HuB
Omschrijving
Een kleine tempel voor geschreven woorden, een thuis voor je berichten en een symbool van gevoelige uitwisseling.
Een kleine tempel voor geschreven woorden, een thuis voor je berichten en een symbool van gevoelige uitwisseling.
De postduif draagt verhalen bij zich, als je een beetje moeite doet, mag je in haar hoofd kijken.
Een huis voor genegenheid. Ga zitten en lees en schrijf op je gemak.
Een grote archiefkast, beschilderd met graffiti. Ontworpen voor het uitwisselen van post, promotie en reflectie.
Een speelse knipoog naar de kindertijd en een verbeelding van hoe herinnering en beweging elkaar kruisen.
Een visuele verwijzing naar Jordi's uitdaging; een combinatie van een fiets, brievenbussen, time-lapse met uithoudingsvermogen, vertrouwen en plezier.
Hoog daarboven liggen verhalen uit verre oorden – voor degenen die ver weg zijn. Het kost maar een paar stappen om iets nieuws te ontdekken.
Doordat ik de afgelopen dagen zoveel kilometers maakte, is het nog maar 60 km naar Tashkent. De grensovergang is chaotisch en druk. Ik moet mijn tassen van de fiets afhalen en weer erop en dat een paar keer. Ik moet lang in de rij wachten voor de paspoortcontrole, mensen kruipen telkens voor. Een mevrouw heeft het warm en ik besluit haar voor te laten, ze is erg verbaasd.
Anderhalf uur later ben ik dan toch eindelijk in een ander land, precies op tijd!
Ik verblijf in een hotel, hoewel ik hier onderdak aangeboden heb gekregen. Het is een verplichting om jezelf in een hotel te laten registreren in Oezbekistan. Het hotel heeft een zwembad en sauna, hier kan ik even tot rust komen.
Ik breng mijn fiets naar de fietsenmaker, want het achterwiel is het aan het begeven en ze heeft nog wat kwaaltjes.
De komende week zal ik in deze stad verblijven, om brieven te bezorgen en om eens uit te rusten, stil te staan, mijn administratie op orde te krijgen, etc.
Ik ben helemaal vergeten om een foto te maken. Terwijl ik wacht op een simkaart, zie ik twee voetjes naast een paar pantoffels achter de deur uitsteken. Op de stoep staat een drilboor en een vrachtwagen komt juist langs rijden. Een mooi beeld van de drukte en diversiteit van de stad, besluit ik.
In het stadje Arys splitst de weg: het is altijd spannend wat je dan krijgt: ineens onverhard, of heel smal of druk?
De weg blijkt iets drukker dan de vorige weg, maar slingert prachtig over groene heuvels waar paarden grazen en soms een modderbad nemen. Zou het hier altijd zo ydillisch zijn?
Het is Kazachstan zoals ik het nog niet eerder zag.
Na een bezoek aan het postkantoor in Turkistan besluit ik van de hoofdweg af te wijken. Mijn laatste dagen in Kazachstan hoef ik toch niet continu op dat randje langs de razende vrachtwagens te blijven rijden?
Ik besef me dat het een risico is, omdat ik niet weet wat voor wegen ik kan verwachten, maar vol goede moed buig ik van de weg af.
Het eerste stuk is veelbelovend, het is eerst een rustige tweebaansweg en dan wordt het een soort snelweg, maar dan zonder verkeer. Dan begrijp ik waarvoor de snelweg is aangelegd als ik aankom bij het Arystan Bab Mausoleum. Een historische begraafplaats uit de twaalfde eeuw. Hoewel ik normaal niet vaak entree betaal om iets te zien, ga ik nu gretig naar binnen. Ik heb in Kazakhstan nog nauwelijks historische gebouwen gezien, behalve Soviet-architectuur. Het is een prachtige locatie met verschillende gebouwen, een man in een traditioneel gewaad zingt religieuze liederen. Dan gaat hij druk telefoneren, terwijl hij langs het mausoleum ijsbeert. Ik maak er een foto van en dat heeft hij in de gaten.
Ik voel me vrij, besef me dat ik ook mag genieten van dit land, even de toerist mag uithangen. De weg is na het mausoleum weer tweebaans, maar het is rustig. Ik kan filosferen en om me heen kijken. Het is groen overal!
Ondanks het toeristische gehalte van de dag schiet ik goed op met de wind in de rug. Oezbekistan komt steeds dichterbij. Ik sla mijn kamp op in een veld, waar ik heerlijk slaap.
Na het warme bad bij Mukha te verlaten, die me weer bij de snelweg afzet in de ochtend, probeer ik zoveel mogelijk kilometers te maken richting Tashkent, mijn visumvrije periode in Kazachstan verloopt namelijk over een paar dagen!
Helaas is dit net het gebied waar er ook wat geasfalteerde zijweggetjes te vinden zijn, maar ik besluit om geen risico te nemen en de hoofdweg te volgen. Dat blijft ontspannen en meestal zonder veel risico's. Ik voel me op deze weg voldoende thuis om een vrachtwagen te gebaren dat ze best wat meer ruimte mogen laten, want op deze weg is er voldoende ruimte en het is dus een kwestie van goede wil.
Ik geniet van het landschap dat steeds gevarieerder wordt, er verschijnen heuvels en de aarde is op sommige plekken rood. Ik zie veel landbouwgrond, er is hier blijkbaar meer water en ook meer bewoonde wereld. Soms lijkt het wel een beetje op Nederland.
Maar hierdoor wordt het ook direct wat ingewikkelder om een kampeerplek te vinden, dus ik besluit te vragen of ik naast een wegrestaurant mag kamperen. Dat betekent ook dat ik een warme maaltijd heb en mijn telefoon op kan laden. De nacht is aangenaam qua temperatuur.
Ik zou een nacht in Kyzylorda blijven en dan doorreizen, maar dat ging niet door. Ik was moe van het racen door Kazachstan en werd door Nurbol gehost, wiens familie een horeca-imperium heeft en drie dagen lang werd hun gebouw - een labyrinth met allerlei keukentjes, gangetjes, en een disco, karaokebar en café - mijn thuis.
In drie dagen werd Nurbol mijn vriend. Hij leerde me van karaoke houden en "Space Oddity" werd ons liedje, dat we elke avond een beetje beter vertolkten.
Ik mocht zelfs op de verjaardag van zijn zoon aanwezig zijn. Ik schreef de jonge Nura als cadeau een brief, met daarbij ook een briefje (een financiële bijdrage). Nura was geraakt door de brief, en zei dat hij kon voelen dat ik hem vanuit het hart had geschreven. Misschien ben ik goed geworden in brieven schrijven? Het raakte mij op mijn beurt dat Nura inzag dat mijn woorden een groter cadeau waren dan het geld. Het gaf me veel kracht om weer verder te gaan, omdat het de afgelopen weken soms ook zwaar was. Ik dacht ook aan de jongeren die ik in Rusland, in Oranzherei, ontmoette en besefte me dat hun toekomst er misschien heel anders uitziet dan dienvan Nura. Ik schreef er uitgebreid over in een brief naar Valkenburg, die ik dan weer aan Nurbol voorlees. Het zijn al met al drie dagen die een leven lijken en waarin alle emoties aan bod komen en ik voor het eerst in tijden contact met mensen heb dat verder gaat dan waar ben je en waar kom je vandaan.
Nurbol regelt dat ik bij een vriend van hem kan overnachten: Mukhanbetiyar in Shieli.
