travers la campagne plate, certaines parties de mon itinéraire me conduisant sur des chemins de gravier le long des digues. On se croirait aux Pays-Bas. Je traverse la ville de Modène à vélo, toujours en direction du sud, vers ma prochaine lettre.
La vallée de l'Adige serpente vers le bas. Je descends, mais parfois je dois aussi gravir des pentes raides, contourner quelque chose, suivre les méandres de la rivière, puis j'arrive dans un décor fantomatique, une ancienne voie ferrée traversant un village, quelques dizaines de mètres plus haut, un chien aboie d'une voix rauque, un pont s'étend au-dessus de moi. Puis : un tunnel abandonné, les restes d'un feu de camp et deux bouteilles vides de Jägermeister. Je m'avance prudemment dans le tunnel. Une chauve-souris passe en volant, au loin j'entends une goutte tomber, dans le vide. Je regarde dans l'obscurité et ne vois rien. J'allume ma lampe de poche et m'avance un peu dans le tunnel. Rien. J'essaie d'éclairer un trou noir, mais la lumière est absorbée. Soudain, une grande peur s'empare de moi. J'ai l'impression que l'obscurité va m'engloutir. Peu importe le détour, peu importe que mon GPS veuille me faire passer par ce tunnel : hors de question.
Entre les vignobles et les vergers de la vallée de l'Adige, je descends vers Trente où je loge chez Valeria, que j'ai rencontrée autrefois au Guatemala.
À travers la vallée, le long de la strada del vino, il fait froid, mais le soleil me réchauffe lorsque je me trouve du bon côté de la vallée.
Une journée courte, un peu de repos après avoir traversé les Alpes. À Bolzano, les montagnes sont partout, mais l'ambiance est complètement différente de celle d'Innsbruck. C'est ici que le nord et le sud se rencontrent, et au loin, une issue se profile : vers les plaines à travers la vallée de l'Adige.
Hier, le passage du col de Scharnitz ne s'est pas déroulé sans encombre. Aujourd'hui, lentement mais sûrement, je traverse d'abord Innsbruck, puis emprunte l'ancienne voie romaine en direction du col du Brenner. Sur l'autoroute, je vois les camions coincés dans les embouteillages. Des jouets. Je suis entouré de sommets enneigés. Je parcours les derniers kilomètres du col entre les voitures, puis j'arrive dans le Tyrol du Sud italien.
Je roule rapidement vers les Alpes. J'ai l'impression de rouler contre un mur, mais dès que je tourne au coin, je me retrouve au milieu des rochers. Très vite, il y a de la neige partout et je dois rouler en glissant et dérapant dans une vallée étroite et magique. Les pistes cyclables sont désormais des pistes de ski de fond. Je décide de poursuivre mon voyage sur les routes goudronnées. Soudain, j'entends quelque chose de gros qui souffle dans mon cou. Puis un klaxon retentit. Le bus qui passe à toute vitesse me frôle. Quelques instants plus tard, le bus s'arrête et j'interpelle le chauffeur : « Les pistes cyclables existent pour une bonne raison ! », crie l'homme, qui n'aime apparemment pas beaucoup les cyclistes. « Ce n'est pas une raison pour jouer avec ma vie ! Avez-vous seulement un permis de conduire ? », lui crié-je en retour. Les routes autrichiennes ne sont déjà pas très accueillantes pour les cyclistes en hiver. L'hiver n'est pas fait pour les cyclistes ici, mais je n'ai pas mes skis avec moi. Sur la grande route, après une longue descente, se trouve soudain un grand panneau rouge avec un vélo dessus. L'alternative est un chemin forestier escarpé, qui me prendrait des heures.
Je vais chercher et distribuer des lettres à Munich, puis je retourne chez mes hôtes Annette et Erich, au bord du lac Wörthsee. Je découvre Munich de l'intérieur : pas le centre-ville, ni les attractions touristiques, mais les salons et les cuisines où grandissent les enfants. Partout, on m'offre un cadeau, peut-être que le cycliste solitaire leur inspire de la compassion. Hilma m'offre des pierres précieuses et des étoiles, Odiseas m'offre un Père Noël en chocolat et Leo, qui aime le travail du bois, m'offre un petit paquet orné d'un grand nœud : « À n'ouvrir qu'à Noël ! », me dit-il d'un ton sérieux.
De Steinebach, il n'y a plus qu'un petit bout de chemin jusqu'à Munich, où je poste deux lettres et envoie des cartes postales à la maison (par courrier « normal »).
Je reprends la route vers la Bavière et les Alpes se rapprochent de plus en plus. Ces rochers géants mythiques m'accompagnent tout au long du chemin. J'attends le retour de Katrin à Herrsching am Ammersee tout en profitant d'un coucher de soleil magique.
Avec un détour par Ulm, un petit bout de chemin à travers la Bavière, puis de nouveau dans la Souabe, où des Kasespätzle m'attendent à mon adresse d'hébergement. Et là-bas, au loin, les Alpes me font déjà de l'œil.
À travers la vallée du Danube, en direction d'Ulm. Une journée avec peu de voitures et peu de monde, mais un pneu crevé.
À chaque mètre que je grimpe, il fait plus froid. À un moment donné, j'aperçois des taches blanches dans la verdure. La forêt noire devient de plus en plus blanche. Dans un champ, je vois un renard roux se faufiler dans la neige. Comme toujours, la Forêt-Noire est mystérieuse et s'enveloppe de brume. Au point culminant de la journée, je patauge dans environ 30 cm de neige.
La vallée du Rhin m'emmène plus au sud et les montagnes de la Forêt-Noire apparaissent à l'horizon.
À travers les plaines, le long du Rhin, direction la France. Mais en Alsace, les noms de lieux restent allemands. Je vais rendre visite à mes bons amis Roberto et Hélène, pour reprendre mon souffle.
Depuis les montagnes de l'Odenwald, à travers la vallée du Neckar, en passant par le centre historique de Heidelberg jusqu'à la vallée du Rhin, près de la frontière française.
Loin de l'agitation des grandes villes riveraines, je m'enfonce dans les montagnes de l'Odenwald.
De lettre en lettre
Avec une lettre de grand-père et grand-mère à Yanosh et retour.
En déblayant la neige, je poursuis ma route vers Francfort, où je vais enfin remettre ma prochaine lettre.
Lorsque je traverse le centre-ville de Bamberg tôt le matin à vélo en direction de Karlstad, le thermomètre affiche -12 °C. Mais le soleil brille et la glace craque sous mes roues.
À Hof, je séjourne chez Helen, qui parle swahili et qui a des amis partout dans le monde. Chez les voisins, je retrouve un petit coin d'Inde en Bavière. Puis, le voyage se poursuit vers Bamberg, classée au patrimoine mondial de l'Unesco, un croisement entre Venise et Strasbourg.
Après une courte halte dans le centre de Karlovy Vary, où j'ai bu l'eau curative. Pas très bonne, mais bonne pour la santé. Et Petr m'a donné un conseil : ne pas trop en boire, sinon on attrape la diarrhée. Dans les montagnes, à la frontière entre la République tchèque et l'Allemagne, il y a de la neige. Je suis en Bavière !
Après avoir sillonné les montagnes tchèques, j'arrive chez Petr, dans la station thermale de Karlovy Vary. Il parle peu anglais, nous communiquons donc avec les mains et les pieds et à l'aide d'outils technologiques.
À la frontière entre la Pologne et la République tchèque, je séjourne chez Iga, qui organise une séance photo avec moi avant mon départ. Dans les montagnes, j'aperçois les premières neiges. Au bord du lac Milada, l'accueil est moins chaleureux. Une autre tente est déjà installée sur un emplacement de camping public. Dans la tente, j'entends une femme pleurer et un homme élever la voix. « Bonjour ? », dis-je, sans obtenir de réponse. Ils se taisent maintenant, comme si j'allais disparaître tout seul. Quand ils m'entendent déballer mes affaires, ils se mettent à crier. Est-ce qu'ils s'adressent à moi ? Se crient-ils dessus ? Je ne les comprends pas. Puis, soudain, la tente s'ouvre et un chien de berger se jette sur moi. Son maître, assis à l'entrée de la tente, le rappelle. Il me crie dessus, je ne le comprends pas. Je ne suis pas le bienvenu ici. Je prends mes affaires et je pars.
Cyril et Pawel m'accompagnent pour la première fois. Ils ont déjà fait ensemble le trajet jusqu'à Naples et l'envie leur reprend. Ils me donnent des conseils dans tous les domaines : itinéraires, sécurité, achats au supermarché. En Pologne, l'hôte est roi.
Le long du château de Zatonie, par des sentiers secondaires avec des chevaux, puis à nouveau le long de la grande route avec des voitures qui frôlent les cyclistes. À Szprotawa, Pawel, Martina et Cyril m'attendent avec du vin fait maison et des jeux.
Le long de la voie ferrée. Ai-je le droit de traverser ce pont et ce passage à niveau ? Les trains de marchandises annoncent en tout cas leur arrivée. Dans les bois, les chemins sont parfois sablonneux, ils aspirent mes roues, ce qui m'empêche parfois d'avancer. Les chemins polonais semblent vouloir me dire : « Pas si vite, reste encore un peu, pourquoi es-tu si pressé ? »
Une fois sorti de la ville, je traverse des forêts infinies en direction de la Pologne. Sur le pont frontalier qui enjambe l'Oder, des voitures font la queue pour passer les contrôles douaniers. Je peux continuer à rouler.
Apporter des lettres à Klaus Peter à Berlin-Ouest, puis passer sous la porte de Brandebourg pour aller chez Marja à Berlin-Est.
En route vers Berlin, sans incident particulier. Les moments forts de la journée ont été : 1) un homme qui, les bras écartés, observait fièrement son broyeur d'arbres réduire un sapin de Noël en copeaux 2) des sangliers dans un quartier résidentiel de Berlin Spandau . Je n'ai pris aucune photo, car j'étais trop occupé à regarder.
À travers le brouillard, le long de l'Elbe, passant devant les tours de guet qui gardaient autrefois la frontière entre l'Est et l'Ouest, j'atteins la pittoresque ville de Havelberg, où l'Elbe et la Havel se croisent. J'ai obtenu la permission de camper dans le jardin de Vera, mais elle n'est même pas chez elle.
Autour de Hambourg, sur les pavés de la pittoresque ville de Lauenburg, jusqu'à l'ancienne frontière entre l'Est et l'Ouest, au bord de l'Elbe. À la tombée de la nuit, je sonne à la porte d'une ferme. Un monsieur très âgé m'ouvre, une poche de stomie à la main. Je lui demande si je peux camper ici, mais il préfère que je ne le fasse pas. J'ai eu plus de chance chez Ulrike... Il fait froid, tu ne préfères pas t'installer sur le canapé ? Sa maison est remplie d'objets africains. Nous discutons longtemps, du monde, des liens qui nous unissent et de la façon dont cet endroit était autrefois divisé. Il était interdit de venir dans ce village, sauf si l'on y possédait une maison. « Êtes-vous vous-même originaire d'Allemagne de l'Est ? », lui demandé-je. « Non, et je pense que c'est pour cela que l'on me regarde différemment, mais je n'en suis pas certaine. » Elle ajoute que cette séparation entre l'Est et l'Ouest a tout de même donné naissance à quelque chose de beau : le corridor vert, une nature magnifique qui s'est développée en l'absence d'êtres humains dans la zone frontalière.
De la métropole de Hambourg à la paisible région du Schleswig-Holstein. Je livre tranquillement deux lettres.
De calme et verdoyant à agité et bruyant. Je traverse la métropole de Hambourg à vélo pour livrer des lettres, roulant pendant des heures dans cette jungle urbaine.
Loin de toute civilisation, aucune possibilité de se ravitailler. Je demande de l'eau à un homme occupé à souffler les feuilles. « Où allez-vous ? » Sa femme raccroche immédiatement le téléphone pour écouter mon histoire. Avec un kilo et demi de plus, je reprends ma route vers le bout du monde. Quand je me retourne, ils sont encore là à me faire signe.
Repos après la Ruhr. Les collines en direction de la forêt de Teutoburg, qui se pare actuellement de magnifiques couleurs rouges et jaunes.
Momo werkt in het souvenirwinkeltje van de White Horse Pagoda. Ik kijk wat rond en mijn oog valt op een klein boekje. "Boeddhistische teksten vertaald door Kumarajiva (aan wie deze tempel en pagoda zijn opgedragen). Veel mensen nemen zo'n boekje mee om ze te beschermen. Ik ben direct verkocht en besluit zo'n boekje mee te nemen voor mijn collectie talismannen die me tot nu toe veilig hebben gehouden. Wanneer ik het boekje wil afrekenen, zegt Momo dat het een geschenk van haar is. Inmiddels heb ik haar al verteld over mijn reis en mijn missie.
Ze zegt: "je inspireert me. Soms heb ik het gevoel dat ik vastzit in mijn dagelijks leven. Door jouw komst, besef ik me ineens dat er vanalles nodig is. Heb je wel eens van Yuanfen gehoord?"
Ze legt me uit over dat Chinese begrip, dat er kort op neerkomt dat er soms ontmoetingen zijn, die "meant to be" zijn, dat je een vreemdeling ontmoet, waarvan je helemaal niet het idee hebt dat diegene een vreemdeling is.
En ineens herinner ik de brief van Rusadan uit Stepantsminda, die niemand in het oosten kende, maar me een brief meegaf voor een collega die ze nog niet kende. "Yuanfen", denk ik. Wat zou de Nederlandse vertaling zijn? Voorbestemd?
Ik spreek met Momo af dat ik haar voor mijn vertrek uit Dunhuang de brief van Rusadan zal komen brengen en vraag haar of zij ook een brief wil schrijven. Vrolijk stemt ze in. "Yuanfen!", zeggen we in koor.
De volgende ochtend verschijnt ze in een prachtige jurk. Ze lijkt wel een ander persoon. Haar brief steekt in een orachtig versierde envelop. Ik ben ontroerd door haar oog voor detail. "Voor wie is de brief?", vraag ik. "Oh, voor iemand zoals ik. Of voor jouzelf."
Ik ben een beetje teleurgesteld, omdat ik had gehoopt op een brief aan een specifiek iemand. Dan besef ik me: deze brief is een ode aan Yuanfen. Het is ok. Wanneer het moment komt, zal ik weten aan wie ik haar moet geven. En zo heeft Momo ook mij geïnspireerd, me herinnerd aan die andere belangrijke opdracht: het onbekende te omarmen, met een open en nieuwsgierige blik de wereld in te treden en ontvankelijk te zijn voor wat de wereld, het moment me te bieden heeft.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Guang en Rainer zijn te voet onderweg. Rainer wandelt van Portugal naar Singapore, zijn vrouw Guang vergezelt hem soms, en reist dan weer terug voor zaken.
Ik ontmoet ze in het grensdorp Taykashiken en Rainer vrraagt me of ik ook een brief voor hen kan meenemen. Dat doe ik natuurlijk graag.
De brief gaat naar Xiuxia, met wie Guang - technisch ingenieur - in contact kwam tijdens haar werk bij Siemens. Ze hielden altijd contact en vinden dit een mooie gelegenheid om die verbinding te verstevigen.
Met veel goede moed, en veel licht (Guang) op zak, fiets ik richting zuiden.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Ik herinner me ineens dat Tom zei: misschien kun je mijn brief aan de eerste Franstalige persoon geven die je ontmoet, waarop ik aandrong: "het is beter als het naar een specifieke plek gaat."
Ik had van Tom niet op tijd een brief gekregen, dus we spraken af dat hij iets zou sturen en dat ik het op zou schrijven. Dat bericht ontvang ik nu, terwijl ik samen met Jean een vegetarische Lagman (gebakken noedels) eet. Ik besef me dat ik alles weer eens teveel wil sturen. Die brief, dat bericht is voor Jean, die hier voor me zit.
Jean ziet er een beetje hippie-achtig uit en hij heeft een Palestijnse vlag achterop zijn fiets. Zodra hij begint te praten houdt hij niet snel op, dan volgen er al snel redelijk specifieke details. Over hoe je bijvoorbeeld lrecies korting kunt krijgen met een bepaalde Chinese app en over exotische fruitsoorten in Zuidoost Azië. Het gaat me af en toe een beetje te snel, maar ik heb het idee dat Jean dat ok vindt.
IIn één van die specifieke verhalen vertelt hij over het werken in de fruitoogst in Australië en hoe daar binnen de korste keren je gezicht vol vliegen zit, die je proberen op te eten, ja zelfs in je ogen proberen te kruipen. En over alle mensen die hij daar ontmoette, zoals Jin Dang uit Hong Kong.
"Wil je haar een brief schrijven?", vraag ik. "Nee," zegt Jean resoluut, ik wil haar een tekening sturen die ik heb gemaakt. Jean is een grafittikunstenaar en tekent onderweg in een klein boekje. Het zijn net ansichtkaarten. Achterop schrijft hij een lief bericht aan Jin Dang, vertelt hij me. Over hoe ze elkaar ooit weer zullen ontmoeten en dat hij na vier jaar rondzwerven weer op weg is naar huis, maar dat hij alles tussen Australië en huis met eigen ogen wil zien en daarom op de fiets is.
"Je moet zeker naar de Charyn Canyon gaan," zegt hij, daar krijg je geen spijt van. Ik ben geïnspireerd door Jean, omdat ik het idee heb dat hij de weg écht als doel op zich ziet, terwijl ik de weg soms ervaar als noodzakelijk kwaad tussen ontmoetingen. Daarom herinnert hij zich al die détails misschien, omdat hij echt kijkt. "Toerist" is geen scheldwoord, zeg ik tegen mezelf en ik besluit om op de Charyn Canyon af te koersen, ook al maak ik dan wat minder kilometers dan ik vantevoren had bedacht.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
I got a very special visit from bicycle mechanic Azamat from Tashkent, Uzbekistan. He knocked on my hotel door at 4:30 in the morning after almost 12 hours of travel through stormy weather, hitchhiking and taking shared taxis. How did that happen?
The first time I saw Azamat is about two weeks ago when I came to his bike shop "Davi Pedali" in Tashkent to get some repairs done. I immediately felt comfortable and safe when I spoke with him: he's patient, polite and very professional. A couple of days later In received a message: "something has gone wrong, but we'll solve the problem, don't worry". When I met Azamat it wasn't the bicycle I was worried about, but him. He showed me what happened: a quite serious accident! (You can see it on YouTube: https://youtube.com/shorts/Qidu9svOcqk?si=Ntyww63_cqeb8b_c). I was so happy my bicycle took all the damage instead of Azamat.
They quickly repaired everything and left my bike as new, new front wheel, new paint on the fork.
Two weeks later, about 400km and a lot of height meters from Tashkent, already in Kyrgyzstan, I start to feel something strange while paddling. I think it might be the pedal that's worn and keep going. But it seems to get worse, so I stop. It turns out there's a very specific part missing in the crank, and this has also caused the bolts to loosen. I tighten them, but the specific part is still missing.
I start texting with Azamat who says I should carry on without putting much pressure on the crank. I explain to him that it's nearly impossible, because I have to cross several mountain passes.
Then he tries to figure out if he can send a courier, but this is very expensive.
Then he texts: "I have a solution!", and he offers to come by himself to install the part. I am extremely surprised, but also grateful for this generous offer and extreme dedication that might just have saved my 100% human-powered journey.
I decide to write him a letter with words out of the heart to thank him.
To which he replied:
"Dear Jordi,
Thank you for your letter — I read it with great respect and genuine emotion.
What you are doing is not just a journey, it is a powerful message to the world. You are proving something many people have forgotten: that kindness still exists, that strangers can become friends, and that humanity is stronger than distance, borders, or language.
For me, helping you was natural. In our culture, a guest is not just a visitor — he is someone we respect and take care of. People here may not have everything, but they give from the heart — and I am proud you experienced that.
But I must say honestly: meeting you gave me more than I gave you. You are doing something meaningful, and I believe your project will touch many people.
I wish you a safe road, strong legs, no breakdowns, and many good people ahead."
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Tom is een Franstalige Zwitser die als leraar Frans werkt in Tashkent. Hij vangt ook reizigers op, en zo leer ik hem kennen. Ik moet direct denken aan de brief uit Kazachstan, die ik nog bij me draag "aan een collega in een ander land".
Dinara heeft zachtaardige woorden geschreven aan haar collega en die breng ik graag over aan Tom, die bij momenten wat gedesillusioneerd is over de beperkingen van het schoolsysteem waarin hij moet opereren.
Ik heb de indruk dat hij een vrije ziel is: "ik doe graag wat ik wil, wanneer ik dat wil." Een keurslijf is dan moeilijk te accepteren.
"Maar," zeg ik tegen hem, "de invloed die een leraar op een leerling kan hebben, zit hem soms in een klein moment. Één eye-opener die soms een levensloop kan veranderen." Ik gun hem dat hij ziet dat alles wat een leraar een student kan aanreiken om een empatisch en nieuwsgierig mens te worden of blijven, waardevol is. Dat zijn werk ertoe doet.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Een halfjaar later kom ik dan eindelijk in Tashkent aan, om Anton een brief te bezorgen van Vanessa. Ze raakten bevriend in de gevangenis, waar ze samen ik de schoonmaak werkten. Nu wonen ze ver van elkaar, maar ze houden nog steeds zo nu en dan contact.
Ze kennen allebei de kracht van brieven, dat leer je wel in de gevangenis.
Anton en zijn partner Anastasia wonen in een klein appartement in een woonwijk van Tashkent, vlak aan de metro en dichtbij hun ouders. "Dat is belangrijk, want de gezondheidszorg is hier niet zoals in België"
Anton en ik spreken Nederlands met elkaar. Zijn moedertaal is Russisch, en hoewel hij een Oezbeek is, spreekt hij geen Oezbeeks. Hij is, net als ongeveer 10% van de bevolking een etnische Rus. "Bijna iedereen spreekt hier Russisch, maar de laatste jaren zijn informatieborden steeds vaker allen nog maar Oezbeeks en Engels"
Anton is een zeer goede gastheer, die me onderdak aanbiedt en eten. Hij neemt me mee op een toer door de stad op de fiets. Dat ik absoluut geen openbaar vervoer wil nemen, snapt hij volgens mij niet zo goed, maar hij vindt het leuk om zelf weer eens op de fiets te stappen.
Een brief verder naar het oosten heeft hij niet. "Ik ken daar niemand, hoogstens hier in Tashkent. Ik ga nergens anders naartoe, alleen soms naar de bergen. Zelfs niet naar Kazachstan, ook al is het erg dichtbij. Waarom zou ik? Hier is alles wat ik nodig heb". Hij denkt even na: "ik zou wel graag een brief naar België willen sturen, naar een vriend in de gevangenis, die komt er voorlopig niet uit. Zou je die voor me willen meenemen, wanneer je uiteindelijk weer teruggaat?"
Over zijn tijd in de gevangenis wil hij niet veel kwijt. "Dat ligt achter me. Het enige wat ik je kan vertellen is dat op het moment dat je die gevangenis binnenstapt, je geen mens meer bent. Je hebt geen rechten meer. Het systeem is niet eerlijk en niemand die er wat van zegt of er iets aan doet. Je kunt je niet voorstellen wat voor dingen daar gebeuren. Cipiers mogen de cel 's avonds niet openmaken, ook niet als iemand dood aan het gaan is. Zo werd een Oekraïense vriend van mij 's ochtends dood aangetroffen. Het enige wat hij nodig had was een simpel medicijn. Maarja, bezuinigingen."
Van België bezoeken is voorlopig geen sprake. Nu is Anton bezig om zich hier te vestigen. Samen met zijn vrouw heeft hij een groter appartement gekocht. Het moet nog helemaal worden opgeknapt. Over drie maanden hopen we erin te kunnen gaan.
Anton is een goed en zachtaardig mens en ik ben dankbaar dat ik hem heb ontmoet.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Ik ben in Kyzylorda en word in deze stad opgevangen door Nurbol: hij heeft me een soort van geadopteerd. Hij is 45 en werkt voor een oliemaatschappij. Zijn familie heeft een horeca-imperium, waaronder dit restaurant, een karaokebar, een discotheek en een hotel: mijn verblijfplaats voor 3 dagen. Even genieten van de luxes die een stad te bieden heeft. Even geen noedelsoep en gedroogde vruchten als diner. En elke avond karaoke! We hebben samen “Space Oddity” van David Bowie leren zingen: nog best een ingewikkeld lied! Nurbol zei vaenigszins melancholisch dat hij het zou blijven zingen en dan aan mij zou denken.
Ik besluit Nura een brief te geven van Murat uit Cide in Turkije, hij wilde graag iemand uit Kazachstan leren kennen. En: Nurbol studeerde op een Turkse school en spreekt dus vloeiend Turks. Nurbol schrijft Murat direct op WhatsApp en ze sturen elkaar video's. "Dat gaat toch wat sneller."
Ik word uitgenodigd op de verjaardag van zijn zoon Nura, hij wordt 16. Als verjaardagscadeau geef ik hem een geldbriefje, maar ook een brief. Ik wens de jonge Nura succes op zijn levenspad en gaf hem nog wat wijze lessen mee, zoals dat je je dromen zoveel mogelijk moet verwezenlijken en dat je eens in je leven een lange fietstocht moet maken om te leren om simpel te leven. Nura is een goede jongen, dat zie je meteen. Nadat hij mijn cadeau ontvangt, gaat hij direct in een hoekje zitten om deze te vertalen en komt dan geëmotioneerd terug. Hij zei dat hij bij het lezen voelde, dat ik vanuit het hart schreef en dat hij daarvoor dankbaar is. Hij zei dat hij de brief voor altijd zal bewaren en legde zijn hand op het hart. Ik wil niet dramatisch doen, maar dit raakte mij dan weer in het hart. Dit is geen onverschillige tiener, maar een goed mens in wording, die in de gaten heeft dat de woorden die ik hem gaf een groter geschenk waren dan het geld. Het geeft me hoop voor de toekomst, dat de jongeren van nu affectie in een brief kunnen herkennen en de waarde ervan inzien.
Het doet me denken aan de jongeren die ik ontmoette in het dorpje Oranzherei, in Rusland. Ook in dat dorp werd ik geadopteerd als eregast. De schoolklas spijbelde om me een rondleiding door hun dorpje te geven. Ze gaven me een brief mee met een tekening vol hartjes en een Matroesjka-pop.
Nu ik Nura zo zie glunderen met zijn verjaardagsbrief. Denk ik aan die andere jongeren, aan de andere kant van de grens en ik hoop met heel mijn hart dat die niet naar de oorlog hoeven.
Nurbol vertelde me dat hij als kind in de Sovjettijd nooit eigen kleren had, maar altijd de afdankertjes van zijn broer moest gebruiken. Hij liep rond in veel te grote schoenen, of soms dan maar liever zonder. Als ze brood hadden, hadden ze geluk. Op een gegeven moment kregen ze een koe, en dat betekende brood met boter, een grote luxe! Nu heeft de familie een horeca-imperium en krijgt Nura een iPhone als verjaardagscadeau. Kazachstan is booming als olieland. Voor Nura ligt de weg open om zijn dromen te verwezenlijken.
Maar, bedenk ik me nu, hoe zit dat met die andere jongeren, inmiddels alweer zo’n 2000 km hier vandaan? Toch geeft de jonge Nura mij hoop en kracht om mijn reis voort te zetten. Om dit toneelstuk tot het einde, of zover ik kom, uit te fietsen. Misschien was de pure dankbaarheid van Nura een grotere les voor mij, dan de les ik hem heb kunnen geven.
Nurbol geeft me een brief mee voor Feihu, die hij ook ontmoette als Couchsurfer en nu een vriend is.
Terwijl ik Kyzylorda uitfiets, zie ik ineens een bekend gezicht, het is Nurbol! Hij draait het raampje van zijn auto open en ik hoor "Ground Control to Major Tom. Commencing countdown, engines on". Het is als in een droom. "The anthem of our friendship", roept Nurbol met een glimlach van oor tot oor. Dan komt er een toeterende auto voorbij, die ons dramatisch afscheidsmoment als obstakel beschouwt. Onze wegen scheiden en ik ga op weg naar Feihu, waar ik misschien nog meer vriendschap vind.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Svetlana leidt me rond in de oudste Boeddhistische tempel van Kalmukkië. Het is een bescheiden tempel.
VVanaf het moment dat haar rondleiding begint gaat ze "aan", ze begint met praten en houdt niet meer op. Aangezien ik nauwelijks Russisch versta, pik ik maar een paar dingen op. Ik besluit het los te laten.
Pas op de momenten dat ze mij iets vraagt, sta ik een beetje met mijn mond vol tanden. Ik vertel haar dat het Boeddhisme me interesseert en ze leert me hoe te bidden.
Ze geeft me een aantal geschenken mee, die ik niet wil seigeren: een zaad van de lotusbloem, een sleutelhanger, twee zakjes Kalmukse thee en een kaarsenhouder in de vorm van een lotus. Tot slot krijg ik ook nog twee appels en wat snoepjes mee, die aan de Boeddha gegeven waren. "Van de Boeddha voor jou," gebaart Svetlana.
Die kaarsenhouder is wel erg groot en breekbaar om op de fiets mee te nemen. Dan bedenk ik dat het een soort brief is, een boodschap van vrede en schoonheid en ik besluit haar aan iemand te bezorgen.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Kseniya besloot spontaan om me onderdak aan te bieden toen ze me aan een kopje thee aantrof in de winkel. Ik zag direct: zij is een goed mens, zij zal me helpen, en ik voelde me kalm.
Kseniya is een leraar op de lokale school. Een mooi beroep, beaamt ze, maar het zou ook fijn zijn als er een eerlijk salaris tegenover stond. Het salaris van een leraar geeft niet veel ruimte voor uitstapjes. "Toch ben ik blij voor jou, dat je deze reis mag maken. Het is mijn droom om eens een reis naar het Baikalmeer te maken."
Ze vertelt dat ze nog niet veel van Rusland heeft gezien, "Maar ondanks het feit dat we hier in the middle of nowhere wonen, houd ik van mijn land met heel mijn hart".
De enige keer dat ze Moskou en Sint Petersburg bezocht was dat om met haar dochter Sonya naar het ziekenhuis te gaan. Ze had kanker. Wonder boven wonder is ze genezen en daarvoor is ze erg dankbaar: "het heeft mijn leven veranderd. Ik ben dichter bij God gekomen. Ik ben nu dankbaar voor elk moment dat we samen hebben. En daarom, toen ik jou zag, wist ik gelijk: ik wil hem helpen"
Ik vertel Kseniya dat ik haar dankbaar ben voor haar werk, dat ze de volwassenen van de toekomst menselijkheid en empathie meegeeft. En ik ben haar ook dankbaar voor de hulp die ze mij biedt en ik vraag me af waar ik zoveel vriendelijkheid aan heb verdiend.
Sonya is tijdens mijn twee dagen in het dorp een gids, die vertaalt en me zachtjes aan mijn arm trekt om me de goede kant op te sturen. Ze is sterk én zachtaardig zoals haar moeder. Als er iemand een lang en gezond leven verdient, is zijn het.
Omdat ik geen brieven gericht aan Rusland bij me droeg, besluit ik zelf een brief te schrijven, met daarbij de Lotus kaarsenhouder uit Kalmukkië. Zo worden deze voorbeelden van empathie, menselijkheid en gastvrijheid onderdeel van deze wereldwijde keten van verbinding.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Een norse man zit aan een bureau bij de ingang. Poortjes verhinderen de vrije doorgang. Ik toon de man mijn telefoon, met de vertaling van de reden dat ik hier ben. Hij kijkt vragend naar de vrouwen achter hem. Leerkrachten! Ze beginnen zich nu rondom de bewaker te verzamelen. "Vanuit Nederland gefietst? Een brief voor ons, er staat geen naam op. De naam van de school klopt niet. Wat doe je in Kazachstan? Gefietst? Vanuit Nederland en een keten van brieven vanuit België. Is het nu België of Nederland? Met de fiets? Hoe lang doe je daarover? Vijf maanden? Vijf maanden! Hij heeft er vijf maanden over gefietst. Maar hoezo een brief aan ons. Onze namen staan er helemaal niet op. En hun namen ook niet. Oh jawel, hier staat een naam en een Instagram. Even checken. Oh ja, dat klopt, die komt uit Georgië. En wat moeten wij dan nu doen? Ja, het is vakantie nu, er zijn geen leerlingen, dus dat gaat niet. Nee sorry, het is vakantie. Wat was jouw naam? Waar kom je vandaan? De naam van de school klopt niet. Er staat Middle School, het moet high school zijn"
Uiteindelijk spreek ik met Engels docent Dinara en vraag haar of iemand een brief kan schrijven om de keten voort te zetten. We hebben digitaal contact en ze is erg enthousiast over het idee en besluit een brief te schrijven aan een collega die ze nog niet kent...
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Ik doe er veel langer over dan ik denk naar de school door de sneeuw. Onderweg valt mijn mond open van de schoonheid die ik om me heen zie. "Misschien," denk ik, "is dit wel de mooiste plek waar ik ooit geweest ben."
Ik loop dwars door de sneeuw het schoolplein over, de majestueuze pieken van het Kaukasusgebergte omringen me. Hoe zou het zijn om hier naar school te gaan.
De jongeren blijven er koeltjes bij. Ze gedragen zich zoals alle jongeren op alle scholen en staan niet zoals ik uit het raam te gapen. Je went waarschijnlijk overal aan.
Ik vraag naar de Engels docent en al snel heb ik haar te pakken. Ik leg haar uit wat de bedoeling is en ze wil daar wel aan meedenken. "Misschien kun je een brief meegeven voor een volgende bestemming," zeg ik, "ik fiets nu de grens over naar Rusland en dan-"
"Ik stuur geen brief naar Rusland," zegt ze gedecideerd. De bel gaat. "Ik moet nu werken," zegt ze, "kom anders maar mee".
En voor ik het weet sta ik mijn project uit te leggen aan een schoolklas en kan het niet laten om af en toe naar biren te staren, naar die prachtige bergen. Ik zeg: "hoe is het eigenlijk om op zo'n mooie plek te wonen?". En jongen met gemillimeterd haar en een guitige lach zegt droogjes: "geld is geen probleem voor ons, we kunnen bijverdienen door toeristen rond te leiden".
Er ontstaat een idee om de brief samen te schrijven. Iedereen schrijft een zin. Ze besluiten de brief te richten aan een school in Atyrau, Kazachstan.
De lieve leerlingen stellen nog wat nieuwsgierige vragen: "waar slaap je als het koud is" en "wat doe je als je de taal niet begrijpt, spreek je wel een beetje Russisch?"
Dan is het tijd om aan het werk te gaan. Zij in het Engels, remidden van de bergen en dan 's middags nof wat toeristen rondleiden. Ik op de fiets, de bergen weer uit, richting die andere wereld hier vlakbij: Rusland.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
In mijn postzak had ik al sinds München een brief van Kornel, die me een nacht onderdak aanbood, ik nam hem mee als extra brief en toen Beka me geen brief meegaf, had ik meteen de oplossing: Rusadan kan misschien de keten voortzetten.
Kornel wilde haar met zijn brief bedanken voor haar hulp tijdens eens reis aan het prachtige Kazbegi en de brief is gericht aan het toerisme infocentrum. Ik tref Rusadan niet, maar haar collega Giga, die me bekend voorkwam.
Och ja, nu zie ik het, hij is de zoon van de eigenaar van het pension waar ik verblijf. Ik vraag hem ook waar ik de achool kan vinden, want daar moet ik ook een brief bezorgen. "Ik neem je morgen wel mee, mijn tante werkt daar," zegt hij. "Wat een toeval allemaal! Wat is de wereld toch klein", roep ik uit. "Nee hoor," antwoordt Giga droog, "Stepantsminda is gewoon klein."
Ik ontmoet Rusadan niet persoonlijk, maar ze zorgt dat er de volgende dag een brief ligt in het infocentrum. Via digitale weg laat ze me weten: "ik ontmoet door mijn werk heel veel mensen, van over de hele wereld, maar ik verlies ze weer uit het oog, ze laten nooit hun adres achter. Daarom geef ik je een brief mee aan een collega van me, ergens op je route."
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Bingo! Ik vraag een meisje of ze Engels spreekt en dat doet ze. "Kun je me helpen om de lerares Mako te vinden?"
Even later staat Mako in de hal van de school waar ik overal Duitse en Europese vlaggen zie. Maar zij spreekt niet veel Engels. Ze vraagt haar leerlingen om te helpen en al snel staat er een groepje vriendelijke jongeren om me heen die erg nieuwsgierig zijn naar mijn reis en allemaal zeer goed Engels spreken. Eén meisje heeft een Navo-speld op haar blouse.
"Natuurlijk willen we je helpen," zegt ze, "maar we hebben niet veel tijd, de les begint zo". Mako wordt snel ingelicht en ze besluit de keten voort te zetten met weer een brief aan een school, die ze snel, maar met aandacht schrijft, ze likt de envelop dicht en drukt haar in mijn handen. "Veel succes!", zegt ze en gaat met haar jongeren naar het aardrijkskundelokaal.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Op de envelop staat niet Beka's adres, maar zijn telefoonnummer geschreven. Ik stuur hem een bericht en we spreken een tijd af. Hij komt naar mijn pension en gelukkig spreekt hij goed Engels. Ik vertel Giga over mijn missie en mijn reis en hij is direct enthousiast. "Ik fiets zelf ook," en hij toont me een foto van zijn mountainbike. "Niet zo ver als jij," lacht hij, "waar ga je nu naartoe?". Ik vertel hem mijn voorlopige route. "De noordelijke Kaukasus!", roept hij enthousiast, "het is prachtig daar. Ik was er zelf ook, maar niet op de fiets". Wanneer ik hem vraag om een volgende brief, aarzelt hij een beetje. Ik geloof dat hij niet goed snapt wat de bedoeling hiervan precies is. "Misschien schrijf ik morgen een brief," zegt hij, "maar nu moet ik door!". Ik krijg geen brief, maar misschien kan ik deze keten nog ergens repareren?