De weg is heerlijk! In Europa zouden we het misschien levensgevaarlijk noemen om over een dun strookje langs de snelweg te fietsen, maar het is zoveel veiliger dan ik in weken heb ervaren, dat ik met volle teugen geniet van de fiets trance, het nadenken over van alles en nog wat terwijl je met elke pedaalslag een stukje dichterbij komt. Dat het vandaag regent, merk ik zelfs nauwelijks.
Bij de stadspoort, die je hier bij de ingang van elke stad welkom heet, staat Mukhanbetiyar al op me te wachten met zijn auto. "Ik mag niet met de auto," zeg ik geschrokken. Maar geen zorgen, hij is gekomen als escorte en loodst me veilig de stad in. Boven de stad prijkt een grote regenboog. Thuis wordt er goed voor me gezorgd door de familie, heerlijk eten, zelfgemaakte zuivel en oma van 90 jaar geeft me haar beste wensen mee in een ritueel dat hier gebruikelijk is, waarbij je je handen voor je houdt als om te bidden.
Ze wenst me dat ik ook 90 mag worden, mag trouwen en heel veel kinderen maken en dat ik veilig weer thuis mag komen.
Zoals wel vaker, blijkt een gemakkelijke dag minder gemakkelijk dan gedacht.
Tegenwind. "Alweeeer," denk ik. En dan: een gebroken spaak. En dan: een lekke band. Terwijl ik mijn fiets inspecteer stopt er een automobilist voor het gebruikelijke praatje en vervolgens moet ik ook allerlei Kazachse dingen zeggen voor een filmpje op sociale media. Mijn hoofd staat er even niet naar en schiet uit mijn rol van vriendelijke postbode. Sorry.
Maar het langverwachte rustpunt wordt bereikt. Nurbol vangt mij op via Couchsurfing. Zijn familie heeft een horeca-imperium, dat betekent een hotelkamer, heerlijk eten en karaoke!
Maar eerst neemt hij me mee naar de fietsdokter op de markt. "De beste fietsenmaker van de stad," verzekert hij me. Binnen no-time is mijn fiets weer operationeel. Ik mag de fietsenmaker niks betalen: "je bent hier te gast en je hebt al zo ver gefietst." Daarover zegt Nurbol: "hij is een echte moslim"
Ik besluit Nurbol een brief te bezorgen uit Turkije die gericht was aan "iemand in Kazachstan". Er blijken twee dollars in te zitten voor een kopje koffie en een lief bericht van een Turk die contact zoekt met een Kazach. "We zijn verwante volkeren," legt Nurbol uit.
En dan zit ik te dansen op een Kazakhse kraker met een biertje. En moet ik zelf ook liedjes gaan zingen. Ik val erg uit de toon hier, alles is chic en iedereen heeft zich opgemaakt en mooi aangekleed. Maar hier word ik getolereerd met mijn trainingsbroek. Wat een bizarre wereld, hier in de stad. Maar ik geniet er met volle teugen van.
Ik gooi de plassen water uit mijn tent, voor ik haar oprol, ik heb geen zin om dat gewicht met me mee te dragen.
De wind is nog steeds in mijn voordeel en ik besluit zo ver mogelijk richting de eerstvolgende stad Kyzylorda te willen komen.
Helaas draait de wind wat, waardoor het tweede gedeelte van de dag wat zwaarder is dan gedacht, maar: groot nieuws: er is hier een secundaire weg. Ik kan éindelijk, voor het eerst sinds Aktobe (en een paar kilometer bij Aral in de buurt) eens over een rustige weg fietsen en wat om me heen kijken.
Het is hier een rivierdelta, dus er zijn wat meer boompjes en groen. Het is lente. Ik rijd langs zo'n dorp voor de doden, een prachtige begraafplaats. Er stopt een oud busje. Mensen stappen uit en knielen. Ze zingen een mysterieus lied. Ik wil erbij zijn, erbij horen, maar ik ken de tekst en de melodie niet. Dit is niet mijn lied, niet mijn ritueel.
Ik besef me dat fietsen ook leuk kan zijn. Ik stop af en toe om een foto te maken. Aan het einde van de dag is het moeilijk om een kampeerplek te vinden: overal ligt modder en hopen koeienstront. Zoals altijd vind ik toch iets. Morgen slaap ik weer eens in een bed.
Vandaag kan ik kilometers maken met de wind in de rug. Af en toe wordt ik gestopt door een automobilist, aan wie ik moet vertellen waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga. Vervolgens moet er een selfie worden gemaakt.
Aan het einde van de dag begint het te regenen. En dan blijft het regenen. Ook 's nachts. Ik word wakker en zie dat er plassen water in mijn tent staan. Ik verzeker me ervan dat er geen elektronica stuk kan gaan en slaap verder.
"Goed voor de plantjes", herhaal ik als een mantra om mezelf weer in slaap te krijgen.
Ik zie onderweg weer meer kamelen.
Ik ben het beu om de weg alsmaar te volgen en er zijn hier wat gravelpaden langs de weg. Her gaat erg langzaam en verandert plotseling in een zand of modder pad, maar het zijn momenten om even te ademen.
Ik ploeg mezelf door het natte zand dat me dwingt om langzaam te gaan. Dat wilde ik toch?
En dan zie ik een vlinder poseren op een blaadje, hij blijft, vleugels gespreid keurig stilzitten. Ja, ik blijf erbij: in de steppe moet je niet voor je uit kijken, in de verte: dan zie je een eindeloze amorfe massa van vale kleuren. Je moet naar de grond kijken. Dáár gebeurt het, bloemen in alle kleuren, kevers die hun kop in het zand steken en dus deze vlinder.
Ik probeer zoveel mogelijk kilometers te maken om Aral te bereiken, naar het gelijknamige meer dat inmiddels half droog ligt. Daar huur ik een kamer. Ik moet toch ook eens een keer douchen.
Ik vind het maar vervelend, een kamer huren, je voelt je er nooit thuis, zoals in je eigen tent. Nee, het liefst word ik door iemand opgevangen om dan nog wat menselijkheid, verhalen, een lach, een maaltijd te delen. Gekochte gastvrijheid voelt niet goed.
Ik kon gisteren een kampvuurtje maken, want ik had een droge plek met opgedroogde aarde én vond een paar stukken hout! Ik warmde me aan het vuur en zat alleen op de steppe en voelde me goed.
Maar nu moet ik weer terug naar die grijze strook, naar de razende wagens. Voor ik naar die mensenwereld terugkeer, tref ik een obstakel op mijn weg: een kudde paarden.
Het valt me telkens op hoe ze me aanstaren. Ik lijk zelf misschien ook wel een beetje op een paard op mijn fiets. Andere paarden rennen dan weer in paniek weg, terwijl ze de auto's de normaalste zaak van de wereld vinden.
En dat doet deze kudde in eerste instantie ook. Maar dan houdt een stoer paard, de leider, halt. Nieuwsgierig zet hij wat stappen in mijn richting en dan volgt de kudde ook. Zo staan we elkaar een paar minuten aan te staren. Ik durf niet door de kudde naar de weg te lopen en wacht geduldig, geniet van dit moment, in deze wereld die me veel meer bevalt dan de wereld van de veachtwagens.
Het liefst zou ik dwars door de steppe fietsen, maar ik heb maar 30 dagen om dit immense land te doorkruisen en dwars door de steppe zou langzaam, heel langzaam gaan.
De paarden zijn op me uitgekeken en trekken verder. Dus ook ik ga de weg weer op. Het is nog ver naar Shymkent, maar toch, stukje bij beetje kom ik dichterbij.
Ik eindig mijn dag in het zand, een hele uitdaging. En er vallen wat druppels uit de licht. Hoe heet dat ook alweer?
Regen!
Ook vandaag moet ik weer zien te overleven op de weg. Terwijl ik fietsen en zo nu en dan de berm induik om niet aangereden te worden, besef ik me: dit is waar het misgaat.