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Stiekem was Inga al op de hoogte van mijn komst. Ze krijgt een brief van Anke, de nicht van haar schoonzoon, die ze eens kort ontmoette in Borjomi. Ze bedankt haar voor haar gastvrijheid toen en verontschuldigt zich dat ze toen niet langer kon blijven. De Georgische gastvrijheid valt mij nu ook ten deel. De tafel wordt al snel volgezet met allerhande lekkernijen. Zelfgebrouwen likeur erbij, natuurlijk. Giga, haar zoon, voert het woord in het Engels, want dat spreekt Inga helemaal niet. Ik wordt uitgenodigd om hier te logeren! Ik leg uit over mijn project, over ketens van verbinding en over een voogende brief, maar Inga twijfelt een beetje. Ik heb de indruk dat ze het nut er niet zo van inziet. Giga heeft in de gaten dat het belangrijk voor me is en gastvrij als hij is, tref ik hen 's ochtends, nog in het donker met een zaklamp aan de tafel aan. Geconcentreerd schrijft hij een brief aan zijn vriend Beka in Gori. "We hebben elkaar leren kennen via de studie. Gori is een mooie plek," zegt hij. "Bedankt dat je me ernaartoe stuurt". Met een grote rode strik in haar haar staat zijn dochter me uit te zwaaien aan het keukenraam, terwijl ik op weg naar Gori.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Op advies van Yanka, mijn Couchsurfing gastvrouw in Batumi ga ik op weg naar Borjomi langs bij Ilya uit Belarus. Hij is hier een vegetarische en alcoholvrije community gestart in de heuvels, net buiten de stad. Ik tref hem aan, terwijl hij een waterleiding aan het repareren is. Hij wist al dat ik langs zou komen. "Ik weet niet of ik je de aandacht kan geven die je verdient," zegt hij, "dit probleem moet worden opgelost". Maar even later zitten we aan de thee met pannenkoekennvan gisteren en gedroogde vruchten (ik krijg er nog mee voor onderweg). Ilya vertelt me over zijn omzwervingen door Azië en zijn werk in de techsector. Hij lijkt me helemaal niet zo'n tech type, maar hij schijnt er ook nog een tijd voor in China te hebben gewoond. Ik denk ineens aan een verbroken keten die strandde in Zagreb en hoe ik een andere keten "repareerde". Ik besluit Ilya te vragen om de keten die bij Igor in Zagreb strandde weer nieuw leven in de blazen. "Graag, maar ik moet wel weer verder met die waterleiding. Het gaat er niet om wát er in staat toch?." Snel krabbelt hij wat op een papier waar "Bank of aGeorgia" op staat. "Het moet naar China, zegt hij, nee Vietnam! Of nee, misschien toch... Ik laat het je nog wel weten!"
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
In de storm aan de Zwarte Zee ben ik mijn telefoon kwijtgeraakt en zo kom ik volledig analoog op "Gimnazia 21at century" uit om de brief van Evren, aardrijkskundeleraar aan het Grieks Lyceum in Istanbul te bezorgen. Om bij haar uit te komen is zonder vertaalapp nog wel lastig. Ik probeer het met handen en boeten en een enkel woordje Russisch, maar hoe leg je deze missie met beperkte middelen uit. In het Nederlands is het soms al knap lastig. De conciërge (denk ik) besluit een lerares te bellen die Engels kan. Zo gaat het makkelijker. Vanaf nu zal ze haar voor elk woordje dat vertaald moet worden. Na het tiende telefoontje lijkt ze het een beetje beu, maar al met al ben ik toch via de gangen van de school - langs nieuwsgierige leerlingen - door de lerarenkamer, waar Russische dames van middelbare leeftijd mij uitgebreid bespreken, zonder dat ik er een woord van versta - en dan weer via de trap terug naar beneden, naar buiten, een hoek om, een gangetje in, wachten voor een deur, allerlei mensen die zich er in het Georgisch mee bemoeien en tadaaa: daar is ze dan: Rusadan. Ze is wat overweldigd, alsof ze net de loterij heeft gewonnen. Maar na een zoveelste interventie van de Engels sprekende lerares - de conciërge is er nog steeds bij - spreken Rusadan en ik in een mengelmoesje van Engels en Russisch spreken we af: maandagochtend om negen uur. Da. Harasho. "Madloba," dankjewel is het eerste woordje Georgisch dat ik hier leer. Op maandagochtend duwt Rusadan mij een "six letters" postkaart in de hand. Die had ik haar geschonken, maar zij begreep dat ze die moest gebruiken. Prima! Ze heeft besloten binnen de krijg van aardrijkskundeleraren te blijven en stuurt een kaart naar de "Public School no. 21". Ze kent de leraar niet, maar, "Evren kende mij toch ook niet?". Het lijkt erop dat deze keten is getransformeerd tot een keten die mensen in het onderwijs met elkaar verbindt. Het is niet zoals ik het had bedacht, maar is organisch zo ontstaan en dat is eigenlijk best wel mooi.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Yalçin is een filosofieleraar die na een lange werkdag graag een borreltje drinkt met Müsjat, leraar boekhoudkunde. Ze maken graag een wandeling naar de haven van Gerze, blijven dan onderweg even stilstaan bij het oude huis van Yalçin, een historisch spookhuis dat op instorten staat en nu alleen nog bewoond door wat zwerfkatten. Ik vergezel ze op zo'n wandeling. "Het is hier zo slecht nog niet hè?", mijmeren ze op de kade, terwijl ze het glinsterende spiegelbeeld van het stadje in de Zwarte Zee bestuderen. Maar dan komen er toch nog wel wat klachten, over de politiek, te luide luidsprekers van moskeeën en de gezondheidszorg. Yalçin biedt mij twee nachten onderdak via het fietsersplatform Warmshowers. "Er komen hier meestal mensen voorbij die op een lange reis zijn, zoals jij, van Europa naar China of viceversa. Één keer heb ik een man op bezoek gehad die naar Thailand is gefietst en daar vervolgens is blijven wonen! Hij woont er geloof ik nog! Ja! Hij was een boeddhist en we hebben veel gesprekken gehad over mijn filosofie, die volgens hem veel te theoretisch is. Daar hebben we interessante gesprekken over gevoerdz het zet me nog steeds aan het denken." Ik roep spontaan: "Wil je hem geen brief sturen?". Dat wil hij wel. "In Griekenland is er een keten verbroken, misschien kunnen we hem repareren," zeg ik, "misschien kun jij de keten voortzetten namens Marina". Het is nu de ochtend voor mijn vertrek en een beetje ongeduldig zit ik in zijn keuken aan tafel te wachten. In de hoek zit één van zijn zes katten ons wat schaapachtig aan te kijken, een andere kat ligt nietsvermoedend te spinnen op een comfortabele stoel. Ik wil weg, maar maan mezelf tot kalmte. Wat is nu een half uurtje op een aantal maanden fietsen? Die attitude lijkt Yalçin van zichzelf al te hebben: rustig draait hij zijn pen in zijn hand, voelt wat aan zijn baart, wikt en weegt zorgvoldig over de formulering van zijn volgende zij: w hebben hier ten slotte te maken met een filosoof.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Murat vangt fietsers op via het fietsnetwerk Warmshowers. Samen met Nuran heeft hij een zoon die de prachtige naam Everest draagt. Ik besluit hem de brief van Tulsi en Oliver te geven. Hij begint direct een brief terug te schrijven die naar het dichtstbijzijnde postkantoor zal worden gebracht. "Misschien," zegt Murat enthousiast, "worden ze wel vrienden voor het leven." Everest doet er een tijdje over om de brief te schrijven, waardoor er wat stress ontstaat, Murat is kritisch op zijn schrijfvaardigheid en er worden schoolschriftjes bijgehaald om te kijken of hij wel goed genoeg studeert. Ik voel me schuldig, omdat ik niet wil dat de brieven stress en druk veroorzaken. Aanvankelijk leek het erop dat Murat en Nuran contacten hadden aan de Zwarte Zee kust, maar dat blijkt toch niet zo te zijn. Daarom besluit Murat een brief en een onbekende te schrijven. "Niet aan Georgië of Rusland," zegt Murat, "Ik wil dat je de brief bezorgd in Kazachstan daar zou ik wel iemand willen leren kennen, daar zou ik wel een kop koffie mee willen drinken, dus ik doe $2 in de brief om diegene te trakteren op een kop koffie." Ik begin erg te twijfelen aan deze keten. Gaat dit nog over verbinding en affectie? Toch besluit ik de brief te accepteren en maar te kijken wat het brengt.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Melina me regarde d'un air un peu sévère lorsque je lui parle de mon projet et de la lettre que Vaggelis lui a envoyée. Elle fronce les sourcils. « Nous sommes en vacances actuellement, et cela doit être discuté avec le recteur. » Elle me donne une adresse e-mail à laquelle je dois envoyer ma demande officielle. « Ajoutez-y autant d'informations que possible. Comme votre site web et d'autres références, car comment pouvons-nous savoir que vous êtes bien qui vous prétendez être ? ». Je reste sans réponse à cette question. Le lundi suivant, je réessaie, car je n'ai jamais reçu de réponse à l'e-mail du recteur. Un flot d'élèves entre, le grec et le turc se mélangent dans le hall majestueux du lycée grec. « Es-tu grecque ? », demandé-je à Melina. « Oui », répond-elle, « mais je ne viens pas de Grèce. » Les Grecs d'Istanbul sont un vestige de la partition de la Turquie et de la Grèce il y a une centaine d'années. Les musulmans de la région de Xanthi, où je me trouvais encore il y a quelques jours, ont été autorisés à rester, tout comme les chrétiens grecs d'Istanbul. Tous les autres ont été contraints de déménager vers leur nouvelle patrie. « Le recteur dit que c'est bon, mais que devons-nous faire maintenant ? ». Je réponds que j'ai besoin d'une lettre de suivi. Le professeur de géographie Evren est appelé à la rescousse. « Tu as faim ? », me demande-t-il, et pendant le déjeuner, je lui parle des lettres et lui demande s'il en a une pour moi. « Donne-moi une heure », me dit-il. Une heure plus tard, il me tend une enveloppe. L'adresse est la suivante...
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Spyros est en visite à Koutso, sa compagne est originaire d'ici, ils viennent laisser leur petite fille Ino chez ses grands-parents. Spyros est la seule personne du village que je trouve qui parle anglais, alors je m'accroche à lui et lui demande de m'aider à trouver un endroit où dormir. Rapidement, des coups de fil sont passés, on me donne un sac de nourriture et l'ancienne crèche devient mon lieu de couchage pour la nuit. Je me souviens que Gabriel m'a confié une lettre destinée à un enfant en Grèce et je réalise que le moment est venu. Je dois maintenant me dépêcher de suivre à vélo un monsieur en voiture pour rejoindre mon lieu de séjour. J'espère qu'Ino écrira une lettre à Gabriel et la mettra à la poste !
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Après avoir sonné trois fois, je m'apprête à partir, presque déçu, lorsque Marina ouvre la porte. « Ah, c'est toi », dit-elle d'un ton enjoué. Ilja lui avait déjà dit que je passerais. « Quelle bonne idée, j'adore ce genre de choses ». Marina est serbe et vit désormais le rêve grec. Après cinq ans, elle parle couramment le grec, raconte-t-elle fièrement. Elle aimerait finalement travailler dans le tourisme, mais pour l'instant, elle a un emploi qui lui plaît beaucoup. Elle est responsable de la décoration des magasins d'une chaîne de mode ! Elle ne peut pas écrire de lettre à l'Est. « Désolée, nous sommes pratiquement à la fin de l'Europe ici, je ne connais vraiment personne d'autre à partir d'ici. » Et c'est ainsi que cette chaîne, qui a commencé à Valkenburg, se termine ici, à Thessalonique.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Je rencontre Vaggelis dans le studio branché Loopo, où lui, architecte, et sa compagne Maita, graphiste, ont leur bureau. Vaggelis a généralement l'air sérieux, mais parfois, un léger sourire apparaît sur son visage. « Quelle bonne idée », dit-il. Mais il ne connaît personne dans l'Est. Même si la Turquie est toute proche, c'est un autre monde. Il a des contacts ailleurs en Grèce, en Europe, mais pas en Turquie, pas même à Istanbul... Et pourtant, les Grecs et les Turcs vivaient autrefois pêle-mêle, ici aussi, à Thessalonique. « Mais je vais y réfléchir, peut-être que quelque chose me viendra à l'esprit », dit-il. Je repasse plus tard dans l'après-midi, mais rien ne lui est venu à l'esprit. « Désolé ». Il m'explique qu'il a contacté tous ses contacts, mais qu'il n'a trouvé personne dans l'est. « Ça peut aussi être quelqu'un d'ici, qui connaît quelqu'un d'autre plus loin », lui dis-je. « Mais alors, je dois savoir qui connaît quelqu'un de loin, et je ne le sais pas. » Je fais une dernière tentative le lendemain matin et je vois Vaggelis debout, une lettre à la main. Mon cœur bondit de joie. « Ne te réjouis pas trop vite », dit-il, « je ne sais pas si cette lettre te sera utile. » Il a réfléchi à ce qui pourrait être son contact le plus proche avec l'Orient, mais il ne connaît pas le destinataire, car la lettre est adressée à un institut. « Bien sûr que je vais livrer cette lettre », dis-je. Si quelqu'un fait tant d'efforts pour trouver un lien avec l'Orient, si quelqu'un tente d'établir un contact, je me dois d'être celle qui l'encourage et qui rend cela possible !
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Je vais chez le coiffeur à Tivat et regarde Sandra d'un air un peu déçu dans le miroir. Elle commence alors à me demander qui je suis et ce que je fais. Je lui raconte toute l'histoire, à propos des lettres, que je suis en route vers le bout du monde et que je viens de livrer une lettre, mais que je n'en ai pas reçu d'autre. « À qui deviez-vous livrer cette lettre, si je peux me permettre ? », me demande-t-elle. « À Pina ». Elle sait immédiatement de qui je parle, c'est une célébrité locale. « Peut-être que mon fils Ilja pourra vous aider », me dit-elle, « si cela est compatible avec les règles de votre projet ». J'y réfléchis un instant. Pourquoi pas ? me dis-je. Elle connaît Pina et elle connaît son fils, la chaîne continue de fonctionner de contact en contact. N'est-ce pas formidable qu'une visite chez le coiffeur déclenche une nouvelle étape dans la chaîne ? Voilà déjà Ilja, il est impressionné par mon voyage, par mon projet, et il aimerait envoyer une lettre à sa tante Marina, qui vit à Thessalonique. Ils ne se sont pas vus depuis des années. « La famille de son père », explique Sandra.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Pina est très surprise, elle parle très peu anglais. Elle me remercie. Elle a l'air malade, j'espère que ce n'est que temporaire. Sa mère m'a fait entrer et m'a préparé une limonade. Alors que Pina lit la lettre, son visage pâle et fatigué s'illumine, un sourire apparaît. Cela me rappelle l'océan scintillant et toutes les nuances de bleu que l'on peut voir le long de la côte adriatique. La mère de Pina observe également sa fille avec un sourire inquiet et plein d'espoir sur son visage ridé. Elle a l'air d'une mère : inquiète, encourageante, débordante d'amour. Je me demande si ma mère me regarde de la même façon, même si je suis maintenant un homme adulte, pédalant seul vers le bout du monde. Pina me remercie à nouveau, relit la lettre, puis me regarde dans les yeux, et je retrouve ce regard. Ce regard scintillant comme l'océan. Mais elle ne sait pas à qui écrire la prochaine lettre. La Serbie, la Slovénie, la Bosnie, bien sûr, mais l'Albanie ? La Grèce ? Je ne connais personne là-bas. Il y a peut-être encore un moyen de sauver cette chaîne.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Au cours d'une conversation téléphonique avec Andreina, qui voulait écrire une lettre à Igor mais qui a dû se rendre à l'hôpital de manière imprévue, je décide de lui écrire moi-même une lettre. Igor est un artiste mosaïste et aidait Andreina dans cette tâche interminable : l'achèvement de « Il Mosaico di Andreina ». En route vers Igor, depuis la Slovénie, après avoir passé la frontière avec la Croatie, il commence à neiger de plus en plus fort. Des glaçons pendent à mes sourcils lorsque je sonne chez Igor. Impossible de se tromper : je vois des mosaïques. Un jeune homme en t-shirt arrive dans la neige, le froid ne semble pas le déranger et il ne semble pas non plus impressionné par mon look de bonhomme de neige. « Êtes-vous Igor ? », lui demandé-je. Il s'avère que c'est son fils. Igor est encore en route, bloqué dans la neige depuis la côte. Il prend la lettre et je lui explique ce que je fais. Je décide de laisser mon numéro de téléphone afin qu'Igor puisse m'appeler pour convenir d'un rendez-vous. J'ai prévu un jour et demi pour attendre que les pires intempéries passent à Zagreb. Igor ne me contacte pas. La chaîne s'arrête ici. Apparemment, vu d'Aix-la-Chapelle, le bout du monde se trouve à Zagreb.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
« Puis-je prendre une photo pour le site web ? ». Alenka, la lettre d'Andreas à la main, semble surprise. « Sans maquillage ? ». Ce n'est pas possible, alors nous optons pour une photo où l'on ne voit que ses mains aux ongles magnifiques. « Puis-je camper ici, parmi les oliviers ? », demandé-je. Ce n'est pas possible non plus. Alenka et son compagnon Alex font tout leur possible pour rendre mon séjour ici aussi agréable que possible. Ils me louent un petit appartement qui est actuellement vide, et une fois sur place, ils m'offrent une délicieuse pizza et me donnent de nombreux conseils de voyage. Contrairement à la plupart des gens, Alenka comprend immédiatement ce que j'ai en tête avec ce projet. C'est peut-être grâce aux méditations pour la paix : un autre projet axé sur la connexion. Elle me donne une lettre à remettre au Monténégro. Elle est destinée à un collègue musicien qui ne fait pas partie du réseau de méditation. « C'est une femme très spéciale qui, avec beaucoup de persévérance, a créé une excellente école de musique. Il y a des années, j'y ai donné des cours. Nous ne nous sommes pas revus depuis 15 ans. C'est une belle façon de reprendre contact. » « Tu participes aussi aux méditations ? », je demande à Alex. Il secoue la tête avec détermination. « Dans une relation, il faut apprendre à s'accepter mutuellement, à communiquer et surtout à lâcher prise », dit Alenka avec sagesse.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Quand j'entre dans l'église, Andreina est en train de faire visiter les lieux. Ici, on ne travaille pas seulement sur une mosaïque, on organise aussi des visites guidées, des messes, des cours d'art, des projets sociaux. Andreina est la figure centrale et je me demande rapidement comment elle arrive à mener tout cela de front. Je lui pose la question et elle se tient le dos, l'air souffrant. « Je ne sais pas non plus », répond-elle avec un sens du drame certain. « Je pourrais te poser la même question », dit-elle, « faire du vélo tous les jours, dans le froid, sous la pluie. Je suis déjà fatiguée rien que d'y penser ! ». En accord avec le prêtre, je peux passer la nuit dans l'église et je peux aussi manger avec eux. Andreina insiste pour me préparer le dîner et le petit-déjeuner, même si je lui dis que je peux très bien m'en occuper moi-même : Andreina aime prendre des responsabilités, mais elle se tient parfois le dos. Pendant les heures où je suis là, un cours de musique est donné, plusieurs visites guidées sont organisées et un drame se déroule. « Il arrive parfois que des gens avec beaucoup de problèmes viennent ici ». Au milieu de tout ce chaos, le petit chien Fagiolo (qui signifie « haricot » en italien) aboie sans arrêt ; ce n'est certainement pas un havre de paix ici. Andreina va écrire une lettre, car elle s'est également engagée dans mon projet. « Tu es un ange ! » Mais le lendemain matin, je ne la trouve pas pour lui remettre sa lettre à Igor en Croatie. Elle a dû se rendre à l'hôpital pour son dos. « Ton corps te dit que tu dois faire une pause », lui dis-je, « la santé passe avant tout ». Et je me le suis dit à moi-même aussi.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
J'arrive le jour de Noël et, avant même de m'en rendre compte, je me retrouve à jouer au Monopoly. « Tu es un lutin de Noël », s'exclame Chiara avec enthousiasme. Cette famille internationale chaleureuse, où l'italien et l'anglais se mélangent sans effort, m'offre même l'hospitalité. Les enfants parlent couramment anglais avec un joli accent italien. Lorsque je leur parle de mon projet, Ray, le Canadien, a besoin d'un moment pour comprendre. « Est-ce que je rêve ? ». Oliver prend immédiatement un atlas et se met à l'étudier avec application, comme si une nouvelle lettre allait lui parvenir s'il regardait la carte assez attentivement. La petite Tulsi prend du papier et des crayons pour faire un joli dessin. La famille se creuse la tête pour trouver des lettres qu'ils pourraient écrire. L'Australie ? Le Canada ? L'Angleterre ? Ils ne connaissent que des gens qui vivent dans des endroits où l'on ne peut pas se rendre à vélo. Je parle aux enfants des lettres d'enfants à des enfants que j'emporte avec moi. « On ne pourrait pas continuer la chaîne ? », demande Oliver avant de se mettre à écrire. « Où dois-je la remettre ? », lui demandé-je. « À l'étranger, en tout cas », répond-il.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
« Tu peux rester ici aussi longtemps que tu veux », me dit Toni dès que j'ai terminé la descente ridiculement raide qui mène à sa maison. Il vit dans un petit paradis toscan, avec une rivière, une vue imprenable, des oliviers... Tout ce que l'on imagine de la Toscane se trouve autour de sa maison. Toni a reçu une lettre d'Andreas à Aix-la-Chapelle. « Comment vous êtes-vous rencontrés ? », lui ai-je demandé. « C'est l'Afrique qui nous a réunis », m'a-t-il répondu avant de me parler de son amour pour l'Afrique, des personnes qu'il y a rencontrées, de ce qu'il y a construit et de cette fois où il a marché pendant trois jours pour se rendre dans un village, car c'était plus rapide qu'en voiture. « Mais aussi belle que soit l'Afrique, ici, j'ai tout ce que je veux, sauf... », cela semble le toucher, « une communauté. C'est pourquoi j'aime tant ce qu'Andreas a créé à Aix-la-Chapelle ». 4 Linden est une communauté résidentielle et de vie, où l'on construit et fabrique ensemble. « J'ai aussi essayé ici, mais je n'y suis pas encore parvenu ». Il est originaire du Tyrol du Sud et est donc un Italien germanophone. « Mais pour les gens d'ici, je suis simplement un Allemand ». Je dois rester un jour de plus chez Toni à cause d'un problème avec mon vélo et nous fêtons Noël ensemble. Dans son cadeau de Noël, je glisse un petit mot dans lequel je lui souhaite de tout cœur de trouver la communauté dont il rêve tant. Il me donne une lettre pour son amie Andreina, qui a également construit une communauté non loin d'ici, autour d'une église, dont elle veut faire une mosaïque. « Ce qui est poétique, c'est qu'elle ne pourra jamais la terminer », dit Toni.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Robert est le genre de personne qui héberge des inconnus et leur fait découvrir les plus beaux endroits de Florence. C'est quelqu'un que vous aimeriez rencontrer, mais malheureusement, Robert est parti passer Noël avec sa famille en Allemagne. Heureusement, Benni et Anna m'ont donné une lettre supplémentaire...
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Andreas a reçu une lettre et m'invite à venir voir son travail, son projet. Alors que nous marchons à travers la forêt pour rejoindre les enfants, nous reconnaissons beaucoup de choses. « Au début, les gens ne me comprenaient pas non plus », raconte Andreas après que je lui ai dit que beaucoup de gens ne comprenaient souvent pas mon projet au premier abord. « Pourquoi sortir quand on peut rester confortablement à l'intérieur ? », dit Andreas. « Pourquoi trembler quand on peut envoyer un e-mail, pourquoi faire du vélo quand on peut voler ? », j'ajoute. Nous sommes d'accord sur le fait que les choses difficiles en valent souvent plus la peine et qu'on ne peut le comprendre qu'après les avoir vécues. Un petit garçon aux yeux clairs et aux joues roses me fait signe. « Artiste ! », s'écrie-t-il, « Tu peux me dessiner un Krampus ? » Je dois le décevoir. Le petit garçon regarde Andreas d'un air réprobateur : « Tu avais dit qu'un artiste viendrait nous rendre visite ! ». Il disparaît dans la forêt, attrape une branche, grogne et la frappe. Si je ne peux pas dessiner de Krampus, il jouera lui-même le rôle. Lorsque tous les enfants sont assis en cercle sous la toile de tente qui nous protège de la pluie, je reçois d'autres questions. « Si tu ne sais pas dessiner, tu peux jouer quelque chose ? Tu es comédien, non ? ». Je suis un peu pris de court. Andreas l'a dit tout à l'heure dans la forêt : « Les enfants pensent et ressentent les choses différemment de nous, ils peuvent nous apprendre beaucoup ». Je réalise soudain que je joue le rôle d'un facteur. « Mais les facteurs conduisent des voitures », dit la petite fille. « Il y a aussi des facteurs à vélo », lui réponds-je. Dominik me tend alors un dessin : « Tiens, c'est pour toi, c'est un Krampus ». Le petit garçon qui jouait Krampus tout à l'heure dit alors : « Oui, mais il n'y a des facteurs à vélo qu'en ville, ici il y a trop de montagnes ». « Vous avez tout à fait raison », dis-je, « il n'y a pas de facteurs à vélo qui sillonnent le monde entier et toutes les montagnes, c'est pourquoi je joue maintenant à en être un ! ». Les enfants acquiescent et marmonnent, l'argument est approuvé. « Puis-je vous donner une lettre maintenant ? » La lettre de Judith, qui leur souhaite un joyeux Noël, est ouverte et lue avec empressement.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
« Je ne sais pas quoi penser de tout ça », dit Andreas. « Tu sais où j'habite, tu sais où je travaille ». Je l'ai appelé au numéro de téléphone de son lieu de travail, qui m'avait été communiqué dans les instructions de livraison. Andreas arrive en voiture à la gare routière d'Eppan. J'ai le nez qui coule. Je décide de laisser couler pour le désarmer encore un peu plus. Son scepticisme semble fondre comme neige au soleil lorsqu'il regarde ma morve et mon vélo chargé. Je lui explique ce que je fais, que je veux créer des liens. Il me parle de ses groupes de méditation, de méditer pour la paix, ce qui lui rappelle Klaus-Peter. « Tu viens avec moi au travail demain ? », me demande-t-il. Il me donne une lettre pour un ami méditant en Slovénie. « J'ai ajouté un paquet de flyers, ça te va ? ».
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Je trouve Andreas avec un casque sur la tête : il travaille à domicile. Mais il est immédiatement captivé par mon histoire et les lettres. Je déjeune dans une heure, tu peux revenir ?
Nous mangeons ensemble des amuse-gueules ukrainiens. Il en restait après le concert qu'il a donné hier avec sa fanfare. Grâce à la fanfare, je rencontre beaucoup de gens dans toutes sortes d'endroits. Cette lettre ne posera sans doute pas de problème. « Mais je dois retourner travailler ! Revenez dans une heure, Amélie sera là, elle pourra peut-être écrire une lettre. »
Amélie est une collègue actrice. Elle s'est fait connaître grâce au film « Die Welle ». « Je l'ai vu au lycée », dis-je. « J'étais la fille cool avec les cheveux rasta », dit-elle, « j'étais contre « Die Welle » ». Pourtant, Andreas et elle se heurtent souvent dans la vie quotidienne au « système », qui ne veut pas toujours que les choses se passent comme ils le souhaiteraient. Pendant ce temps, la petite Hilma fait des acrobaties suspendue à une corde, la tête en bas.
« Je sais déjà à qui nous devons envoyer une lettre », dit Amélie, « ce sont des connaissances à nous en Italie, ils avaient construit leur propre maison, essayaient de faire les choses à leur manière, mais la foudre a frappé un arbre et est tombée directement sur leur maison. Ils ont bien besoin d'un peu de réconfort. »
Hilma me tend un dessin avec plein d'étoiles dessus. « C'est un cadeau », dit-elle en rougissant.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Le petit Odiseas court partout dans son costume de chauve-souris, se cache dans un coin et crie ensuite : « BOO ! ».
Je ressens immédiatement les vibrations méditerranéennes dans cette maison, l'hospitalité. Ada est sur le point d'accoucher. « Ça peut arriver à tout moment », dit-elle. « C'est extraordinaire que je puisse vous rendre visite alors que tout va bientôt changer pour vous », dis-je. Ada et Angelos me regardent avec un regard qui semble dire : « Bien sûr ».
Angelos était autrefois cycliste de longue distance, il construit actuellement un nouveau vélo. « Mais c'est un peu compliqué en ce moment. »
Ils ont rencontré Roberto et Helene par l'intermédiaire d'amis communs à Strasbourg et le courant est tout de suite passé. « C'était comme si nous nous connaissions depuis des années », dit Ada. « Tu viens prendre le petit-déjeuner demain ? Je t'en dirai plus et je te donnerai une lettre à remettre en Grèce ! »
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
« Entrez, mais je m'apprêtais justement à coucher les enfants », dit-elle, légèrement paniquée. Ils prennent la lettre de Volker. Il a eu une relation avec la mère de Sarah. Cette relation a pris fin, mais Sarah et Volker sont toujours restés en contact et les enfants aiment beaucoup Volker. Elle m'offre une tasse de thé et me dit qu'elle revient tout de suite, mais Benny et Leo en ont décidé autrement. Ils me bombardent de questions sur l'endroit où je dors et ce que je fais quand les gens ne sont pas chez eux. Puis ils me font visiter la maison et me montrent tous leurs jouets. Enfin, ils ouvrent un coffre rempli de jouets en bois. « Ils sont tous faits maison », dit Leo. Leurs petits trains, leurs carrousels et leurs feuilles d'arbre sont impressionnants. « Tu restes dormir ? », demande Benny. Leo me tend un paquet orné d'un grand nœud. « C'est le Père Noël qui l'a apporté. Ne l'ouvre qu'à Noël ! », dit-il solennellement. Lorsque les enfants sont enfin endormis, je discute avec Sarah de la manière dont nous allons poursuivre cette chaîne de connexion. Je ne connais vraiment personne dans cette région. Munich est-elle le bout du monde ? Je réponds alors : « La lettre peut aussi être envoyée à un endroit, à une personne proche ». Sarah dit : « Je sais déjà à qui ! »
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Jan hat ein Headset auf dem Kopf und telefoniert mit Miami. Er will den Brief entgegennehmen, aber ich erkläre ihm, dass er für Katrin, seine Frau, bestimmt ist und dass ich ihn wirklich gerne persönlich übergeben möchte. Er versteht das nicht ganz, sagt aber, dass ich dann am Abend wiederkommen soll. Auch am Abend ist Katrin noch nicht da, aber ich bekomme die Gelegenheit zu erklären, warum ich gekommen bin, da Jan sein Headset nun abgenommen hat. Seine leichte Skepsis weicht einem breiten Lächeln und neugierigen Fragen zu meiner Reise. Ich mache ein Foto von ihm mit dem Brief. Ich frage, ob Katrin vielleicht einen neuen Brief schreiben könnte. „Das wird schwierig”, sagt er, „wir kennen niemanden in dieser Gegend. Aber in England, Lübeck, den Vereinigten Staaten”, beginnt er aufzuzählen. Dann kommt Katrin, auch sie kann sich niemanden im Osten vorstellen. Diese Kette von Jugendfreunden aus Elmshorn endet hier. Dann schlägt Katrin vor: „Komm doch auf dem Rückweg noch einmal vorbei, dann bekommst du einen Brief zurück nach Belgien.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Ding dong.
C'est la troisième fois que je sonne et je ne trouve ni la sœur de Tobi ni son fils à la maison. Plus tard, j'apprends qu'ils sont partis pour quelques jours. Ils m'ont pourtant emmené dans la ville historique d'Ulm. Peut-être à une prochaine fois.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Contrairement à la plupart des gens, Anna et son ami Benni comprennent immédiatement ce que je suis en train de faire. « Nous devons partir, mais nous allons t'aider ! ». Ils sortent du papier et des enveloppes des armoires et se mettent à écrire avec application. Pour me faire patienter, ils m'offrent des biscuits de Noël faits maison, que je commence à grignoter avec appétit. Tout est calme, à part le grattement des stylos et le craquement des biscuits. Anna m'explique alors : « J'écris une lettre à Robert, un de nos bons amis en Italie. » Je regarde Benni d'un air interrogateur, qui est occupé à rédiger sa propre lettre : « Mais au cas où il ne serait pas là, je t'en donne une autre, pour un peu plus loin ». Je regarde l'adresse sur l'enveloppe, je sursaute un peu, puis je commence à rayonner : « Mais c'est presque au bout du monde », dis-je avec gratitude. Il hoche la tête et me donne une liasse de billets : ce n'est que quelques euros, mais cela suffira pour un repas là-bas.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Bene et Michaela m'accueillent après une longue journée passée à distribuer des lettres. « Prépare-toi à répondre à beaucoup de questions de Gabriel », me dit Bene. Et il se lance, et je lui explique tout. « Tu peux aussi emporter une lettre pour moi ? Pour un autre enfant ? ». Je peux difficilement refuser. « Dans quel pays ? », lui demandé-je sérieusement. « En Grèce ! », s'écrie-t-il sans hésiter, « J'ai une tante qui vit là-bas, et elle a 17 chats ! ». Michaela m'explique qu'elle est d'origine grecque.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Je loge chez Bernd et Daniela et leurs deux filles Judith et Annika. J'étais déjà venu ici il y a quatre ans. À l'époque, elles étaient encore toutes petites. Aujourd'hui, elles prennent des cours de batterie et jouent à des jeux. « Attention, c'est vendredi, dit Daniela, elles seront ingérables. » Je sors deux lettres de ma poche, de Noah et Bas, de Heerlen. Les filles rayonnent de joie et ouvrent avec impatience les enveloppes contenant des dessins et quelques mots qu'elles ne comprennent pas très bien. « Tu pourrais peut-être leur renvoyer une lettre et leur demander ce qu'il veut dire », dis-je à Annika. Les deux filles se mettent aussitôt à écrire, dessiner et colorier avec frénésie : leur énergie débordante se déverse sur le papier.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
« Nici n'est pas là », me dit un beau jeune homme avec un petit sourire amusé. « Je ne peux malheureusement pas te le donner, je dois vraiment le remettre en mains propres », lui réponds-je. Quelques heures plus tard, je suis de retour et je suis chaleureusement accueillie par Nici. « Mon ami m'a dit qu'il y avait un homme très bizarre sur le pas de la porte », dit-elle en riant, « qui se comportait de manière très officielle avec une lettre qui n'avait rien d'officiel ». Les larmes lui montent aux yeux à force de rire. « Et puis nous avons compris tous les deux : c'est Jolien, il arrive toujours des choses bizarres à Jolien ». Elle m'explique qu'elle a rencontré Jolien lors d'un voyage et qu'elles se sont tout de suite bien entendues. « Jolien est en quelque sorte mon alter ego belge », dit-elle, « au fait, tu veux dormir ici sur le canapé ? », ajoute-t-elle en changeant brusquement de sujet. Quand je lui demande une nouvelle lettre, elle réfléchit un instant, puis quelque chose d'incroyable se produit. Elle me décrit un couple en Autriche : « Elle fait du cirque, lui vend des légumes fermentés, ils ont un potager ». Je lui demande : « Attends, où habitent ces gens ? » et Nici me donne le nom de la ville. Et comment s'appellent-ils ? Il s'avère que nous les connaissons tous les deux et nos têtes explosent un peu. Elle décide de m'apporter une lettre pour son amie Anna, également fanatique de cirque. « Ça te permettra de faire une nouvelle connaissance », dit-elle.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Je connais Leslie depuis mon séjour au Guatemala. Elle vit désormais depuis plus de dix ans en Allemagne avec son mari Tobi, ses enfants et son petit-enfant ! Je peux rester chez elle et me remémorer le bon vieux temps. Chaque jour, la nouvelle génération a le droit de choisir un cadeau dans un gigantesque calendrier de l'Avent. Le matin, un cadeau attend également le coursier à vélo : une nouvelle paire de chaussettes avec logo ! « Tu peux livrer une lettre à ma sœur ? Elle a besoin d'un petit coup de pouce », me dit Tobi.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Les enfants me regardent avec impatience. Après une brève présentation de Mme Pascale, j'explique dans mon meilleur français ce que je viens faire ici : remettre une lettre des enfants des Pays-Bas. « Pouvez-vous le répéter en espagnol ? », demande la maîtresse. Gael ne parle qu'espagnol. « Peut-être qu'il parle espagnol, je traduirai en français », propose Teresa Letó, et c'est ce qui se passe. Dans la classe, les enfants parlent toutes sortes de langues, je n'ai donc plus besoin de leur expliquer ce qu'est le lien au-delà des frontières. « Nous n'avons plus le temps de te donner une lettre », dit la maîtresse, « mais nous promettons d'envoyer une lettre à Landgraaf. Par la poste normale ».