Ik fantaseer dat ik een bordje achterop mijn rug heb hangen waarop staat: "ik ben een mens". Want hier voel ik me geen mens, ik ben meer een geel fluoriserend obstakel, dat vrachtwagens tot last is. "Maar," denk ik, "hoeveel tijd verliezen ze nu echt aan mij als ze even zouden wachten om veilig te passeren? Een seconde? Een paar seconden?"
Zijn die paar seconden een mensenleven waard?
Toch zijn het soms dezelfde vrachtwagenchauffeurs die hun duim naar me opsteken of mijn fles water aanrijken. Hoe kan een goed mens - want dat is iemand die een ander mens een fles water aanrijkt - ook een potentiële moordenaar zijn?
Op de weg komen onze diepste overlevingsinstincten aan de oppervlakte, daar denken we aan onszelf, geloof ik. Nog een stukje jager-verzamelaar dat er genetisch ingebakken zit misschien?
Want het overkomt mij ook in het verkeer. Voetgangers die tergend langzaam in mijn weglopen moeten toch ook gewoon aan de kant? We zijn allemaal goed mens en moordenaar tegelijk en moeten constant waakzaam zijn, om de goede mens de overhand te laten houden.
Alles went, ook gedehumaniseerd worden als fietsend obstakel. Inmiddels heb ik zelfs tijd om te filosoferen tussen het overleven door.
Een een touringcar komt voorbij rijden. De chauffeur praat in de microfoon en hij lacht. De passagiers lachen ook. "Wat zou hij zeggen?", vraag ik me af. Er is hier niks. Ik fantaseer het volgende: "Als u heel goed hier rechts van u kijkt ziet u helemaal niks. Kijkt naar links dan is daar helemaal niks. Nee, dames en heren, hier wilt u niet dood gevonden worden. Laat staan dat je er gaat fietsen!" Iedereen lacht, terwijl ze hun hoofden draaien en me nakijken.
Na 100km vind ik onverwacht een hostel. Ik besluit er te overnachten. Het blijkt een grote kamer met zo'n twintig onopgemaakte bedden vlak naast elkaar. De kamer heeft geen licht en geen elektriciteit. In de hoek hangt een camera. Zou die wel aangesloten zijn? Ik kies een bed. "Hoeveel mensen zouden er al onder deze dekens hebben geslapen?", vraag ik me af. Ik zit een tien minuten op het bed in de donkere kamer. Ik vraag waar de douche is. De vrouw lacht. "Die is er niet!". Ik zit een paar minuten op het bed in de donkere kamer en besluit dan verder te fietsen. Dan liever in mijn tent.
Ik kom onderweg nog een koe tegen, een kunstige koe, die de chauffeurs eraan moet herinneren dat hier ook nog overstekend vee is. Ik wil er een bordje ophangen met "ik ben een koe".
Ik duik de steppe op zo ver mogelijk van de weg. Hier creëer ik mijn oase. Een plek waar ik er mag zijn en niemand in de weg sta.
Ik kijk erg uit naar de kruising van wegen in Karabutak. Ik hoop dat daar de weg wat rustiger wordt. Op de kruising in de warme en stoffige stad - de temperaturen lopen inmiddels op tot boven de 20 graden overdag - eet ik nog iets in een wegrestaurant. Hierna volgt heel veel middle of nowhere tot aan Aral.
Het is luxe, want het lukt in deze streken niet elke dag om te lunchen, vaak sta ik langs de weg, waar ik snel wat gedroogd fruit of koekjes eet terwijl de voorbijrazende vrachtwagens windvlagen veroorzaken.
Toch zijn de lunchpauzes niet altijd een rustmoment, want ik lijk zelfs soms wel een toeristische attractie met mijn fiets. Mensen nemen soms zelfs foto's en video's! En in de wegrestaurants zitten vaak mensen op vol volume door de sociale media te scrollen. Het lijkt alsof ik de enige ben die dat schelle geluid storend vindt. Ik heb soms het idee dat ik steeds minder van de wereld begrijp.
Dat gevoel wordt bevestigd als ik naar de menukaart kijk, waar ik niks van snap. Het lukt uiteindelijk om iets te bestellen en in de rij spreekt een man me aan: "Waar kom je vandaan?", hij wacht niet op antwoord en vervolgt: "je begrijpt het niet, hè?." Tegen een andere man in de rij zegt hij: "hij begrijpt het niet". Ik besluit het maar zo te laten. Ik zoek een tafeltje op, het eten wordt gebracht, dan verschijnt er een grote bak vlees. Ik gebaar dat ik die niet besteld heb en de ober wijst op de man die me net aansprak. Die schuift al snel aan en komt tegenover me zitten, terwijl er nog veel vrije tafels zijn. Ik had al wel eens gehoord dat dat hier gebruikelijk is.
"Hij vindt het misschien gezellig," denk ik en ik vind het prima. De man zit zwijgend voor me en begint zijn bak vlees al smakkend en slurpend weg te werken. Hij kijkt me niet aan en begint ook geen gesprek. Ik versta er toch niks van. Dan haalt hij zijn telefoon tevoorschijn en begint hij op vol volume door de sociale media te scrollen. Hoe denk je dat ik erbij keek?
Alle vrachtwagens lijken mijn kant van de kruising te kiezen. De weg is niet rustiger, integendeel, het lijkt nu spitsuur. Ik besluit aan de tegenovergestelde kant van de weg te gaan fietsen, zodat ik het in elk geval kan zien als iemand me aanrijdt en me dan snel de berm in te storten. "Waarom ben ik hier, waarom doe ik dit?
We zijn nu bijna 100 kilometer verder. Ik zie een gravelweggetje langa de weg. Ik duik erop. Even ademen. Maar al snel verslechtert de weg, ik moet door de modder en voor ik het weet sta ik met mijn enkels in de bruine modder, waarschijnlijk veroorzaakt door gesmolten sneeuw, want sneeuw is inmiddels nauwelijks nog te zien. Ik zie een paadje dat links de steppe opgaat en ik volg het. Ik wil weg van de weg.
Terwijl ik het geraas van de weg op de achtergrond hoor verdwijnen en de steppe oprijdt, maakt een gevoel van vrijheid zich van me meester. Ik zie ineens hoe mooi de steppe is. Ik kijk op de grond en zie bloemetjes, witte, gele en roze. En een soort roodgroene bladeren: steppesla? Overal holletjes, waar soms een vaalbruin knaagdier in verdwijnt of verschijnt, hagedisjes. Ik sta even stil bij een stuk opgedroogd zand en tussen de spleten krioelt het van de insecten. Deze dorre massa lééft! Ik hoor nu overal de vogels en de zon verdwijnen achter een heuvelrug. Ook hierom ben ik onderweg. En ik neem me voor om voortaan elke dag een kilometer de steppe op te gaan en daar mijn kamp op te slaan.
Kamperen en zeker wildkamperen, zag ik eerder vooral als een noodzakelijk kwaad: een ongemak dat overwonnen moet worden omdat je nu eenmaal moet slapen. Ik besef me nu dat dít mijn rustpunt is en neem me voor om er een ritueel van te maken. Het routineus in en uitpakken van de spullen, het creëren van een eigen plek met alleen het geluid van fluitende vogels en zingende wind, de vrachtwagens daar op die grijze streep een verre herinnering.
Ook vandaag ploeter ik tegen de wind in en balanceer ik telkens op het randje van het asfalt, het randje van het bestaan en de samenleving, waar ik soms net vanaf val.
Men toetert er een eind op los. Om me te begroeten, om te waarschuwen, je weet het niet.