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Roberto et Helene sont des amis que j'ai rencontrés au Guatemala et que j'ai souvent revus à Chypre. Lorsque Christiane m'a remis une lettre destinée à une personne chère, j'ai immédiatement pensé à eux. La lettre était entre de bonnes mains : un large sourire illumina leur visage. Helene lut la lettre à haute voix, pleine d'affection, d'amour pour une personne inconnue à qui Christiane souhaitait le meilleur de tout son cœur. Les lettres sur la lettre et l'enveloppe étaient écrites avec beaucoup de soin, un véritable chef-d'œuvre. « Pouvons-nous participer à votre projet ? Pouvons-nous aussi écrire une lettre ? », demande Helene avec enthousiasme. « Bien sûr ». Ils décident d'écrire une lettre à Ada et Angelos, originaires de Grèce, qui vivent désormais à Munich. « Nous ne les connaissons pas depuis très longtemps », dit Roberto, « mais le courant est tout de suite passé lorsque nous les avons rencontrés il y a quelque temps », ajoute Helene.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Teresa Letó est la fille de Roberto et Helene. C'est une petite fille sage qui passe sans peine du français au grec et à l'espagnol. Elle rayonne lorsqu'elle reçoit une lettre. « Pour moi ? Vraiment ? Mais de qui et pourquoi à moi ? ». Je lui explique que Lilly m'avait demandé de la donner à une petite fille très gentille et que j'ai tout de suite pensé à elle. Elle rougit un peu et ouvre la lettre. « Waouh ! », s'exclame-t-elle. « Cette petite fille dessine vraiment bien », dit papa Roberto. « Mais moi aussi, je dessine bien, non ? ». Il faut y réfléchir un instant. J'explique que j'ai encore d'autres lettres d'autres enfants. « Tu ne peux pas passer à notre école ? », demande Teresa. « Et si tu vas en Allemagne, tu peux apporter quelque chose à ma copine Aluna ? » Elle le demande si gentiment que je ne peux pas refuser.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
« Tu me prends un peu au dépourvu », dit Christiane, qui a reçu une lettre de sa cousine Cara, originaire d'Eupen. Elle se coiffe rapidement pour la photo. Elle est très enthousiaste à propos du projet, mais il est déjà tard et elle doit retourner travailler demain. Je fais aussi du vélo, mais électrique. Elle ne sait pas à qui envoyer une lettre. Pour m'aider, elle me donne le lendemain matin une lettre destinée à une personne anonyme, « une personne adorable », ajoute-t-elle. J'hésite, mais j'accepte finalement la lettre. Les liens, l'affection, ne peuvent tout simplement pas être organisés en cycles. J'accepte sa mission. Peut-être que Christiane essaie de m'apprendre que créer des liens est simple. Vous pouvez entrer en contact avec une autre personne gentille quand vous le souhaitez.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Annette et Volker, collègues dans le milieu du théâtre, m'ont remis une lettre pour leur petit-fils Yanosch à Sankt Vith. « Si vous passez près de Francfort, faites-le-nous savoir, vous pourrez passer la nuit ici. » C'est ce que j'ai fait. Nous préparons ensemble des pommes séchées afin de rendre la riche récolte de pommes de cette saison un peu plus facile à gérer. C'est un travail fastidieux pour un petit sac de pommes séchées, mais en tant que coursier à vélo international, je peux l'apprécier. Je me rends ensuite à Francfort à vélo pour remettre la lettre à Yanosch et lui donner un sac de pommes séchées (« il adore ça »). Volker me donne une lettre supplémentaire pour Sarah et ses enfants à Munich. Sarah est la fille de son ex. « Ses enfants sont fans de moi, je ne sais pas trop pourquoi », dit Volker. « Tu es une sorte de grand-père pour eux », dit Annette.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
La porte bourdonne, je peux entrer. « Paul et Felix sont-ils là ? », je demande à l'homme. « Pourquoi ? » Je lui montre la lettre de Yanosch. « Vous ne pouvez pas simplement me la donner ? ». J'explique mon projet à l'homme. Il lève les yeux au ciel. « Je vais voir. » Quelques secondes plus tard, il redescend en traînant les pieds. « Donnez-la-moi, c'est tout. » Je lui explique les chaînes de connexion, que je veux demander une nouvelle lettre à Felix et Paul. J'ajoute que ce n'est pas une obligation, que j'ai l'impression qu'il n'en a pas vraiment envie. « Je n'ai pas à écrire de lettre, alors qu'est-ce que ça peut faire ? », répond-il agacé. Une femme chargée de lourds sacs de courses entre alors dans la maison en trombe. Elle me regarde avec agacement, comme si j'étais un obstacle. Je me colle contre le mur pour lui laisser la place. Elle dépasse l'homme et le renverse avec ses sacs. Il se retrouve appuyé contre le mur, comme une planche inclinée. « Tu n'as pas besoin de me renverser », dit-il. Je décide de partir. La chaîne s'arrête ici.
Mais je me souviens alors que Volker, le grand-père de Yanosch, m'a donné une lettre supplémentaire à apporter à Munich. Et ainsi, la chaîne se poursuit !
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Yanosch reçoit une lettre d'Annette et Volker, qui l'ont écrite pendant leurs vacances à Saint-Vith. Ils m'ont raconté qu'ils écrivaient chaque semaine une lettre à leur petit-fils pendant la pandémie. « C'était alors la seule façon de lui faire un câlin ». Avec un peu de retard et un long détour, une nouvelle lettre arrive à Francfort. Je demande à Yanosch ce qui rend une lettre si spéciale. « Le fait qu'on puisse la toucher », répond-il. Et il ajoute : « Et quand grand-mère écrivait des lettres pendant la pandémie, il y avait toujours une histoire dedans, et j'étais tellement curieux de savoir comment ça allait se terminer. » « Une sorte de cliffhanger ? », dis-je, puis Yanosch me montre ses cartes Magic.
Il écrit une lettre à ses amis Felix et Paul pour leur demander quand ils viendront lui rendre visite.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Mona travaille d'arrache-pied dans l'ancienne Havanna, une boîte de nuit qui accueillera le théâtre K. au cours des prochains mois. Elle me tend un flyer annonçant leur prochain spectacle. « Je le connais ! C'est Schang qui l'a créé, non ? », lui dis-je. « Tu connais Schang ? », me demande-t-elle, surprise.
Sa complice Annette écoute la conversation avec amusement. Elle comprend immédiatement : « Oui, c'est lui qui distribue les lettres pour créer des liens entre les gens. N'est-ce pas quelque chose qui conviendrait à Mohammed ? Allons l'appeler. »
Quelques minutes plus tard, Mohammed arrive, tandis que les dames continuent à s'affairer. Annette me demande de l'aider à déplacer un vieux plan de travail graisseux dans une cuisine délabrée pleine de crottes de souris. « C'est pour ça que j'aime tant faire ça ? Je n'aurais jamais imaginé ce matin que je me retrouverais ici, à Aix-la-Chapelle, dans cette cuisine sale, les mains collantes », dis-je : « C'est une question de goût ».
Mohammed me parle du tableau que j'ai vu chez Kalle et Martina. Il me raconte qu'il est originaire d'Irak, mais qu'il est désormais allemand. Il explique que ses projets ont toujours une très longue phase de préparation et doivent mûrir lentement. Je me promets d'en tirer une leçon.
Mona ne trouve personne d'autre, alors elle écrit une carte à Anette sur place. Celle-ci écrit à son tour une lettre à son frère à Cologne, « également metteur en scène, mais d'une manière très différente de ce que nous faisons ».
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Leszek est le directeur du « Muzeum Ziemi Lubuskiej », un mélange éclectique d'art, d'artisanat, de vin et de pratiques martyrales. Il reçoit une lettre de l'artiste polonaise Agata Siwek, que je lui ai remise à Venray. J'ai fait spécialement le trajet à vélo depuis Venray jusqu'en Pologne pour lui. J'arrive au musée et tout semble aller très vite ici, à la manière polonaise. On me conduit à travers plusieurs petites pièces jusqu'à Leszek, où j'ai quelques minutes pour lui parler de mon projet. Il ouvre la lettre et la regarde un instant. « Où dors-tu habituellement ? » Je lui explique que je dépends des personnes qui m'hébergent ou que je dors dans ma tente. Il hoche la tête et dit : « Oui, mais ici, tu dois payer ». Le musée loue des chambres à des artistes. Je dois alors retraverser toutes sortes de petites pièces, monter et descendre des escaliers, passer devant toutes sortes de personnes qui me posent des questions en polonais et que je ne comprends pas. « Je pourrai te parler plus tard, Leszek ? Je voudrais te demander si tu veux bien continuer la chaîne de lettres. » Il secoue la tête, c'est presque le week-end. Je dois me dépêcher d'aller au bureau pour payer la chambre. Cette chaîne s'arrête là.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Un large sourire apparaît. « Ludn, quelle joie ! Quelle surprise ! » Lars Ludwig, qui lui a écrit une lettre, est systématiquement appelé Ludn. Et Benjamin, qui a lancé cette chaîne de lettres, est également appelé « Benny » par Marja.
Ils étaient de grands amis au lycée d'Elmshorn, mais aujourd'hui, il faut plusieurs jours à vélo pour aller de l'un à l'autre.
Marja doit déjà repartir. Son fils doit aller au football. « J'écrirai volontiers une autre lettre ! Peux-tu passer demain entre 10 h 45 et 11 h ? Après, je dois aller chez le dentiste. »
Elle écrit une lettre à Katrin en Bavière, qui n'a apparemment pas de surnom. Tout comme Benny et Ludn, elle fait partie d'un groupe d'amis d'école d'Elmshorn. Katrin m'emmène-t-elle plus loin d'Elmshorn, vers le bout du monde ?
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Mitch reçoit une lettre de Bram. Sympa. Mais à qui doit-il écrire une lettre et sur quel sujet ? Je repasserai plus tard et il me donnera une lettre à remettre à son cousin Jordy. « Pour lui souhaiter bonne chance pour le Hyrox que nous allons bientôt faire. » Hyrox ? « C'est un défi sportif. » « Alors je vous souhaite bonne chance et beaucoup de succès », dis-je.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Pendant la performance, Iris a écrit une lettre à son cousin Klaus-Peter à Berlin. Ils ne se connaissent que depuis trois ans. C'est la mort qui les a réunis : ils se sont rencontrés lors des funérailles de la tante d'Iris, la mère de Klaus-Peter. Ils s'étaient déjà vus une fois lorsqu'ils étaient enfants, mais Klaus-Peter avait soudainement disparu. Personne ne voulait lui dire ce qui s'était passé exactement. Je ne peux pas vous le dire non plus... Confidentialité, secret postal... Mais lorsque la tante d'Iris était très malade, elle lui a demandé : « Tu ne voudrais pas revoir ton fils ? » C'est ce qu'elle souhaitait, mais elle est décédée avant que son fils ne puisse venir. Klaus-Peter a trouvé dans les affaires de sa mère les adresses de nombreux cousins et cousines et était heureux d'avoir retrouvé sa famille. Dans son regard, dans son comportement, on voit à la fois la joie enfantine et la mélancolie d'un vieil homme.
« Je suis si heureux que tu sois venu », dit-il. Il m'invite à manger une pizza. Là, il me parle de méditation et de bouddhisme. Il me donne une lettre pour Andreas, un Allemand qui vit depuis de nombreuses années dans le Tyrol du Sud. « Une personne spéciale », dit Klaus-Peter. « Quelqu'un dont tout le monde tombe un peu amoureux ? », lui demandé-je. « Exactement ! Et tu sais ce qui est drôle ? Nous ne nous sommes jamais rencontrés en personne. Enfin, une fois. Il y a des années, j'ai pris une photo pendant une conférence. Des années plus tard, j'ai regardé cette photo et j'ai reconnu Andreas. Il était assis à quelques chaises de moi, mais je ne l'avais pas remarqué. » Klaus-Peter me parle de Maitreya, le nouveau Bouddha qui n'a pas de nombril. Il me raconte comment sa main est apparue un jour sur un miroir catalan. Il me donne une petite image en me disant : « Elle te protégera et t'aidera si tu en as besoin pendant ton voyage. »
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Lars Ludwig a reçu une lettre d'Eupen de son meilleur ami Benjamin, qu'il appelle systématiquement « Benny ». « Benny est – ma fille adore l'équitation, d'où le terme hippique – mon « Seelenpferd ». Je ne sais pas si ma femme apprécie cette expression, mais Benny et moi sommes complémentaires. Il est le ventre, je suis la tête. Je travaille avec mes mains, il parle, il écrit. Je ne suis pas vraiment un écrivain. » Lars Ludwig hésite, il n'est pas doué pour écrire des lettres. « Je suis plutôt du genre bavard. » Il parle à tout va, me raconte sa passion pour la voile, qu'il roulait autrefois à 200 km/h sur l'autoroute, mais qu'il y va plus doucement aujourd'hui, me parle de Dieu et de la mécanique quantique. Après de nombreux détours, il conclut qu'il ne veut pas rompre sa chaîne de connexion et écrit une lettre à Marja, une amie d'enfance qui vit à Berlin.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Pendant la représentation à Kerkrade, une élégante dame assise au premier rang m'a remis une mystérieuse lettre en me disant : « Cette lettre n'a pas d'adresse. Tu sais où elle doit aller ». Maintenant, je la reconnais. C'est Berthy, ma grand-tante. J'ouvre l'enveloppe. Elle contient des images religieuses représentant des anges qui s'amusent avec des enfants. Imprimées en Italie. Des images de communion de mon père, de ma tante et de mes oncles.
« Tu sais où l'envoyer ». Il y a une adresse dessus : l'église du Sacré-Cœur de Jésus à Nieuwenhagerheide. Un village qui n'existe plus. Absorbé par la commune fusionnée de Landgraaf. Dois-je m'y rendre ? Jésus lui-même y apparaît pâle et défraîchi. Un cœur rouge brûle sur sa poitrine. Je frappe à une porte en bois massif en forme d'arc. Je frappe à nouveau, mais la maison de Dieu est fermée.
Peut-être que mon grand-père et ma grand-mère Möllering sont enterrés ici. Je pose la question à une dame au cimetière, elle dépose des tulipes orange pour ses parents, décédés respectivement en 72 et 74. « Möllering ? », dit-elle. « Ils ne sont pas d'ici, ils sont de Nujjehoage ». Nujjehoage, Nieuwenhagen, un autre village englouti, à trois rues d'ici. « Êtes-vous en voyage ? », me demande-t-elle, et je lui parle de ma mission, qui consiste à mettre au jour les liens qui unissent les gens. « Intéressant », dit-elle, « dans notre famille, ils ont récemment fait quelque chose de similaire, ils ont retracé toutes les connexions entre les membres de la famille, jusqu'en 1600 ». Peut-être qu'à un certain âge, on ne cherche plus la connexion dans l'espace, mais dans le temps.
Est-ce cela que Berthy voulait dire ?
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Jan, de Dorsten, qui m'a hébergé pendant mon voyage, m'a spontanément donné une lettre à remettre à Merle. Lui aussi est metteur en scène. Je pénètre dans une cour de ferme où, comme chez Jan, plusieurs générations semblent cohabiter. Seul le chien est à la maison, il ne semble pas ravi de me voir. Je dépose la lettre de Merle dans la boîte aux lettres.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Jan vit avec sa famille dans une maison intergénérationnelle. En tant que benjamin, il vit dans le grenier, sa grand-mère au rez-de-chaussée et ses parents au premier étage. « Quand on doit descendre, on sait que la fin approche », dit le père de Jan. « Mais un jour, Jan vivra ici et nous vivrons là-bas ». Je suis gâté avec toutes sortes de friandises, des tartes aux pommes, des chips de pommes, des pommes... « Tu nous aides simplement à écouler la récolte de pommes », dit la mère de Jan. Jan est électricien, mais pour des usines et des centrales électriques. « Un jour, je deviendrai peut-être monteur d'éoliennes, ça me plairait bien », dit-il. « Et ces lettres, je peux aussi en écrire une ? » Je lui explique que je ne fais en fait que des chaînes de lettres à partir des boîtes aux lettres de ma région d'origine, mais que je ferme parfois les yeux. Le lendemain matin, alors que Jan est déjà parti depuis longtemps réparer un générateur quelque part, je trouve dans ma chaussure une lettre adressée à Merle, également créatrice de théâtre. En route pour Merle ! La mère de Jan me remplit un sac de pommes séchées et je suis prêt à partir.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Malheureusement, je ne peux plus rencontrer Anja en personne, alors je glisse la lettre de Joseph dans sa boîte aux lettres.
Plus tard, elle me contacte par voie électronique et nous convenons de prendre un café ensemble à mon retour du bout du monde (« tu parles au sens figuré, je suppose ? »).
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Andreas de 4 Linden m'envoie une lettre pour Odine. « Elle a un atelier très sympa, avec toutes sortes d'artistes intéressants. Ce sont vraiment des gens que tu dois rencontrer », dit-il.
Quand j'arrive à vélo, Odine arrive justement en voiture. J'ai de la chance. Cet atelier vient d'ouvrir et c'est le premier jour où ils sont tous là.
Une grande tête de vache est accrochée à la façade. « Autrefois, on y vendait des vaches », explique Odine. « Mortes ou vivantes ? », demandé-je impulsivement. « Probablement les deux ? »
J'ai l'honneur de recevoir la première tasse de café préparée avec la toute nouvelle machine à expresso. Il y a du gâteau sur la table pour fêter le premier jour officiel de travail. Je jette un œil dans un atelier et y vois de magnifiques marionnettes représentant des animaux effrayants.
Entre le gâteau et le café, Odine écrit une lettre à Schang, également artiste. « Il est un peu moins mobile ces derniers temps, alors un petit remontant lui fera du bien. »
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Martien est le dernier membre du trio Kors - Richard - Martien. Ils se sont rencontrés pendant leurs études de chimie à Nimègue. Martien a déménagé en Allemagne. Tu es venu ici à vélo depuis Herten ? Dans ce cas, entre donc.
Je tombe au milieu d'une scène chaotique : la femme de Martien doit partir et des cartons sont transportés à la hâte vers la voiture. On se prépare pour un marché aux puces. Grand-père et grand-mère sont là aussi, ils préparent un gratin de pommes de terre. « Tu es donc un facteur qui franchit les frontières ? Alors tu devrais venir voir chez nous, à Baarle, où nous vivons à la fois en Belgique et aux Pays-Bas, et ça se passe généralement bien. » Deux filles courent en criant. Lilly, l'aînée, comprend le néerlandais, mais ne parle qu'allemand. « Regarde, facteur, ma tirelire ! Ma poupée ! Mes crayons ! » Puis elle se met à colorier comme une possédée : un magnifique arc-en-ciel. « Pour une autre fille, dans un autre pays ».
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Mlle Jil a envoyé une lettre à ses élèves depuis le spectacle à 4 Linden, mais les enfants ont également reçu du courrier de la garderie Best4Kids à Heerlen !
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Kalle reçoit une lettre de Schang. Ils se sont rencontrés parce que Kalle était mannequin pour les mains pour les photographies de Schang. « J'ai entendu dire que vous aviez de très belles mains », lui dis-je. « C'était avant », répond Kalle, tout en essayant, un peu gêné, de cacher ses mains l'une derrière l'autre.
Martina a l'air stressée, elle est penchée sur des papiers. « Désolée, je ne peux pas te parler pour l'instant. » Son stress ne semble pas s'atténuer. Je ne tombe pas vraiment à pic. Kalle me donne néanmoins l'occasion d'expliquer mon projet.
Oh, cela me fait penser à ce tableau, disent-ils en montrant une affiche sur le mur, réalisée par notre ami Mohammed. Il a collecté de la terre provenant de divers champs de bataille en Europe et en a fait un plan. « Il essaie également de nous rassembler autour de ce qui nous a autrefois divisés. »
« Tu veux manger avec nous ? » Kalle s'avère être un cuisinier talentueux. Martina s'est déjà un peu calmée et explique tout ce qui ne va pas à la maison. « Et pour couronner le tout, notre clavier n'est plus en allemand, je ne peux plus rien mettre sur papier. » « Je peux jeter un œil ? », je demande. Je remets leur clavier en allemand.