Onderweg probeer ik zoveel mogelijk halt te houden bij elk wegrestaurant dat ik zie (vandaag twee; vandaar!). Zo probeer ik de voorraden die ik in Aktobe heb ingeslagen zo min mogelijk op te maken en waar mogelijk bij te vullen.
Bij elke stop is er wel een praatje: waar kom je vandaan en waar ga je naartoe. Veel verder komt het gesprek niet, door mijn matige kennis van het Russisch en mijn non-existente Kazachs. Over brieven kan ik niet eens beginnen vanwege de taalbarrière.
Zo tegen de wind in, op de rand van het asfalt, en met contact dat nooit verdiepend, maar altijd oppervlakkig is, begin ik me af te vragen: wat doe ik hier. Is dit het einde van de wereld?
Zo rond 19:00 is het in elk geval het einde van de dag. Ik zie naast de weg wat boompjes! Daar sla ik mijn kamp op. Een uil vliegt juist weg, wat een enorm beest.
Een herder en zijn kudde zwaaien vanuit de verte naar me terwijl ik mijn tent opzet. Ook 's nachts blijf ik het gebrul, geraas en gezoef van de weg horen.
Ik ga nog even langs de fietskraam om een flesje kettingolie te halen en fiets dan Aktobe uit. Zodra ik de bescherming van de gebouwen kwijtraak is het ploeteren tegen de wind in. Het doet me denken aan mijn eerste dagen in Kazachstan.
De eerste 25 kilometer is het rustig fietsen over een vierbaans weg, maar dan blijft nog een tweebaansweg over, zonder geasfalteerde vluchtstrook. Het is een erg drukke weg, dus ik fiets over de onverharde vluchtstrook.
Maar nog zo'n 20km verderop is dat geen optie meer, omdat de grond te zacht is en ik niet meer vooruit kom. Ik vind nog een paar keer even rust door over een stuk oude weg of weg in aanbouw te fietsen.
Zoals gebruikelijk in Kazachstan stoppen er wat mensen om me een lift aan te bieden. Dat ik weiger, daar snappen ze helemaal niks van.
Ook Nurlan stopt, een gezette man met een groen Kazachs hoedje. Hij maant me om te stoppen. Eerst moet ik uitleggen wie ik ben en wat ik doe. Dat lukt inmiddels in het Russisch. Dan foto's, een broodje en wodka! Ik weiger beleefd, maar dat heeft geen effect. Dan nog een slok wodka. "Dat zal je kracht geven". De man die de auto waar Nurlan inzit bestuurt, neemt ook een flinke teug. "Kazakhstan normalny?", vraagt Nurlan. "Jazeker en prachtig." Nu toont Nurlan me wat lijkt op een 5-literfles water. "Vodka!", roept hij enthousiast.
Door de wind kom ik niet verder dan 75 kilometer. Aan het einde van de dag ga ik een onverharde weg op om een kampeerplek te zoeken. Ik moet een stukje sneeuw oversteken, dan kom ik bij een gravelweg en daar zie ik een mooi plekje. Al snel sta ik bijna tot kniehoogte in de sneeuw en mijn voeten in het water dat zich onder de sneeuwhoop heeft gevormd. Een ijsbad. Gelukkig heb ik nog een paar zomerschoentjes...
Een vlotte tocht zonder complicaties. De band heeft het gehouden! Terwijl ik door het dorp Alga rijdt, stopt een auto en houdt halt. De man stapt uit en zegt dat hij me al een paar keer heeft gezien op de weg tussen Atyrau en hier. Hij stopt me wat briefgeld toe. Ik probeer te weigeren, maar de man drukt het geld in mijn hand en rijdt snel weer door, terwijl hij me in het Russisch een goede reis toewenst.
Gisteren was dat me ook al eens overkomen. Het voelt vreemd, vernederend bijna, maar ik zag ik beide gevallen dat de intentie goed was. Misschien hadden ze me liever een fles water of iets te eten gegeven, maar hadden ze het toevallig niet bij zich? Ik kan het geld van de sponsoren goed gebruiken om straks weer voorraden te kopen om de woestijn door te komen. Wie jullie ook zijn, bedankt voor jullie gastvrijheid en hulp aan de reiziger.
In Aktobe stop ik direct bij de enige fietsenmaker. Die is net Nuryk aan het helpen met zijn mountainbike. "Heb je ook 28 inch banden"? De fietsenmaker trekt het gevreesd gezicht. Hij komt terug met een dun stadsbandje. "Daarop ga ik het niet redden naar Tashkent." Dan biedt Nuryk aan om me te vergezellen naar de markt, waar ze meer banden hebben.
Wow! Een droom voor een fietser. In de marktstal vol fietsspullen ligt er inderdaad een band op mij te wachten.
Mijn dag begint met een lekke band.
En dan, vijf kilometer verder, nog een lekke band.
Ik probeer mijn geduld te bewaren, alles zo precies mogelijk te doen. Dat werkt altijd het best. Toevalligerwijs ben ik bij beide lekke banden nét in de buurt van een bushokje.
Het enige nadeel daarvan is dat daar auto's stoppen. Met mensen die lekker een praatje willen maken. En hoewel ik daar normaal best voor in ben, probeer ik me dus te concentreren op dat precieze werkje.
Ik koop een pakje appelsap en een chocoladereep bij een openbaar toilet. Bij het wegrestaurant ernaast staan ze al te zwaaien. Waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe? Hoe oud ben je? De gebruikelijke vragen. Als ik mijn verhaal heb verteld, krijg ik een kop koffie aangeboden. Ik wil een broodje kopen, maar krijg dat dan gratis. Ik durf verder niks meer te bestellen, want anders zal ik het wel cadeau krijgen.
Een man komt binnen en begint in het Arabisch te prevelen. Dan richt hij zich tot Mekka en als hij klaar is tot mij. "Heb je honger, heb je dorst?". Ik zeg dat ik alles heb, maar ook Taras laat me niet vertrekken zonder proviand. En dan komt er nóg een man met een zak pasteitjes. De eigenaar van het wegrestauranrlt zegt dat hij voor me wil bidden. Ik moet hem nazeggen.
Gloeiend van zoveel menselijkheid fiets ik verder de steppe in. Ja, ik zie steeds meer boompjes, ga over heuvelruggen. Dit voelt toch anders, toch meer alsof je van het één naar het ander gaat.
Dan: mijn derde lekke band van de dag. Ik besluit grondig te onderzoeken wat er aan de hand is en mijn vrees blijkt gegrond: mijn buitenband is volledig aan het eind van haar latijn. De beschermende laag begint aan de binnenkant los te raken en prikt gaatjes in de binnenband.
Ik verwissel de kapotte band, na het plakken van de gaatjes, naar de voorkant. Daar komt er minder druk op. De strategie werkt en brengt me bij een bosje. Je leest het goed: een bosje!!! Meerdere bomen bij elkaar, langs de weg, waar ik mijn tentje opzet en probeer te slapen tussen het geraas van vrachtwagens aan de ene, treinen aan de andere kant. De vogeltjes fluiten er lustig op los en zouden hier slangen zijn of schorpioenen? Nog maar 70 km naar de stad Aktobe, waar hopelijk banden zijn te vinden.
Tussen aankomst en vertrek is er niets. Niet menselijks althans. 80 kilometer lang. Dus ik leer nog meer tinten bruin kennen. Zoals het roodbruin van een struik die ik nog niet eerder zag. De bergen sneeuw worden steeds talrijker. Hoe zou dit landschap er een paar weken geleden uit hebben gezien?
Had ik al geschreven over de kerkhoven hier? Dorpen voor de doden, met huisjes in alle tinten bruin, van beige tot terracotta. Spookdorpen. Daar in de verte is er één.
Even buiten Shubarkuduk verblijf ik in een pension met Oezbeekse buren. Vrachtwagenchauffeurs. De hele middag scrollen ze met hun telefoons op vol volume door hun sociale media. Ik ben hier neergestreken om een live verbinding met Eupen in België tot stand te brengen.
Het is een surreële ervaring, ik ben even in België, met Max die vertelt over dit project. Het publiek lacht, moedigt me aan, geeft me applaus. Zij in de bewoonde wereld, ik in de woestijn. Ik voel me gesterkt in mijn missie.
Ik begin vertrouwd te raken met het dorre landschap, het is niet langer één amorfe enge en/of saaie bruine massa, waar ik doorheen moet, meer en meer zie ik de verschillende tinten bruin, zoals ik ook de oneinde blauwen van de zee onderscheiden kan.
Er is hier meer leven dan ik dacht, door het ruisen van de wind, het razen van de auto's, hoor ik de vogeltjes fluiten. Maar waar zijn ze? Zijn ze net zo bruin als de woestijn, zie ik ze daarom niet. Zoals ik het geelbruin van een duin zie en het groene bruin van een struik. Het zwarte bruin van een drol en de stippen in de verte in alle kleuren bruin die je maar bedenken kan. Koeien, paarden, nee schapen? Kijk! Het glimmend donkerbruin van een paard dat de weg over wil steken, ik rem af, het is een neppaard en het deed zijn werk.
De horizon is hier niet recht, het is een grafiek, een wisselkoers. Een vaalbruin marmotje kijkt me angstig aan en kruipt dan zijn holletje. Een goudbruine steen die lijkt op een neergestorte kameel. De weg is nog steeds grijs met witte strepen. Op de weg loopt een grijze tor. Een kruispunt, de weg naar rechts is even grijs, dan nog twee strepen bruin. Bruin op bruin. Het bruin voor de mensen is iets donkerder. In de verte rijdt een witte bus, gevolgd door een wolk van opwaaiend zand. De kleur van die stofwolk is moeilijk te omschrijven, de kleur die je krijgt als je bruin met onzichtbaar mengt.
Rood op de weg, rood met bruin op grijs, aangereden wild, een auto rijdt er nog eens overheen, er spat iets op mijn gezicht. Echt waar!
Een zee van bruin, golvend, bruin, bruin en wit. Wit? Water? Nee. Schuim! Nee. Sneeuw? Dat kan niet, het is twintig graden. Ik steek mijn vinger erin. Sneeuw! Ik pak een hand en maak een bal. Het is twintig graden, ik heb een t-shirt aan en ik maak een sneeuwbal.
Ik ga door met het inventariseren van bruin. Blauw! Een bord. Nog een bord. Heel klein. 600. Zo ver ben ik al van Rusland, een ander leven. Nog meer blauw in het bruin, daar in de verte. Daken. Een dorp! Het lijkt dichtbij, maar blijft ver weg. Hoeveel pedaalslagen nog tot het dorp? Oneindig veel. Hoeveel vanuit Rusland naar hier? Hoeveel vanaf thuis?
De dode koe in de berm is een zwartbruine vlek. Het uitstekende bot is wit en de ingewanden rood. Zwart met wit is de gier. Hij ziet me nu en neemt de benen... Spreidt zijn vleugels, veel wijder dan de roofvogel die ik hiervoor zag. Machtig.
Een witte auto volgt me. Het raampje gaat open, de vrouw filmt me als een paparazzi. De gebruikelijke vragen: waarheen? Waarnaartoe? Heb je honger. Ik krijg wat eten aangereikt van een man die Dhulat heet. "Rachmet" (bedankt)
Op het grijs van de weg zie ik een donkergrijze, bijna zwarte kopie van mezelf. Die moet ik volgen.
In Dossor splitst de hoofdweg zich in tweeën, het is rustiger op de weg, een verademing. Ik kan wat meer ontspannen. Soms raak ik even in de fietserstrance en laat ik mijn gedachten de vrije loop, om dan weer ruw wakker te worden van een vrachtwagen die langs scheert of een inhalende auto van de andere zijde. Even wachten om veilig te kunnen passeren lijkt geen optie. Ik wordt veel begroet onderweg door enthousiast toeterende en zwaaiende automobilisten. Soms groet ik vriendelijk terug, soms heb ik er even geen zin in. Ik begin ook in de steppe onderscheid te zien, in wat één amorfe bruine vlakte leek, valt toch een hoop te ontdekken. Een eenzaam groen graspolletje, een blauwe poort, schaapjeswolken in de lucht, een passerende trein en aan het einde van de dag warempel een heuvel! In het dorpje Zhanterek word ik vanuit een huis enthousiast begroet door een tiener die direct zijn motor pakt en een praatje komt maken. Maar hoe doe je dat als je elkaar niet verstaat? Hij helpt me met het vinden van een kampeerplek en dan gaat hij zijn vriendjes halen. Ze komen nog een paar keer langs en laten horen hoe hun motoren knallen.
Langs de grote weg door de woestijn verlaat ik de laatste stad die ik voorlopig zal zien. Ik fiets door het niets, af en toe een (opgedroogd) meertje. Van rustig fietsen is toch geen sprake: ik moet heel alert zijn op de vrachtwagens, die rijden namelijk gewoon door, alsof ik er niet ben. Als twee vrachtwagens elkaar passeren wordt het te krap op die kaarsrechte potloodstreep die op een vaalbruin canvas is getrokken. Dan moet ik de onverharde berm induiken. Onderweg stopt een automobilist om me een fles water te kopen. De lente is begonnen, ik fiets in mijn shirtje. Ik eindig de dag in een pension in het stadje Dossor, een laatste glimp bewoonde wereld voor de komende dagen.
In Atyrau, op de grens tussen Europa en Azië, pendel ik op en neer over de bruggen van slaapplek naar slaapplek, onderweg bezorg ik een brief en breng ik mijn fiets naar de dokter.
Vandaag is de wind me beter gezind. De weg naar Atyrau verloopt zonder grote problemen, behalve een lekke band wanneer ik de stad inrijd. Net zoals in Istanbul, ook op de grens tussen Azië en Europa. Ik word hier vanavond opgevangen door Bekbolat via Couchsurfing. Maar hij is nog niet thuis. Ik ga ergens een wrap met frietjes eten. De jongens vragen waar ik vandaan kom en wat ik hier kom doen. "Met de fiets vanuit Nederland?!". Ik hoef mijn eten niet te betalen. Later op de avond ontmoet ik Bekbolat, zijn vrouw en zijn vier vrolijke kinderen.
Ik had een heerlijke nachtrust in de kantine. De verearming draaide op volle toeren. Aan gas geen gebrek hier. Na afscheid te hebben genomen van de oliemannen, na wat kopjes thee, koekjes en foto's, ga ik op weg in de richting van Akkystau.
Dat is zo'n 80 kilometer, wat met tegenwind heel ver lijkt! Maar de wind is wat zachter vandaag en soms kan ik wel 15km/u halen.
In Akkystau kan ik ook eindelijk geld wisselen en een simkaart halen.
Na weer een dag ploeteren tegen de wind in, kom ik niet verder dan 53km wanneer ik uitgeput ben.
Na veel jaknikkers te hebben gezien, vind ik een dorpje waar wat bedrijvigheid is rondom de olie-industrie.
Ik ga wat eten in een café en vraag of ik daar mag kamperen. Het mag niet. Via de vertaalapp, krijg ik de cryptische instructie: "je moet op zoek gaan naar het huis van de vertaler" en de vrouw van het restaurant wijst naar de overkant van de weg.