« Tu tombes à pic, vraiment à pic », dit Kalle, « comme un ange venu du ciel », ajoute Martina. Ils m'envoient chez Mona, une amie et également créatrice de théâtre.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Finn a reçu une lettre de sa mère Jeanine, une artiste luxembourgeoise méritante, qu'elle a écrite pendant la performance à Sankt Vith. Finn est un jeune cuisinier talentueux dans un restaurant chic à Aix-la-Chapelle. Dans cette cage d'escalier sombre, j'essaie de lui expliquer ce que je fais et de l'inviter à écrire une lettre afin de créer une chaîne de connexion. Je crois qu'il est soulagé lorsque je lui dis que ce n'est pas obligatoire. La chaîne s'arrête ici.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
e me suis rendu compte que je m'étais trompé d'église. J'ai repris la route vers Kerkrade. Vers mon oncle que je n'ai pas vu depuis vingt ans. Sa photo de communion se trouve maintenant là-bas. Il fut autrefois un enfant qui a fait sa communion. Aujourd'hui, c'est un vétéran à la retraite, sur le point de partir à pied pour Den Helder avec son chien d'assistance afin de collecter des fonds pour les chiens d'assistance aux personnes souffrant de stress post-traumatique.
« Je suis content que nous soyons en contact », m'écrit-il plus tard. Je me demande soudain pourquoi je cherche à créer des liens à l'autre bout du monde, alors que je n'y suis pas parvenu pendant toutes ces années avec mes proches qui habitent à deux pas. Je pense que c'est ce que Berthy voulait dire.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Odine envoie une lettre à son ami Schang, également originaire de Munster. La maison de Schang et celle d'Anni sont remplies de ses œuvres. Beaucoup d'entre elles sont, comme il les appelle lui-même, des trouvées, mais il s'avère être un artiste polyvalent : photos, peintures, sculptures.
Anni met des friandises sur la table et Schang me montre son dernier travail : un flyer du théâtre K : « Des créateurs de théâtre indépendants très sympas, tu les rencontreras peut-être un jour ».
« Si vous avez besoin d'un design, vous savez où me trouver. »
Schang décide de me donner une lettre pour son ami Kalle. « Comment vous êtes-vous rencontrés ? », lui demandé-je. « Il était mannequin pour les mains et j'ai eu l'occasion de photographier ses mains à plusieurs reprises. »
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Ronald est le patron de Fanny – ils travaillent dans le secteur brassicole – et reçoit une lettre de sa part. En réponse à une lettre qu'il lui avait lui-même envoyée depuis Sankt Vith.
Il y disait à propos de Fanny : « Elle est indispensable, je ne sais pas ce que je ferais sans elle ».
Fanny m'envoie avec une lettre en retour. À la maison de Ronald à Landgraaf, exactement entre Venray et Sankt Vith. C'est aussi possible. Une chaîne de connexion, dans les deux sens, entre partenaires dans le crime dans le secteur brassicole.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Pendant la représentation à Kerkrade, j'ai reçu une lettre : de Kerkrade à Simpelveld. Une lettre de Pieter van de Berg à Angelique van de Berg – van de Heuvel. Son épouse. Angelique van de Berg – van de Heuvel. Vraiment.
Et les coïncidences dans la vie d'Angelique ne s'arrêtent pas là. Sa meilleure amie s'appelle également Angelique. Elles partagent non seulement le même prénom, mais aussi le même nom de famille. Elles viennent du même village dans le Brabant-Septentrional. Elles ont toutes deux déménagé dans le Limbourg par amour. Dans le même village. Que dis-je : dans la même rue du même village. Ionesco n'a rien à envier à cela.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Ding dong. Ding dong. Ding dong.
Je me retrouve trois fois devant une porte close. Plus tard, j'apprends par Angelique, qui l'a appris par Bram, qui l'a lui-même appris par Mitch, que Jordy était en vacances.
Je réessaie à l'automne, mais sans succès. J'abandonne, la chaîne s'arrête ici.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Sur la place Burgemeeste van Grunsvenplein à Heerlen, pendant Cultura Nova, le journaliste Joes m'a remis une lettre que je ne pouvais pas refuser. Un tournant. Elle était adressée au créateur du Maankwartier à Heerlen : Michel Huisman.
Il y a quelque temps, la zone de la gare était un repaire de drogués délabré où personne n'aurait voulu être retrouvé mort. Michel a créé un château où l'on vit désormais : on y habite, on y travaille, on y voyage. On peut même y être au chômage, il y a un bureau de l'UWV (agence pour l'emploi).
Je suis entraîné à l'intérieur comme un vieil ami par l'artiste aux cheveux gris de professeur.
« Tu es encore tout jeune », dit Deborah, également artiste et sa compagne. « Ça va, je réponds, j'ai 40 ans ». « Oui, mais quel âge as-tu vraiment ? » J'hésite. « 26 ans ? », dis-je. « Ça m'inquiète », dit Michel sincèrement. « J'ai 7 ans. » Son visage s'illumine. Puis des rides apparaissent à nouveau sur son front. « Donc tu cherches la fin du monde, eh bien tu n'as pas besoin de chercher loin, elle est ici. » Je suppose qu'il s'agit d'une forme d'autodérision typique de Heerlen et je souris. Mais Michel continue de me regarder avec un visage impassible. « Nous vivons sur une sphère. Chaque commencement est aussi une fin. Alors peut-être devrais-tu chercher le commencement. » Je le savais déjà, j'avais déjà demandé au public lors de cette performance où finissait l'est et où commençait l'ouest. Voulait-il dire que je n'avais pas besoin de faire tout ce voyage ? « Comment ça, tu as 7 ans ? », lui demandé-je. « Il y a un moment où, enfant, tu prends conscience que tu es quelqu'un. Tu resteras toujours cet enfant. Cet enfant qui demande « pourquoi ». Ce n'est qu'une enveloppe. Si tu cherches la fin du monde – de ton monde, car chacun a son propre monde –, tu dois chercher cet enfant. Quel est ton premier souvenir ? », demande-t-il. « Je suis assis sur un cheval à bascule dans un petit appartement sombre à Nimègue. Mon père crie », dis-je sans hésiter. « Je n'ai pas de lettre pour toi », dit-il, « mais je te recommanderais d'écrire toi-même une lettre à ce Jordi dans cet appartement à Nimègue.
Tu en apprendras plus sur cette rencontre dans les lettres déposées dans la boîte aux lettres à HuB Kerkrade.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
La lettre de Mme Manon est également lue ici. Puis, les doigts se lèvent. « Pourquoi dors-tu dans une tente et pas dans une maison ? » « Que fais-tu quand tu dois aller aux toilettes ? » « Pourquoi ne prends-tu pas l'avion ? » « Entends-tu parfois des animaux la nuit ? » « Mon père s'appelle aussi Jordi, mais tu n'es pas mon père. » « Que manges-tu pendant ton voyage ? » « Tu ne dois pas manger trop de fruits, sinon tu auras la diarrhée. » On m'a alors remis tout un tas de courrier. Pour tous les enfants du monde entier. Du courrier que je ne pouvais pas refuser.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Les enfants reçoivent une lettre de leur maîtresse Fatima. Il pleut et il fait froid. « Normalement, on serait dehors en train de jouer », dit un petit garçon espiègle. Ce site de Best4Kids est situé dans un cadre verdoyant, dans le bâtiment du scoutisme de Landgraaf. On me remet deux lettres destinées à d'autres écoles, quelque part dans le monde. Peut-être voudront-ils devenir correspondants ?
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
En chemin, j'ai rencontré Mme Manon qui m'a remis une lettre que je ne pouvais refuser, destinée à ses élèves. Les enfants se pressent autour de mon vélo. Ils peuvent tous lire un passage à haute voix, comme seuls les enfants savent si bien le faire. C'était une longue lettre qui peut se résumer ainsi :
« Chers adultes du futur, ne perdez pas l'enfant qui est en vous. » Je ne sais pas s'ils ont compris le message. Peut-être que ce genre de choses ne s'apprécie que lorsqu'il est trop tard.
On me remet une lettre pour le centre Best4Kids.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Joris et sa petite amie sont eux-mêmes des cyclistes passionnés. Ils voulaient se rendre à Tombouctou, mais cela n'a pas été possible. Ils ont toutefois fait du vélo en Afrique.
Joris reçoit une lettre de son neveu Noah. « Maintenant que nous avons nous-mêmes des enfants, il n'est plus aussi facile de faire de longues randonnées à vélo, mais ce qui est formidable, c'est que les liens avec la famille se resserrent. »
En tant que chercheur universitaire spécialisé dans les migrations, Joris a rencontré beaucoup de gens du monde entier. « Le monde est vraiment petit », dit-il en me remettant une lettre pour son ami Yannick, qui est venu du Congo aux Pays-Bas et qui est maintenant mon collègue. Son fils Polle participe à la rédaction de la lettre, car Mitch, le fils de Yannick, est son ami.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Michel Huisman m'a envoyé à la recherche de mon moi passé. Je passe à vélo devant l'appartement où j'étais assis sur ce cheval à bascule, lorsque j'ai eu mon premier souvenir. Mais ce Jordi-là, il n'est plus là.
Le Jordi qui se tient ici aujourd'hui est un peu déçu, il s'était imaginé ce moment un peu différemment. Mais, conclut-il, la vie est telle qu'elle se présente.
Michel avait affirmé que Jordi devait revenir au début pour pouvoir trouver la fin. Peut-être est-ce l'inverse.
Je continue à pédaler vers ma prochaine lettre.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Deux messieurs vêtus de pulls défraîchis me regardent avec un peu d'étonnement. L'un est grand, l'autre petit. Ils mâchent encore quelque chose. « Désolé de vous interrompre », dis-je. J'explique brièvement que je viens apporter une lettre de grand-père Piet. Il était présent lors de ma performance à Venray et a écrit une lettre à Teun pour lui demander s'il avait une lettre à me remettre afin de m'aider à poursuivre mon chemin.
Teun est le plus petit des deux et vient d'apprendre à écrire M-U-S, ce qui rend les choses un peu difficiles.
« J'aimerais bien écrire une lettre », dit Kors, à mon ami Richard à Herten. Avec Martien, nous formions autrefois un trio très soudé. Je suis le seul à être resté à Nimègue.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
« Pourriez-vous emporter une lettre en Géorgie ? », demanda Anke avec hésitation après la représentation à Venray.
Anke a beaucoup de famille à l'étranger, et Inga est la mère de la petite amie de son cousin. Elle ne parle que géorgien, Anke ne peut donc pas lui écrire directement. Je vais chercher la lettre chez elle, à Beek. Il fait encore beau, nous nous installons donc dans le jardin.
Elle l'avait déjà rencontrée il y a quelques années, avait reçu toutes sortes de cadeaux et n'avait jamais pu la remercier comme il se doit, en partie à cause de la barrière de la langue.
Elle me montre à quel point la Géorgie est belle à travers des cartes et des photos. Je dois encore pédaler un moment pour contempler cette beauté de mes propres yeux, en route pour remettre cette lettre à Inga.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Une porte grince et s'ouvre lentement. Une tête apparaît, comme dans un théâtre de marionnettes. C'est tout ce que je peux voir d'elle. À part sa main qui, comme dans un théâtre de marionnettes, se tend pour prendre la lettre de Cara. Cara lui a écrit cette lettre pendant la performance à Eupen. Elle ne veut pas écrire de lettre. Je sens qu'elle préfère refermer rapidement la porte. Je ne suis pas autorisé à regarder derrière ces coulisses. La chaîne s'arrête ici.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Noah reçoit une lettre de sa grand-mère, qu'elle écrit non loin de là, dans le parc Odapark. Elle lui dit qu'il est très spécial pour elle. « Ça m'a fait très plaisir de lire ça », dit-il sincèrement, un peu timide. Il n'y a rien de mal en ce garçon. Il doit encore réfléchir à qui il va écrire une lettre. Le lendemain matin, je viens la chercher : elle est adressée à son oncle, Joris. « Pourquoi lui écris-tu une lettre ? », lui demandé-je. « Pour deux raisons : parce qu'il habite le plus loin de toutes les personnes que je connais et parce qu'il est un peu malade en ce moment, donc ça lui fera du bien. »
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
« PAS INTÉRESSÉE ! », hurle Fanny en claquant presque la porte au nez. « Mais vous ne savez même pas ce que je viens faire », balbutie-je, déconcerté.
Elle pensait que je venais lui vendre quelque chose. Mais je viens seulement lui donner quelque chose pour ensuite lui livrer gratuitement une lettre. À vélo !
Je comprends son scepticisme, quand quelque chose semble trop beau pour être vrai, c'est souvent qu'il y a un hic. Heureusement, je parviens à la convaincre que je viens vraiment en paix et je lui explique qu'elle ne doit pas se sentir obligée.
Elle rayonne lorsque je lui dis que Ronald, qui lui a envoyé une lettre depuis Sankt Vith, la qualifie d'« indispensable ». Plus tard dans l'après-midi, elle m'apporte une lettre. Adressée à...
Ronald !
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
« Pour qui as-tu du courrier ? », ai-je demandé à Naomi pendant la représentation au Centre culturel de Hasselt. « Pour lui », a-t-elle répondu en désignant un garçon assis quelques sièges plus loin. Un grand gaillard sympathique. Ils n'avaient rien entre eux, ils étaient simplement amis, de bons amis. « Qu'est-ce que tu vas écrire ? Une blague entre nous, quelque chose à propos d'un salon de coiffure. Et à qui enverrais-tu quelque chose pour continuer la chaîne ? », ai-je demandé à Matthijs. À elle, a-t-il répondu. Ils ont tendu les bras et ont pu se toucher du bout des doigts. « Nous sommes connectés », dirent-ils. La piste cyclable entre As et Dilsen, où l'on peut très bien rouler lentement, semblait avoir été construite spécialement pour eux. Je pourrais faire la navette jusqu'à la fin des temps sur cette piste cyclable toute droite entre Naomi et Matthijs.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Richard est le deuxième du trio Kors-Martien-Richard. « Je suis le plus discret des trois, même si cela ne se voit pas forcément », dit-il après avoir discuté un moment autour d'un café et de beignets aux pommes faits maison.
Tous trois ont étudié la chimie et sont toujours restés en contact, même si Richard vit désormais près de Roermond et Martien en Allemagne, entre Cologne et Bonn.
C'est donc là que Richard m'envoie maintenant. Et c'est ainsi qu'il me fait passer du circuit intérieur au circuit extérieur, vers la fin du monde.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Je n'ai malheureusement plus le temps de rencontrer le frère d'Anette...
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Une lettre d'Angelique van de Berg-van de Heuvel (vraiment !) à son fils Bram. « Je n'écris jamais de lettres, mais je remarque que cela fait du bien ». L1 était présent et a réalisé un reportage qui s'est terminé par un spectaculaire crash de drone.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Je suis déjà passé plusieurs fois devant ce centre culturel situé à la frontière et nous avons également eu un contact téléphonique. Un centre culturel installé dans un ancien poste de douane, où aujourd'hui les gens sont reliés les uns aux autres, au lieu d'être séparés. C'est un rêve pour ce coursier à vélo. Malheureusement, je ne trouve personne. Je décide de laisser une lettre, dans l'espoir de rencontrer un jour les personnes derrière Kukuk.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Joseph Oubelkas a passé plusieurs années injustement emprisonné au Maroc. Ce sont ses lettres qui lui ont permis de tenir bon. Elles l'ont aidé à continuer à voir les gens malgré les conditions inhumaines. Il a écrit un livre à ce sujet : « 400 lettres de ma mère ». Lorsque je lui ai expliqué mon projet, je lui ai dit : « Désolé, c'est un peu compliqué », et il m'a répondu : « Peut-être que le problème ne vient pas de toi, mais du monde, des gens qui ne veulent pas comprendre. »
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Un homme aux cheveux noirs courts et aux yeux souriants me regarde avec impatience. Je lui explique ce que je viens faire : remettre une lettre à Naomi. « Entrez donc. » Un petit enfant aux boucles blondes vient de manger avec son visage. Il rampe vers une boîte blanche contenant... des billets de banque ? « Naomi est à l'église. » C'est dimanche. « Par hasard, je suis resté à la maison aujourd'hui », sinon vous vous seriez retrouvé devant une porte close. « Les choses n'arrivent pas sans raison. » Je lui explique mon projet. « Ah bon. Avez-vous besoin d'argent ? », me demande-t-il. Légèrement mal à l'aise, je lui parle des subventions et du financement participatif. Il se dirige vers la boîte blanche et en sort quelque chose : « C'est la plus grande contribution que je puisse apporter. » Il me tend un billet de 1 000 000 € ! Dans quel monde puis-je payer avec ça ? « Pourquoi faites-vous cela, avec ces lettres ? » « Je crois – très fortement – en l'être humain », lui réponds-je. Le sourire dans ses yeux fait place à quelque chose de plus sérieux. Le père de Naomi dit : « Vous pouvez respecter scrupuleusement le code de la route toute votre vie, mais si vous roulez
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
J'ai rencontré Vanessa lors de la performance à Hasselt. Elle m'a alors dit : « Saviez-vous que pour certains détenus, les lettres sont leur seul contact avec le monde extérieur ? » et « Je ne suis pas plus dangereuse que les personnes sans casier judiciaire ». Vanessa a été prisonnière, aujourd'hui elle raconte aux gens la vie en prison. Malgré tout ce qu'elle a vécu, elle n'est pas méfiante. Elle m'offre le gîte et le couvert lorsque je viens chercher sa lettre. Mais, dit-elle : « Si nécessaire, je sais me défendre » et elle montre une grande poêle à frire.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
« Qu'est-ce que tu viens faire ici ? », demande une petite fille aux yeux malicieux. Je glisse une lettre dans les mains d'un petit garçon réfléchi vêtu d'un maillot de football.
Il ne comprend pas encore très bien ce qui lui arrive. Je pense que c'est quelqu'un qui ne parle que lorsqu'il a quelque chose d'important à dire. Sa petite sœur, elle, a le cœur sur la main : « On est en train de manger des pâtes, mais on préfère la pizza ou les frites. » Ça sent la bolognaise. « C'est sympa, mais le repas va refroidir », dit leur mère. Ils n'ont pas de nouvelle adresse pour l'instant. Je n'ai jamais rencontré leur père, Yannick, un collègue livreur originaire d'Afrique. Ce qui est beau dans le monde et dans le secret des lettres, c'est leur potentiel : certaines histoires restent inédites.
Les lieux sont approximatifs pour des raisons de protection de la vie privée.
Eh bien, voilà qui change des coups de téléphone : une lettre. En réalité, une machine à remonter le temps, car au moment où tu liras ceci, je serai déjà ailleurs, enrichi de mille expériences de plus.
Hier, je suis arrivé dans la première vraie grande ville de Chine : Lanzhou. Et, pour la énième fois dans ce pays, j’ai été totalement submergé par la quantité de tout : les gens, les voitures, le bruit, les petites boutiques et les restaurants, et les caractères chinois à l’infini, dont je ne sais encore en lire que quelques-uns. 人, par exemple, se prononce « ren » et signifie personne ; facile à retenir, parce que cela ressemble à deux jambes. 山 se prononce « shan » et signifie montagne, facile aussi si l’on pense à trois sommets.
Et dire qu’il existe des dizaines de milliers de caractères, et qu’environ 3 000 sont utilisés dans la vie quotidienne. Je connais bien quelques mots de plus à l’oral, mais je ne vais guère plus loin que « Je ne comprends pas » et « Je m’appelle Yi-Feng ». 逸风 : c’est mon nom. Le sens est quelque chose comme « artiste, libre comme le vent », ce que j’ai trouvé assez approprié.