Ik spreek daar een man aan, die ook van nee schudt, hij spreekt iets in op mijn telefoon en dan lees ik: "moeders zullen helpen". En hij wijst naar een hokje.
Daar tref ik de beveiligers van de site aan, die aangeven dat ik naast de elektriciteitscentrale mag kamperen. Weinig beschutting, midden in de wind, maar beter dan niks.
Terwijl ik mijn tent opzet, komen er mannen met blauwe pakken aan. "Thee!", roepen ze. Ik besluit ze te volgen en plots zit ik in een kantine vol mannen met blauwe pakken, ik noem ze de oliemannen. En daar is een man die een beetje Engels spreekt, hij heet Talgat. Hij is, de vertaler, vertelt Vitaly, een Russische medewerker me.
Ook de andere mannen in blauwe pakken vertellen me hun namen, maar ik kan zo veel namen niet onthouden, dus ik noem ze de oliemannen.
Na een vreselijke dag tegen de wind in en met zand in de schoenen, besef ik me dat dit is waarom ik deze reis maak. Om ineens in de kantine van de oliemannen te mogen zitten en wat momenten met hen te mogen delen, een inkijkje in hun bestaan.
Viyaly is getrouwd met de dochter van Talgat en spreekt nu vloeiend Kazachs. Talgat opent zijn jas en toont me een fles Vodka, hij legt zijn vinger op zijn lippen: "Shhh".
Het is te koud en te winderig om in de tent te slapen, besluiten de oliemannen. Ik moet dus mijn kamp opbreken en in de kantine slapen en ik mag daar zoveel thee en koekjes nemen als ik wil.
's avonds gaan we terug naar het restaurant en eten we samen. De fles Vodka wordt van tafel gehaald voor de foto.
Een stormachtige wind blaast recht in mijn gezicht. Ik kan niet sneller fietsen dan zo'n 10km/u. Werkelijk een marteling, zoals de eindeloze heuveltjes op en af langs de zwarte zee. Kamelen bieden troost en verwondering.
In het stadje Kurmangazy wil ik een simkaart halen, geld wisselen en eten, maar alles blijkt dicht. Twee mannen in een dikke auto met Russisch kenteken bieden aan om me te helpen en ze te volgen naar het tankstation, daar kan ik eten.
Maar ik ga wel erg langzaam en ze lijken haast te hebben, dus worden twee mannen in een andere auto ingeschakeld om me te escorteren.
De vrouw die in het restaurant werkt is niet erg behulpzaam. Ik probeer drie dingen te bestellen, maar ze hebben het allemaal niet. Ze vertelt me ook niet wat ze wél hebben. Wannneer ik te lang nadenk loopt ze weg van de tafel. Uiteindelijk lukt het toch om iets te eten.
Ik kom nog steeds niet vooruit, ook niet met de nieuwe brandstof. Op zo'n 60 km besluit ik een afslag naar een dorp te nemen. Het is hier echt woestijnachtig. Opwaaiend zand en duinen, soms zakt mijn fiets weg in het zand.
In het dorp vraag ik beveiligers in een school (geen idee wat ze beveiligen) of ik daar ergens kan kamperen, maar het lijkt allemaal heel ingewikkeld. Uiteindelijk mag ik mijn tent naast het kantoor van de spoorwegen neerzetten en krijg ik een zak eten mee van de beveiliger: "dit heeft mijn vrouw voor jou gemaakt".
Na een comfortabele dag bij Mark, die een filmliefhebber is en met wie ik verschillende films heb gekeken. Na een rondje door de mooie stad en het Astrakhan Kremlin is het tijd om door te gaan naar het volgende land: mijn Russisch visum verloopt bijna!
Ik fiets over een "pontoon bridge", het is een vreemde gewaarwording, alsof je over het water zelf fietst. Dan begint de lange weg door de steppe en met de wind in het gezicht
Die wind wordt dan ineens gebroken door een eindeloze rij vrachtwagens uit Kazakhstan, Oezbekistan, Turkmenistan, noem het maar op. De chauffeurs staren me aan of begroeten me.
En dan is daar ineens de grenspost, naast een klein dorpje. Het is een hermetisch afgesloten vesting vol containers. Ik verwacht er vrij snel doorheen te gaan, zoals telkens is gebeurd bij alle grensposten, maar bij de paspoortcontrole krijg ik mijn paspoort niet terug en moet ik op een bankje wachten. Ik zit naast een Oezbeekse man, die zit te bellen, de grenswacht komt hem streng toespreken: "bellen is hier niet toegestaan".
Na een tijdje wachten komt er een man met een bontmuts op me af. "Follow me please". Het blijkt een FSB agent. Ik volg hem naar een container en wordt gesommeerd mijn fiets daar neer te zetten. Naast de container staat een busje, een groep Oezbeekse mannen laadt hun bagage op het rek op het dak. Ik durf niet te vragen of ik mijn fiets op slot mag zetten. Waarschijnlijk zijn er - voor mijn fiets althans - weinig veiligere plekken dan hier.
"Close the door please". De agent wijst, zonder me aan te kijken naar een stoel in de hoek van de container. Links van me staat een tafel met een microscoop en een doos met latex handschoenen. De agent zet zijn bontmuts op de plank die voor bontmutsen schijnt te zijn. Hij haalt een map uit een la en begint nu driftig op zijn computer te typen. Hij kijkt me niet aan.
En dan beginnen de vragen. Sommigen heel specifiek, zoals: "in welke steden in Georgië heb je overnacht," andere algemeen, zoals: "wat is het doel van je reis?". Ik weet alle antwoorden en beantwoord alles naar waarheid. "Dit is niet de plek om iets te verbergen," denk ik. De slotvraag is "did you like it in Russia?". Naar waarheid antwoord ik"yes, very much", en nu verschijnt er voor het eerst een glimlach op het gezicht van de agent. Nu moet mijn telefoon imei nog geregistreerd worden, waar ik de agent mee help. "Wat zouden ze met die informatie doen?", vraag ik me af.
En dan mag ik de vesting verlaten. Ik fiets nog zo'n 10 kilometer langs wachtende vrachtwagens door Rusland. De steppe ligt hier bezaaid met flesjes water en lege zakken chips. Ik kijk telkens achterom, of de agent niet toch nog een vraag heeft. En dan is daar de brug, aan de andere kant is het Kazakhstan.
"Ik ben er bijna," denk ik en voel me ineens beklemd. Daar aan de andere kant ligt mijn vrijheid op me te wachten. Ik fiets de brug op langs een militaire controlepost, die verlaten lijkt. Maar dan hoor ik iemand roepen en twee Russische militairen sommeren me om terug te komen. "Maar ik was er bijna," dacht ik. "Waar kom je vandaan en waar ga je naartoe?". Ik leg mijn reis uit en dan verschijnt er een grote glimlach op de gezichten van de soldaten. "Wacht hier," zeggen ze, en ze komen terug met een fles water, Russisch water, "voor onderweg". Ik zie ze aan de andere kant van de brug nog zwaaien.
Nu moet ik nog de Kazachse immigratiecontrole door. Ik moet aan zo'n vijf verschillende mensen hetzelfde vertellen. Één agent zoekt mijn instagram op en volgt me. maar dan ben ik eindelijk echt in een ander land en ik was bijna vergeten hoe hard het nog steeds waait. Het is al bijna avond nu.
Ik zie een paar huizen langs de weg en vraag of ik daar mijn tent mag opzetten. De kinderen hier zijn nieuwsgierig, maar ze spreken alleen Kazachs. Dus spreken we de taal van een potje voetbal en tellen we in het Spaans tot tien. Zo voelt vrijheid voor ik in mijn tentje kruip voor een goede nachtrust in een andere wereld.
Kseniya biedt me aan om nog een dag in het appartement te verblijven en uit te rusten. En dat doe ik, want ik ben ook nieuwsgierig geworden naar dit dorp en haar lieve mensen.
Oranzherei is een voormalig vissersdorp, waar ooit - tijdens de Sovjetunie - een grote industrie was. Miljoenen blikken vis werden vanuit hier jaarlijks door het hele land verspreid. In het museum in het cultureel centrum staat een verzameling vintage blikken in een vitrine.
In dat museum kreeg ik gisteren een rondleiding, Sonya en haar klasgenoot Temerlan helpen met vertalen. "This is the Astrakhan raven". Ik vraag wat het verschil is met een normale raaf. "Oh, no, it's just a normal raven". Het is een indrukwekkende verzameling objecten en documenten over dit dorp dat ooit booming was en nu vooral vergane glorie. "This is Lenin", zegt Temerlan die naar een poster wijst. Ik zeg dat ik weet wie dat is. "You know Russian history!", zegt hij trots. Ik zeg dat ik een schilderij met vissersvrouwen mooi vindt en hij bloost een beetje, alsof ik hem zojuist een persoonlijk compliment heb gegeven.
Ik ontmoet ook de rest van de schoolklas, die een brief voor me hebben geschreven met getekende hartjes en Matroesjka's. Kseniya komt me een paar keer eten brengen, waaronder hele exclusieve vis. Een artikel over mijn bezoek verschijnt in de lokale krant. Ik ben de eregast van dit dorp, het is heel bijzonder en ik vraag me af waar ik al deze hartelijkheid aan heb verdiend.
De mevrouw van de winkel en de pianoleraar Olga komen me uitzwaaien. Olga geeft me een medaillon mee van de beschermheilige van het dorp: "om je onderweg te beschermen".
Ik ga nu door naar de stad Astrakhan, waar ik via Couchsurfing verblijf bij Mark, die theater maakt en fotografeert.
De tempel lijkt gesloten. Buiten staat een gigantische gouden Boeddha. Ik loop om de tempel heen en klop aan bij een gebouwtje. Een monnik in oranje gewaad maakt de deur van de tempel voor me open.
Ik ga alleen in de tempel zitten en een gevoel van intense kalmte komt over me heen. Bij de verschillende Boeddha beelden en foto's van de dalai lama ligt geld of eten. Iemand klopt aan en ik maak open. Een man komt binnen en buigt drie keer met de handen voor het gezicht in bidhouding. Hij gaat dan alle altaren af en legt er een muntje neer. Nu maakt hij even een praatje, voorzover dat gaat, wie ik ben en waar ik naartoe ga en of dat mijn fiets is. Bij de ingang liggen zakjes met eten. De man pakt zo'n zakje mee en maakt een verontschuldigend gebaar.
Nu valt mijn oog op een tafeltje met foto's van mannen, meestal jonge mannen. Ze hebben uniformen aan. Één van de mannen lacht, terwijl hij een groot machinegeweer in zijn schoot vasthoudt. De foto's van de soldaten liggen vlak bij de Dalai Lama. Oorlog en boeddhisme, hoe valt dat met elkaar te rijmen? Ik besluit dat ik dat niet hoef te doen, ik ben hier om te kijken en om te luisteren. Ik moet de dingen naast en niet in een bepaalde volgorde lf boven of onder elkaar plaatsen. Ik ben een postbode, just a messenger. Maar mijn gevoel van kalmte is weg.
Ik fiets verder, de steppe op en kom langs het dorp Dzhalikovo. Ook hier is een tempel. Ik vraag een oude man in uniform (zou hij ook een soldaat zijn?) of ik de tempel kan bezoeken en hij belt iemand op. Hij gebaart dat ik even moet wachten en scheurt weg in zijn auto, een stofwolk neemt langzaam bezit van het dorp. Enkele minuten later is hij terug met Svetlana, die de tempel opent en direct op volle snelheid in het Russich begint te vertellen. Veel snap ik er niets van. Behalve dat dit de eerste boeddhistische tempel in de Sovjetunie was en dat haar voorvaderen uit Mongolië kwamen en via Siberië hier terecht zijn gekomen en dat ze een vriendin heeft die in Duitsland woont en altijd met kilo's Kalmukse thee terug naar huis gaat.
Ze leert me hoe ik moet bidden, met welke knie ik voor de Dalai Lama mag knielen en dat ik mijn hoofd drie keer naast zijn portret moet laten aanraken. Ik moet in het midden van de ruimte staan en naar de Boeddha buigen. Ik krijg een zaad van de lotusbloem. "Als je die in je zak terug vindt, moet je nog eens aan ons hier in Kalmukkië denken". Ik krijg een zakje Kalmukse thee mee en snoepjes die voor de Boeddha waren neergelegd. "Zijn die niet voor de Boeddha?," vraag ik. "Van de Boeddha voor jou, gebaart ze.". Dan geeft ze me een kaarshouder in de vorm van een lotusbloem mee. Die kan ik eigenlijk niet aannemen, maar weigeren lukt ook niet.
"Ik moet ze weer doorgeven," denk ik, eigenlijk is die lotusbloem een soort brief. Ik fiets dat dorp uit en veroorzaak nu zelf een stofwolk. Daar komt een oude Lada. Zijn stofwolk is groter, hij toetert. Naar mij? Ik fiets door. Hij toetert weer. Ik stop en kijk. Een man in een legeruniform zwaait naar me. "Thee!," roept hij dwingend.
En even later zit ik in de keuken aan een kopje thee. Op de tafel staat brood met boter: "eten!" Roept de soldaat. De Russische gastvrijheid gaat soms wat met de harde hand, maar ik voel dat het goed bedoeld is. Dan laat hij me zijn wapenvergunning zien. "Bent u een jager? Een politie agent?," vraag ik naar de bekende weg. "Soldaat," zegt hij. Hij pakt nu zijn telefoon en toont me een filmpje. Ik zie een gebouw dat onder vuur wordt genomen vanuit een raam, ik hoor mensen roepen. "Bachmoet.," zegt de soldaat. Mijn maag draait zich aan alle kanten om van deze oorlogsbeelden. Ik geef hem aan dat ik niet verder wil kijken. Dan toont hij me het portret van een vriend, ook een soldaat, die daar is overleden. "Het spijt me," zeg ik. "Ach," gebaart de soldaat en hij wappert naar achteren met zijn handen om te zeggen: "dat ligt achter me". De magere man maakt schokkerige bewegingen, hij lijkt voortdurend alert, zelfs als hij mij nog wat thee bijschenkt. Aangezien ik liever geen filmpjes van de oorlog bekijk, zoekt hij nu naar iets wat me wel bekoort. Iets Engels misschien. Queen? Ik knik opgelucht. Boeddhisme en oorlog. Een Russische soldaat die Queen voor me opzet. Ik snap er helemaal niks van. Het hout knettert in de haard en helpt me om kalmte in mijn hoofd te vinden. "Naast elkaar, niet onder of boven elkaar," herhaal ik als een mantra.
De soldaat is gewond en mag niet meer vechten. Anders zou hij zo teruggaan. Nu krijg ik een rondleiding door het huis. Hij is fier. Eerst gaan we langs het altaar en we buigen naar de boeddha. Vlak ernaast staat het tafeltje met de militaire onderscheidingen. Zijn schokkerige bewegingstaal, maakt plaats voor onwankelbare trots, wanneer hij naar zijn medailles wijst. Hij toont ook de slaapkamer en de hal als kostbare museumstukken, en lijkt te wachten op mijn bewondering. Ik weet me geen houding te geven. Ik zie een eenvoudig en aangenaam huis, temidden van een dorp in het niets, waar elke beweging een stofwolk doet opwaaien.