C’est cela, la beauté des caractères chinois : ils portent tous une charge, une signification. Ainsi, chaque nom a plus qu’une fonction décorative. Il dit quelque chose de la personne, ou peut-être de ce que les parents espéraient lorsque leur enfant est né. Mais lorsque je prononce mon nom, les gens entendent des caractères tout à fait différents. En chinois, chaque voyelle peut se prononcer selon quatre tons. C’est ainsi que j’essaie de les retenir.
Mais tout cela est inutile, car dans le peu de temps que je passe ici, je n’apprendrai jamais cette langue. Enfin, tout mon voyage ne consiste-t-il pas à déployer une énergie immense pour obtenir un résultat minuscule : livrer une lettre ? Il y a de la beauté dans un acte apparemment inutile, à contre-courant. Au fond, ce qui compte, c’est le chemin pour y arriver, et ce que l’on y rencontre. C’est parfois agréable, et parfois pas du tout.
Je suis maintenant à Jiayuguan, la ville où commence la Grande Muraille, et au lieu d’écrire une longue lettre, j’aimerais voir un peu de cette muraille. J’espère que tu comprendras, et j’espère que ma lettre te fera, en pensée et en remontant le temps, voyager jusque-là toi aussi.
C’est étrange de visiter une muraille qui avait autrefois été conçue pour séparer les Mongols et les Chinois. Ce qui ajoute à cette impression, c’est la façon dont les sites touristiques sont administrés en Chine. Tout est très professionnel, comme dans un grand parc à thème, avec des bus touristiques en forme de chameau et beaucoup de panneaux, de barrières et de personnel de sécurité ; il y a peu d’occasions de se promener librement.
Et bien que j’aie appris à aimer la Chine, cela vaut pour le pays en général : il y a environ deux semaines, la police m’a fait changer d’itinéraire, parce qu’elle voulait que je suive la route principale afin de passer par un poste de contrôle. Et aujourd’hui encore, je dois comprendre comment poursuivre ma route à l’aide d’une carte très compliquée des districts interdits aux étrangers.
Les règles semblent parfois assez souples, et à d’autres moments vraiment strictes. Pour moi, en tant qu’étranger qui ne parle pas chinois, c’est donc un monde très étrange et imprévisible.
La police, cependant, est vraiment très aimable partout, tout comme la plupart des Chinois, même s’ils sont parfois un peu timides au début ou distants quand on ne parle pas chinois.
J’ai visité de nombreux endroits d’où je suis reparti avec un sac plein de nourriture et tant de paroles d’encouragement. Cela me permet vraiment de continuer.
Un cas particulier a été le village de Hedong, où j’ai demandé à camper à côté du poste de police — c’est très souvent possible. Après seulement cinq minutes, trois enfants regardaient derrière un mur et prenaient des photos de l’étranger exotique. Avant que je m’en rende compte, tous les enfants du village s’étaient rassemblés autour de ma tente et commençaient à apporter des provisions : des bananes, des oranges, des bonbons, des nouilles instantanées, de la glace, un melon, des snacks au soja très épicés pour voir si je pouvais les manger sans broncher. J’ai réussi le test.
Ici en Chine, tout est différent, mais vraiment tout. Je me sens ici comme un enfant qui doit encore apprendre à lire, à parler, même à manger ! L’avantage, c’est que l’on peut regarder le monde avec une curiosité sans préjugés. Cela a redonné un nouvel élan à mon voyage. Car pour être tout à fait honnête : dans l’interminable steppe kazakhe, il y a eu des moments où j’aurais préféré abandonner. Mais je ne l’ai jamais fait.
Hier soir, j’ai passé deux heures dans un commissariat à attendre qu’on trouve un hôtel prêt à m’accueillir comme voyageur étranger.
Les Chinois sont en général très aimables et polis, mais il y a ici une certaine logique interne que je n’arrive absolument pas encore à comprendre.
Je veux écrire un livre sur ce voyage, et je suis curieux de savoir comment je regarderai ce pays plus tard.
Où étiez-vous assis en lisant cette lettre ? Ensemble ou seuls ? J’espère que c’était dans le jardin. Ai-je réussi à rendre un peu présents les mondes étranges que j’ai traversés en vacillant, là-bas, pendant que les oiseaux chantent et que le train Arriva passe en grondant au-dessus de vous ?
Qu’entendez-vous et que voyez-vous encore là-bas, dans cet exotique Valkenburg ?
J’espère, à mon retour, voir et entendre tout cela avec vous autour d’une bonne tasse de café, ou mieux encore : d’un bon verre de vin d’Aix-la-Chapelle.
Comment s’appelait-il déjà ? Je regrette encore d’avoir refusé cette bouteille par politesse. Depuis, en Turquie et au Kazakhstan, j’ai appris qu’en acceptant l’hospitalité et la générosité, on fait aussi plaisir à celui qui donne. Nous autres Hollandais pourrions encore apprendre beaucoup de cette hospitalité évidente, sans sentiment de culpabilité. C’est cet esprit que j’espère rapporter avec moi d’Extrême-Orient.
Je raconte souvent les portions quotidiennes d’humanité que je reçois : des gens qui s’intéressent à toi, qui aident aussi, donnent des sacs, de la nourriture, oui parfois même de l’argent, et un mécanicien vélo qui a voyagé de Ziehisten au Kirghizistan pour faire une réparation pour moi. Imaginez cela en Belgique ou aux Pays-Bas ! Mais je suis aussi confronté quotidiennement à des différences culturelles que je ne peux absolument pas comprendre, encore moins accepter ou suivre. La seule chose que je puisse faire, c’est laisser les choses se produire tranquillement, en écrire à ce sujet et me demander pourquoi les choses sont comme elles sont.
Les plus belles et les meilleures choses à Hasselt sont-elles aussi simplement gratuites ?
Il y a trois jours, j’ai rencontré trois jeunes Chinoises dans une petite boutique au milieu du désert. Une oasis où l’on peut espérer trouver une bouteille à boire ou un sachet de bonbons. En Chine, les gens sont un peu plus réservés qu’au Kazakhstan. Réservés peut sembler négatif, mais en réalité, ils ont plus de respect pour l’espace personnel et sont plus polis qu’au Kazakhstan, par exemple. Mais quand elles m’ont vu entrer, leurs bouches et leurs yeux se sont grand ouverts, et j’ai entendu un soupir. L’une des filles a chuchoté, incrédule : un étranger !
Alors que je bois ma bouteille de soda chinoise, je vois les filles chuchoter d’abord et épier par la fenêtre. Puis la plus courageuse des trois s’approche de moi et me met son téléphone sous le nez. Elle recule, et les autres filles s’approchent aussi prudemment. Et puis on entend, avec un accent américain et une légère intonation chinoise : Hi! I am a Chinese AI and I am helping these kids to talk to you. So where are you from?
L’IA ne m’a jamais donné son nom. Mais je raconte mon histoire – où j’ai été, ce que je fais, je parle des lettres. L’IA pose les questions, puis traduit à la fois les questions et les réponses. L’IA mène la conversation. C’est un peu gênant. Mais les filles semblent satisfaites des réponses, s’inclinent et disent elles-mêmes : thank you.
Juste avant que je ne remonte sur mon vélo, la fille courageuse me glisse un sachet de bonbons dans les mains, et l’IA dit : these are Chinese candies, I hope you like them!
Tout a commencé à environ 100 km de la frontière géorgienne, toujours le long de la mer Noire, qui avait été ma compagne depuis des semaines. Qui aurait pu imaginer qu’elle se retournerait contre moi ? Tout s’est passé sur une route de contournement d’un tunnel, que je croyais sûre. Car environ 50 km avant l’incident avec la mer Noire, j’avais été percuté par une voiture dans un tunnel, après avoir failli l’être par un camion. Après l’impact, un homme plus âgé est sorti d’une petite camionnette blanche, a levé les mains vers le ciel et a crié : Allah ! Allah ! Puis il s’est approché de moi, les larmes aux yeux, et a commencé à caresser mon visage avec ses mains rugueuses comme du papier de verre, comme un père.
[...]
Mais comme pour les défis physiques que j’ai rencontrés, comme l’accident avec la mer Noire, chaque fois j’ai rencontré des gens qui m’ont aidé à avancer vers l’est, des gens qui croient en ma mission. Et bien que je voyage strictement par la force humaine ce qui signifie sans véhicules motorisés, ce sont justement les personnes qui m’ont aidé – qui ont été hospitalières – qui ont montré la vraie puissance humaine, même s’ils utilisent peut-être des voitures et des bus, comme Azamat, le mécanicien vélo de Tachkent. Il est venu tout exprès d’Ouzbékistan avec une pièce très spécifique qui s’était détachée après la réparation dans son magasin. Il a roulé 12 heures par un temps orageux, a traversé la frontière vers le Kirghizistan, pour m’aider. Et je lui en suis si reconnaissant, car tout comme avec l’accident de la mer Noire, la pièce manquante de mon pédalier aurait pu me forcer à abandonner mon voyage à force humaine. Azamat a compris cela. Il a compris ma mission et a décidé de m’aider. Je lui ai écrit une lettre émouvante pour exprimer ma gratitude envers cet ange sur la route. Il a peut-être sauvé cette mission – la connexion entre l’Est et l’Ouest – car j’ai pris une décision : si le moment vient où je suis forcé de descendre du vélo et de monter dans un véhicule motorisé, le voyage sera terminé.
Cela me rappelle Irina, la propriétaire d’une petite boutique dans le village de pêcheurs russes d’Oranzherei. J’avais été chassé de quelque part, il faisait un froid de canard, et elle m’a recueilli. Thé ! Assieds-toi ! Approche ta chaise ! Bois ! Enlève ta veste ! Où est ton passeport ? Tu ne l’as pas laissé sur ton vélo, si ? Qui laisse son passeport dehors ? Va le chercher ! Range-le ! Assieds-toi ! Comment tu bois ?
Oui, l’hospitalité russe pouvait être un peu brutale. Pourtant, partout dans cette région du monde, on m’aide, que je vienne d’un pays ennemi ou non. Le sommet de l’humanité, c’était Azamat, le mécanicien vélo ouzbek, que je considère désormais aussi comme un ami. Il a été percuté de front par une voiture alors qu’il emmenait mon vélo au lavage auto. Mais peu importe. À 400 kilomètres de Tachkent, déjà de l’autre côté de la frontière au Kirghizistan, j’ai découvert un problème technique après la réparation. Pas le genre de chose que l’on peut réparer comme ça, au milieu de nulle part, car il fallait une pièce très spécifique. Après plusieurs appels, Azamat a décidé d’apporter lui-même la pièce au Kirghizistan. Imaginez cela aux Pays-Bas : un mécanicien vélo qui parcourt 400 km pour vous aider !
Ensuite, je veux te parler d’une chaîne de connexions qui a commencé à Aix-la-Chapelle et que je croyais morte à Zagreb. Mais puis j’ai réalisé que je devais moi-même jouer mon rôle en tant que personne qui relie les gens. J’ai décidé de relancer la chaîne quand j’ai rencontré Ilya, un Biélorusse, à Batoumi, en Géorgie. Il était impatient d’envoyer une lettre vers l’Est, et ainsi, Aix-la-Chapelle sera connectée à l’Asie du Sud-Est !
J’espère que l’esprit des 4 Tilleuls – beauté, solidarité, paix et créativité – atteindra sa destination : jusqu’au bout du monde. Je suis assez confiant que cela arrivera, car cet esprit peut être trouvé partout.
Parfois, il faut franchir des frontières culturelles, comme je le remarque de plus en plus, mais malgré les difficultés rencontrées, j’ai trouvé, avant tout, beaucoup de gens prêts à aider, à écouter et à faire preuve de curiosité.
Mais d’abord, je veux te raconter quelque chose d’amusant : ce matin, au petit-déjeuner (je séjournais dans une petite auberge ici), un homme m’a abordé. Nous avons parlé quelques minutes en russe, car je connais maintenant assez de mots pour expliquer ou demander des choses simples. Mais après qu’il m’ait dit qu’il était le fondateur d’un chantier local où une centrale hydroélectrique est en construction, et après que j’aie expliqué que je faisais du vélo depuis les Pays-Bas, il a répété plusieurs fois quelque chose que je ne comprenais pas. Alors il a sorti son téléphone, a tapé quelque chose, et j’ai lu sur son écran : wie laang ziet geen al ongerwaeg. Et il y avait autre chose que j’ai oublié, car j’étais si surpris de lire soudain du limbourgeois, au fin fond du Kazakhstan, dans un petit village de montagne sans importance. Et j’ai réalisé à quel point c’est bizarre que j’ose parler russe, mais pas limbourgeois, alors que c’est la langue maternelle de mon père et celle du Limbourg, où je vis !
Je me trouve actuellement dans un cadre très confortable : un café luxueux dans la ville de Kyzylorda, une oasis au milieu de la steppe infinie avec ses buissons bas, ses vents contraires et ses cerfs blancs, cette steppe que j’ai appris à aimer. Souvent, à la fin de la journée, la steppe est mon chez-moi et je crée une oasis de calme dans ma petite tente. Je n'entends alors plus la route sans fin qui traverse cet immense pays qu'au loin, comme un lointain souvenir, et je me laisse surprendre par la quantité étonnante de vie qui règne dans cette région en apparence inhospitalière. Si tu regardes au loin, tu vois une masse brune, parfois jaune et un peu verte. Le truc, dans la steppe, c’est de ne pas regarder devant soi, mais vers le sol : c’est là que la vie s’épanouit. Oui, même des fleurs, des papillons colorés, des rongeurs, des insectes, des feuilles vert-rouge que j’appelle « steppesk », et plein de petits oiseaux qui chantent.
J'écris d'ailleurs ces lignes sur de vieilles additions du restaurant où je me trouve actuellement. Encore un monde totalement différent ! Dans cette ville, c'est Nurbol qui m'accueille : il m'a en quelque sorte adopté. Il a 45 ans et travaille pour une compagnie pétrolière. Sa famille possède un empire de la restauration, comprenant ce restaurant, un bar karaoké, une discothèque et un hôtel : mon lieu de séjour pour 3 jours. Profiter un peu des luxes qu'une ville a à offrir. Pour une fois, pas de soupe de nouilles ni de fruits secs pour le dîner. Et du karaoké tous les soirs ! Nous avons appris ensemble à chanter « Space Oddity » de David Bowie : une chanson assez compliquée ! Nurbol a dit aujourd'hui, d'un air un peu mélancolique, qu'il continuerait à la chanter et qu'il penserait alors à moi.
Hier, c'était l'anniversaire de son fils Nura, qui a eu 16 ans. Comme cadeau d'anniversaire, je lui ai donné un billet de banque, mais aussi une lettre. J'ai souhaité au jeune Nura de réussir dans la vie et je lui ai donné quelques conseils avisés, comme celui de réaliser ses rêves autant que possible et de faire au moins une fois dans sa vie un long voyage à vélo pour apprendre à vivre simplement. Nura est un bon garçon, ça se voit tout de suite. Après avoir reçu mon cadeau, il est allé s’asseoir dans un coin pour le traduire, puis il est revenu, ému. Il m’a dit qu’en le lisant, il avait senti que j’avais écrit avec mon cœur et qu’il m’en était reconnaissant. Il a ajouté qu’il garderait cette lettre pour toujours et a posé sa main sur son cœur. Je ne veux pas dramatiser, mais cela m’a touché en plein cœur. Ce n’est pas un adolescent indifférent, mais un être humain en devenir, qui comprend que les mots que je lui ai donnés étaient un cadeau plus précieux que l’argent. Cela me donne de l’espoir pour l’avenir, de voir que les jeunes d’aujourd’hui savent reconnaître l’affection dans une lettre et en comprendre la valeur.
Chères Sonia et Xenia,
Votre hospitalité a été si généreuse qu’il m’est difficile de trouver les mots pour exprimer ma gratitude. À mon arrivée à Oranzherei, j’ai trouvé la porte fermée et des gens qui m’ont chassé, mais ensuite, en franchissant le seuil de la boutique verte, j’ai découvert le vrai visage de ce village de pêcheurs : la solidarité, l’amitié et, bien sûr, une cuisine délicieuse.
Malheureusement, au cours de mon voyage, je n’ai reçu aucune lettre à remettre en Russie. C’est pourquoi j’ai décidé de vous en écrire une. Avec cette lettre, je vous envoie un cadeau, un lotus, qui est peut-être aussi une sorte de lettre, de la part d’un étranger pas très loin de vous, d’une compatriote russe qui vit dans un autre monde, un monde de temples bouddhistes et d’héritage mongol. C’est Svetlana qui me l’a donné au temple de Dzhalykovo, y êtes-vous déjà allées ? Si ce n’est pas le cas, je vous recommande d’y aller et de la rencontrer. Elle vous expliquera l’histoire du temple et de son peuple. Je n’ai pas de religion, mais le bouddhisme ne cesse de croiser mon chemin au cours de ce voyage. J’ai d’abord livré des lettres de bouddhistes à d’autres bouddhistes, de Berlin à l’Italie puis en Slovénie, avant de traverser la Kalmoukie, une région dont je n’avais jamais entendu parler. La steppe, avec son vent froid et ses routes droites à l’infini, des bandes grises, parfaitement rectilignes, comme si elles avaient été tracées au crayon. La steppe est un endroit qui m'effraie, mais heureusement, j'ai pu trouver ces deux oasis de chaleur humaine. C'est pourquoi je vous transmets ce cadeau, d'humain à humain, à travers le pays, car d'autres personnes se trouvent à portée de vélo. Et je suis heureux que mes coups de pédale m'aient conduit jusqu'à vous, et d'avoir trouvé votre amitié.
J'ai découvert quelque chose de nouveau ! Je suis moi-même un acteur de tout cela. Le messager, l'émissaire, moi, je suis un être de chair et de sang, qui peut aussi servir de lien dans ces chaînes. Je peux donc ainsi – grâce au pouvoir de la connexion – redonner vie à une lettre restée en suspens en acceptant une lettre de quelqu’un qui souhaite écrire. Comme Yalçin, le professeur de philosophie, ou Ilya, de Biélorussie, qui dirige en Géorgie une communauté végétarienne et sans alcool et qui a de nombreux contacts en Asie du Sud-Est. Être connecté, connecter, ce n’est pas quelque chose qui tombe du ciel, mais pour lequel il faut faire des efforts.
Le langage est très restrictif. Il faut tellement de mots pour expliquer quelque chose que l'on peut visualiser en une fraction de seconde dans sa tête. D'un autre côté, c'est aussi ce qui fait la beauté du langage : l'autre s'empare de vos mots et s'en fait sa propre image mentale. Ainsi, les mots recèlent une infinité de mondes. Les nuances de bleu et de gris de la mer Noire dans votre tête sont légèrement différentes de celles dans la mienne. C'est peut-être pour cela que je voyage à travers le monde avec des lettres : dans une tentative désespérée de « traduire », de rapprocher toutes ces images mentales, ou peut-être de les juxtaposer.
Le célèbre pont du Bosphore à Istanbul est une autoroute. Il était facile d'y accéder, il y avait un large accotement et la route ressemblait beaucoup aux autres autoroutes turques.
Mais ensuite, j'ai vu le nombre infini de voitures qui allaient et venaient. Que faire ? Impossible de faire demi-tour, je devais traverser le pont pour me rendre en Asie. Alors, j'ai simplement commencé à pédaler aussi fort que possible et j'ai essayé de ne pas y penser. Je me suis soudain retrouvé au milieu du trafic fou d'Istanbul, avec des bus et des voitures qui roulaient à 100 km/h. Certains klaxonnaient. Mais j'ai alors compris qu'ils ne klaxonnaient pas pour m'agacer, mais pour me saluer ! Et avant même de m'en rendre compte, j'ai vu des panneaux indiquant « Bienvenue en Asie ». C'était tellement facile !
Je continue un peu et m'arrête à un arrêt de bus. Un employé du bus m'accompagne jusqu'au quai et m'indique la sortie, comme si c'était la chose la plus normale au monde. Un sentiment de joie envahit tout mon corps. Je suis en Asie, et j'y suis arrivé à la force de mes jambes !
Pour la première fois depuis longtemps, voire pour la première fois de ma vie, j'ai le mal du pays. Je pense que c'est parce que ma mère et ma bonne amie Lisa viennent de quitter Istanbul. Elles m'ont rendu visite pendant quelques jours. Nous avons vécu comme des touristes, nous émerveillant devant les merveilles d'Istanbul, prenant des tonnes de photos, nous faisant arnaquer à plusieurs reprises et jouant à des jeux de société le soir. Pour la première fois en trois mois, je me suis arrêtée. J'ai goûté un peu à la vie calme à la maison et j'ai passé du temps avec des personnes que j'aime et avec lesquelles j'ai un lien profond. Cela me manque, et elles me manquent. J'ai l'impression d'avoir un nœud à l'estomac.
Je suis toujours en route avec les chaînes d'Eupen, Hasselt et Venray. Et bien sûr, une lettre envoyée depuis Kerkrade par mon ami John. N'oublions pas que vous êtes également liés aux personnes qui ont écrit ces lettres, tout comme vous êtes liés à moi. J'espère donc que vous continuerez à suivre mon voyage jusqu'au bout du monde, comme mon prochain grand défi : traverser le Bosphore. Le pont du Bosphore n'est pas accessible aux vélos. Il dispose d'un trottoir, mais il n'est plus permis de le traverser à pied en raison des suicides. Mais les choses sont assez souples en Turquie, et j'ai déjà roulé à vélo sur une autoroute dans le sens inverse pour rejoindre l'hôtel où je séjournais il y a quelques jours. Je vais donc tenter le coup ! Je n'ai aucune idée de ce qui se passera si je n'y arrive pas. Si je suis arrêté ou escorté dans un véhicule, ma série d'efforts à la force humaine prendra fin. Qu'est-ce que cela signifierait pour moi, pour ce projet ? Je n'en ai vraiment aucune idée. Vous en saurez probablement plus dans ma prochaine lettre.
Écrire m'a toutefois aidé à moins souffrir du mal du pays. Je me sens mieux maintenant ! Plein d'espoir, impatient de relever le défi qui m'attend. Peut-être ai-je simplement réalisé que « l'échec » fait partie du voyage. Je vais m'en occuper et élaborer un plan, comme je l'ai fait ces trois derniers mois. Je peux y arriver. Il y a toujours des amis sur la route. Je suis connecté.
Partout dans la ville, on trouve des chiens et des chats errants. Les chiens aboient parfois et les chats veulent souvent des câlins. Cela semble être un mécanisme de survie chez les mammifères, alors tout comme je mange et bois de l'eau, je me nourris aussi de l'amour de ces chats de rue. Je suis en route depuis près de trois mois et on ne câline pas facilement des gens qu'on ne connaît pas bien. Pour quelqu'un qui transporte des gestes d'affection, le besoin de contact physique se fait parfois sentir. L'affection semble à portée de main, elle se cache dans les enveloppes que je transporte et je la sens passer dans le léger contact de main à main lorsque je livre une lettre. Mais toute cette affection ne m'est pas destinée : je ne suis que le messager. C'est pourquoi je suis très reconnaissant envers tous les adorables chatons que j'ai la chance de rencontrer. Je ne peux d'ailleurs pas me plaindre du manque de chaleur humaine et de celle des maisons. Aujourd'hui, je dors dans l'appartement de mon compatriote Niek, qui travaille comme indépendant dans le secteur technologique et qui est un fervent adepte du couch surfing.
J'ai récemment découvert qu'il est beaucoup plus facile de transmettre des émotions dans une lettre lorsque l'on sait à qui on s'adresse. Je m'adresse donc à vous, Didier, mais même si vous n'êtes pas Didier, n'hésitez pas à continuer votre lecture. Imaginez que vous êtes « D » ou ajoutez un D devant votre propre nom. Je t'écris depuis Tivat, au Monténégro, une petite ville touristique située dans la baie de Kotor. Ici, on voit des plaques d'immatriculation du monde entier. Je viens d'en voir une nigériane ! Et il est assez courant de voir des voitures serbes garées à côté de voitures albanaises, ou des voitures russes à côté de voitures ukrainiennes.
Je suis assis dehors. Je sens une brise océanique chaude caresser mon visage. Il ne fait pas vraiment chaud, mais après avoir survécu à l'hiver rigoureux en Bosnie, le climat méditerranéen doux est une bénédiction pour moi, et je passe chaque minute dehors sans frissonner, comme si c'était la dernière. Ce pourrait être le cas. Qui sait ce qui m'attend ! [...]
Comment ça se passe là-bas ? Je me demande si une douce brise vous chatouille les joues. Je me demande si le temps est gris ou ensoleillé et quel genre de nuages vous avez. Je ne peux pas décrire le ciel ici en ce moment. C'est tellement compliqué ! Certaines parties ressemblent à des bandes de brume, d'autres à des montagnes de nuages avec des nuances de bleu, de gris et de blanc, d'autres encore sont complètement bleu ciel. Je ne peux pas voir l'océan d'où je suis assise, mais je suis sûre qu'il est aussi bleu que jamais. J'ai essayé de prendre des photos, mais c'est impossible, ces nuances de bleu ne peuvent pas être capturées. La seule façon de les voir, c'est de les regarder ou de lire cette lettre.
Bon, il s'est passé beaucoup de choses en chemin. Beaucoup de rencontres, quelques personnes qui ne voulaient pas participer, mais surtout beaucoup d'enthousiasme et d'hospitalité. Comme à Orvieto, où j'ai remis une lettre à Chiara et à sa famille le jour de Noël (« tu es un lutin de Noël ! ») et où, avant même de m'en rendre compte, je me suis retrouvé à jouer au Monopoly.
Mais aussi : être chassé d'un terrain de camping par un chien de berger en République tchèque et deux quasi-accidents, dont un volontaire : ce chauffeur de bus voulait me donner une leçon parce que, selon lui, je ne roulais pas au bon endroit. « Ce n'est pas une raison pour essayer de tuer quelqu'un volontairement », lui ai-je crié au visage, et cela venait du fond du cœur. L'autre fois, c'était en Italie, avec une femme dans une petite Fiat Panda (rouge vif) ; quelques mètres plus loin, elle m'a coincé pour s'excuser longuement.
Et ça marche ! En écrivant des lettres à la chaîne, on arrive vraiment à quelque chose. L'autre est à distance de vélo. Plus je m'éloigne de chez moi, plus les gens semblent apprécier que je fasse tout cela à vélo. Même si la fatigue me rattrape parfois et que j'ai parfois des problèmes physiques, cela me conforte dans ma mission.
Mais la plupart du temps, l'accueil est chaleureux. Comme aujourd'hui chez Andreina. Elle a fait visiter l'église, qu'elle souhaite entièrement recouvrir de mosaïques, pendant que j'attendais. Puis elle m'a invitée à déjeuner, et même à passer la nuit chez elle. Et elle m'a donné une lettre à remettre en Croatie !
Son projet est d'ailleurs incroyable : elle voulait sauver cette église de la démolition et a décidé de proposer d'en faire un projet artistique, sans rien demander en retour. Elle s'est vite rendu compte que son projet de recouvrir toute l'église de mosaïques était si ambitieux qu'elle avait besoin d'aide. Des bénévoles et des artistes ont commencé à affluer. Tout le monde a littéralement apporté sa pierre à l'édifice. Aujourd'hui, l'église est une attraction touristique.
Comment suis-je arrivé ici ? Je vais vous le dire dans un instant, car je voudrais d'abord revenir à la lettre précédente, écrite depuis le Schleswig-Holstein. Je vous y disais que ma prochaine lettre me mènerait à Berlin. Peu après avoir écrit cette lettre, j'en ai reçu une autre à Berlin, ce qui tombait bien. La dernière fois, je devais encore envoyer ma première lettre de chaque « chaîne de connexion ». Entre-temps, toutes les chaînes sont bien en place, mais certaines ont été rompues. Je voulais dessiner ici un petit visage en pleurs, mais je trouve que cela ne se fait pas dans une lettre. En revanche, je peux dessiner une carte avec mes chaînes de connexion actuelles.
Je suis curieux de savoir ce que vous pensez de cette vie qui repose uniquement sur la force musculaire. Cela peut sembler romantique et libre, mais croyez-moi, c'est aussi souvent très difficile. Je vous envie alors, vous qui avez chaque jour un lit chaud, un salaire chaque mois et des amis, des collègues, une famille autour de vous. Pour moi, cette vie « en marge de la société » est souvent un peu plus intense. Quand je rencontre des gens qui apprécient mon projet (certains me remercient à plusieurs reprises pour ce que je fais), que je fais des rencontres spéciales (comme avec le petit Leo à Munich, qui m'a offert un cadeau de Noël : « À n'ouvrir qu'à Noël », m'a-t-il dit sérieusement) ou que je découvre des endroits magnifiques, comme Florence, je ressens une grande joie et j'ai le sentiment d'être sur la bonne voie. Mais par une journée brumeuse et pluvieuse dans les Apennins, à 900 mètres d'altitude, où je ne vois rien et où j'ai les orteils gelés, ou lorsqu'un automobiliste me fait encore une fois presque sortir de la route pour me donner une leçon, ou lorsque quelqu'un reçoit une lettre que j'ai parfois mis des jours à livrer à vélo et qu'il n'y prête aucune attention, eh bien, alors la tristesse ou la solitude, ou le sentiment que personne ne vous comprend, peuvent aussi tout dominer.
Cela me ramène à ma nuit passée à Odapark, il y a environ deux mois. Je m'apprêtais à aller me coucher lorsque Piet a tapé à la vitre. Il avait assisté au spectacle et voulait me remettre une lettre destinée à son petit-fils Teun, à Nimègue. C'est parfait : je dois aller chercher la lettre d'Anke à Beek et livrer une lettre à l'oncle Joris du petit Noah à Nimègue, alors je prendrai aussi la lettre pour Teun avec moi ! Piet me parle de la magie du langage, de combien c'était merveilleux de voir le petit Teun réaliser pour la première fois que : mmmm, uuuu, ssss -> m-u-s -> mus ! (moineau en néerlandais). Les enfants apprennent vite. Quels mots Teun savait-il déjà lire et écrire ? Quand j'étais là-bas, pas assez pour écrire une lettre, alors c'est son père Kors qui l'a écrite. Une lettre à son bon ami Richard à Roermond, qu'il connaissait depuis ses années d'étudiant, où ils formaient une sorte de trinité avec Martien, qui vit maintenant près de Bonn. Un beau parcours de liens transfrontaliers, où ce qui est agréable, c'est que je ne me contente pas de voyager vers des points sur la carte, mais que j'ai un passe-droit pour jeter un œil derrière les rideaux : dans la vie quotidienne. Je garde donc en mémoire l'image de Teun et Kors dans leurs pulls sales (ils venaient de manger !) et le goût des chaussons aux pommes faits maison de Richard.
Il me restait ce timbre allemand, alors j'ai décidé de vous envoyer une carte postale de Munich. Je ne suis pas venu ici pour admirer la beauté des bâtiments, mais pour découvrir la ville de l'intérieur : les salons, les cuisines, les familles, les histoires. Les lettres que j'ai distribuées ici m'emmènent maintenant en Italie et en Grèce !
Le 30 août, mon parcours a débuté à Kerkrade et depuis lors, je me déplace uniquement à la force de mes jambes. Pas de train, pas de voiture, pas d'avion, pas de ferry, pas même d'ascenseur ou d'escalator (il y a une semaine, à Strasbourg, en France, j'ai refusé d'entrer dans le magasin Decathlon, car il n'y avait que des escalators). Je crois qu'en me déplaçant uniquement à la force de mes jambes, je préserve l'affection avec laquelle ont été écrites les lettres manuscrites que je transporte.
L'affection se trouve souvent dans les détails, ou dans de petites choses insignifiantes. Ce n'est pas la qualité de vos phrases qui compte, mais l'effort que vous y mettez. Même si je ne sais pas qui vous êtes, j'essaie de vous envoyer mon affection depuis ici. Je suis assis à une table en bois dans une grande maison avec de hauts plafonds. Lorsque vous marchez dans cette maison, le parquet craque sous vos pieds. On entend que beaucoup de gens ont foulé ce sol, leurs histoires sont inconnues, mais dans ces craquements, j'entends le potentiel. Comme votre potentiel, et j'espère pouvoir entendre votre histoire un jour. Je suis dans cette maison à l'invitation d'Erich et Annette. Ils invitent des cyclistes dans leur maison pour les aider. Ils aiment partager ces hauts plafonds, il y a suffisamment d'air pour respirer ici. Si je regarde à ma gauche, je vois le Wörthsee, et derrière les collines, je vois les sommets enneigés des Alpes. « Là-bas, m'a dit Erich, c'est le Zugspitze. »
Odine m'envoie chez Schang à Kohlscheid. Un homme aux multiples talents : sculptures, graphisme, photographie. Nous parlons dans un mélange d'allemand, de néerlandais et d'anglais. Il me donne une lettre pour Kalle à Aix-la-Chapelle. « Comment vous êtes-vous rencontrés ? » lui ai-je demandé. « Il était mon mannequin préféré pour les mains. » Quand j'interroge Kalle sur ses belles mains, il les cache dans son pull. « Elles étaient belles autrefois. »
Martina, sa femme, est très stressée, elle s'occupe des lettres, des passeports et des cartes bancaires. Ce n'est pas le bon moment ? Une demi-heure plus tard, nous déjeunons ensemble : Kalle est un cuisinier talentueux et Martina s'est calmée. Je l'ai aidée à reconfigurer le clavier de son ordinateur en allemand, cela l'a aidée. « Ton timing était parfait, comme un ange », dit-elle.
Ils m'envoient chez leur amie commune Mona, à l'ancienne Havanna à Aix-la-Chapelle, qu'ils sont en train de rénover pour en faire un théâtre pour les prochains mois.
Il y a trois jours, en République tchèque, j'ai vécu une expérience effrayante : je voulais installer mon campement sur un terrain de camping (public, mais sans personnel) au bord du lac Milada, près de la ville d'Ústí nad Labem (Labe signifie « Elbe » en tchèque, mais ici, j'ai eu une rencontre moins accueillante). En arrivant au camping, j'aperçois déjà une tente. Je suis d'abord content d'avoir de la compagnie. Mais j'entends alors une femme pleurer, un homme élever la voix. « Bonjour, hello », dis-je. Et puis, c'est le silence total. Je connais cette sensation : vous entendez quelque chose à l'extérieur de votre tente et vous vous figez, espérant que « l'étrange » disparaisse de lui-même si vous restez immobile. Mais j'ai eu une longue journée, il fait froid et nuit, je n'ai donc pas l'intention de continuer mon chemin. Puis l'homme et la femme se mettent à crier. L'un vers l'autre ? Vers moi ? Je n'en ai aucune idée, car je ne les comprends pas. Soudain, la tente s'ouvre et un chien de berger de taille humaine en jaillit, qui se précipite droit sur moi. Je crie : « Hé ! Hé ! Hé ! » et je saute derrière un banc, face à face avec le chien à l'air dangereux. Heureusement, l'homme rappelle le chien. Je peux maintenant voir l'intérieur de la tente. Ces gens ne sont pas des vacanciers. L'auvent est rempli de chaussures. Dans la tente, à côté du « lit », se trouvent des sacs de supermarché remplis de provisions. Ces gens vivent ici. Le chien protège son territoire.
Il y a deux mois, j'ai reçu une lettre de Ronald, le père de Ruben Wit (Ruben est l'artiste qui a fabriqué cette magnifique boîte aux lettres !) ici à Sankt Vith. Elle était adressée à Fanny à Venray. Ronald travaille dans le secteur brassicole et est le patron de Fanny : « Elle est la meilleure, je ne saurais pas quoi faire sans elle », me dit-il. Quelques semaines plus tard, je sonne à sa porte. Elle me regarde, regarde ma valise remplie de lettres et s'écrie : « PAS INTÉRESSÉE ». Elle claque presque la porte, mais d'une voix douce et apaisante, j'essaie de la convaincre de m'accorder une minute. Je lui assure que je ne veux rien lui vendre. Je lui apporte quelque chose, un cadeau, et je vais lui faire une livraison gratuite. Cela prend un certain temps, mais je gagne sa confiance. Son visage s'illumine et elle sourit lorsque je lui rapporte les gentilles paroles que Ronald a dites à son sujet.
Le sentiment dont l'auteur avait imprégné la lettre était donc toujours vivant !
J'espère qu'en lisant cette lettre, tu ressentiras aussi quelque chose de moi : un sentiment d'intention. Car c'est cette humanité qui m'importe, c'est pourquoi je traverse maintenant le monde à vélo avec des lettres, parce que je crois en la bonté de l'être humain. À une époque où les groupes de personnes semblent s'éloigner de plus en plus les uns des autres, je veux rendre notre proximité tangible.
...
Après la performance à Hasselt, une femme aux cheveux roux est venue vers moi. Vanessa. C'est le genre de personne dont on ne peut pas vraiment deviner l'âge : elle a l'air jeune, mais quand on regarde ses yeux, on y voit tout un monde d'expériences. Elle m'a invité à Tessenderlo, car elle avait besoin d'un peu plus de temps pour rédiger une lettre, mais elle m'a demandé de bien vouloir venir la chercher : « J'ai beaucoup aimé ce que vous avez dit sur les lettres », m'a-t-elle dit. « Saviez-vous que les lettres sont parfois le seul contact des prisonniers avec le monde extérieur ? »
Il restait assez mystérieux quant au contenu et au destinataire. Était-ce vraiment une bonne idée d'écrire cette lettre ? Finalement, il ne l'a pas fait. Il a décidé, assez bizarrement, de m'écrire une lettre à moi-même. Jusqu'au bout du monde et retour. « Comme ça, je suis sûr que tu reviendras vers nous. »
Il m'a dit que je pouvais ignorer le secret postal. Si je voulais en lire un extrait de temps en temps pour me motiver, je pouvais le faire. J'ai bien besoin de motivation en cette matinée fraîche et brumeuse. Je vais donc ouvrir la lettre et la lire pour la première fois.
......
C'est une très belle lettre. En voici un extrait :
« Jordi ne fait pas de vélo pour s'échapper, mais pour trouver : la liberté, le silence et peut-être aussi une partie de lui-même, mais surtout : la bonté des gens. »