Ik ben veel langer in dit dorp dan ik van plan was. Ik moet nu echt weer verder. De soldaat knikt, een beetje teleurgesteld. Hij drukt me een vis in de hand. Door de plastic zak kijkt hij me beteuterd aan. Ik trek mijn schoenen weer aan en de soldaat kijkt even hoe ik daar onhandig mee worstel. Springt dan gretig op en komt terug met een schoenlepel. Wanneer ik die na gebruik terug wil geven, schudt de soldaat gedecideerd van nee. "Voor onderweg".
En zo verlaat ik het dorp, wat zwaar beladen, de vis achter de snelbinders geklemd. De soldaat kijkt naar me en naar mijn fiets. "Naaar China?", vraagt hij en ik knik. Hij wijst lachend naar zijn voorhoofd, alsof hij wil zeggen: "je bent niet helemaal bij zinnen". Door mijn eigen stofwolk, werp ik nog één blik op dat dorp, dat mij ondanks alles als een eregast heeft ontvangen en ik realiseer me dat het een plek is die ik nooit zal vergeten.
Over een gravelweg waar ik geen enkele auto of vrachtwagen zie, steek ik de grens over naar de regio Astrakhan. Ik zie nu weer orthodoxe kerken en begraafplaatsen. Ik heb een kamer geboekt in het vissersdorpje Oranzherei. Ik moet eerst een brug over, dan langs een elektriciteitscentrale en de begraafplaats waarachter de zon zich nu langzaam verstopt, een magische glinstering achterlatend.
Mijn internet ligt eruit. GPS ook. Dat zal wel met die centrale te maken hebben. Dat is dus ouderwets op de kaart kijken, na zoveel afslagen naar rechts, en op straatnamen letten. Ik klop aan bij het huis op aan de onverharde weg langs de rivier. Niets. Ik klop nog eens. Ik roep. Het begint kouder te worden. Hoewel de temperaturen overdag steeds aangenamer worden, koelt het 's avonds hard af. Een typische droge kou, een ongedaige wind, die dwars door de je kleren heen lijkt te blazen. Ik klop en roep nog eens. Ik sta hier inmiddels al een kwartier en begin te klappertanden. Ik kan niet bellen en heb geen internet. Ik besluit aan te kloppen bij een huis, dat wordt bewaakt door een grote enge hond. Hij blaft even, maar als ik het poortje van het erf open, doet hij niets. Ik klop aan. Niets. Ik hoor toch mensen binnen. Ik klop nog eens. Niets. Ik ga nu naar het raam en zwaai. Nu opent er een meisje met sproeten. "Mama," vraag ik. Een vrouw komt aan met verschillende kinderen met sproeten aan haar zijde. Ze kijken me wat uitdagend aan. "Wat?", vraagt ze. Ik begin te stamelen, maar kan niet in het Russisch uitleggen wat ik nodig heb. De familie staart me ongeduldig aan. Ze bestuderen me. Ik typ druk op mijn telefoon en laat ze een tekst zien (ik heb een offline woordenboek gelukkig)
De vrouw zegt van alles, maar ik versta haar niet. "Nee! Nee!," zegt ze dan, "Doei! Wegwezen buitenlander." De deur wordt dichtgesmeten en de sleutel draait rond in het slot. Buiten aangekomen hangen de kinderen uit het raam en kijken me vijandig aan. Ze lijken de hond aan te sporen om me te verjagen, maar die herder ligt me alleen wat schaapachtig aan te staren. Het schemert nu, ik voel de koude wind tot op mijn botten.
Ik wil weg van die plek en die mensen en ga terug naar het centrum van het dorp. Ik loop een winkeltje in. De vrouw van wie de winkel is, ziet direct dat ik geschrokken ben. Met wat hardhandige Russische gastvrijheid zet ze me aan een kopje thee: "jas uit!, stoel pakken!, zitten!, aanschuiven!, drinken!" Ik krijg nu ook wat koekjes en een broodje "eten!". Ze begint druk te overleggen met alle klanten die aankomen en aan de telefoon. Ik snap er niks van. De lokale pianolerares Olga (leerde ik later) staat me wat bezorgd aan te staren. Er is hier in elk geval geen hotel, is de conclusie.
Dan komt er een vrouw met een brede glimlach de winkel in. Ze geeft me direct een goed gevoel, ik voel me veilig nu zij er is. Even later toont ze me haar telefoon, daarop staat de volgende tekst:
"Ik heb een plek gevonden waar je kunt overnachten, volg mij"
De vrouw heet Kseniya. Ze neemt me mee naar een typisch appartementenblok uit de Sovjettijd, mijn fiets gaat in een loods. We moeten naar de bovenste verdieping, de buurman is er nu ook bij om te helpen met de bagage. Hij duwt me een paar leren handschoenen in de hand, voor onderweg. Ik sla ze beleefd af, omdat ik al handschoenen heb. Ik kan vandaag niet meer geschenken aannemen! Hoewel dit appartement, waar de spinnende en eenzame kat Agnieszka op me zit te wachten nu ook een godsgeschenk ik. De verwarming draait op volle toeren en ik ben de kou snel vergeten als de kat tegen me aan kruipt op de bank. De eigenaar van dit appartement is tijdelijk voor werk in Sint Petersburg en Agnieszka is helemaal alleen. "Ze zal blij zijn met je gezelschap," zegt Sonya, Kseniya's dochter die gelukkig wat Engels spreekt.
De mevrouw van het hotel geeft me nog een brood, een stuk kaas en een fles water voor onderweg mee. Ik steek de grens met Kalmukkië over, het checkpoint ziet er serieus uit, maar ook hier mag ik gewoon doorfietsen.
Al snel zie ik een tankstation met de naam "Lotos" en een boeddhistische gedenksteen vol gekleurde bloemen, voor iemand die is aangereden.
Ik heb geleerd van gisteren. In het stadje Artezian, sla ik voldoende voedsel en water in, want het lijkt erop dat ik de komende honderd kilometer niets ga tegenkomen.
Op het plein staat een standbeeld van Lenin, naast de Boeddhistische tempel. Er hangen borden met glorieuze militaire taferelen uit de Soviettijd en een oproep om je bij het leger aan te sluiten. De mensen zien er hier Aziatisch uit, ik leer later dat het Kalmukse volk oorspronkelijk uit Mongolië komt. En deze regio is de enige in Europa waar het Boeddhisme dominant is. Terwijl ik het dorp uitrijd over een zandweg richting de hoofdweg rijd ik over een soort vuilnisbelt, in de vertr blaffen honden. In vergelijking met de Islamitische republieken is het hier allemaal wat rauwer, heb ik de indruk. Voor mijn gevoel contrasteert dat met de lotus en met de symbolen van het boeddhisme.
Ik fiets inderdaad de rest van de dag door de steppe. De wind is mij niet gunstig gezind, waardoor ik erg langzaam ga. De vrachtwagens scheuren soms op volle snelheid vlak langs me heen. De weg loopt kaarsrecht noordwaarts, maar aan het einde van de dag is er een afslag richting Lagan, daar maak ik een hoek van 90 graden en terwijl het al donker begint te worden, raas ik ineens met de wind in de rug naar Lagan, waar ik een aftands pension binnen stap. Een Kalmukse vrouw zit daar achter een venster met een opening om door te spreken. Ze zit naast een geïmproviseerd bedje, boven het bed hangt een portret van Vladimir Putin in zijn jonge jaren.
De kamer hangt vol verwarmingsbuizen, nergens een knop om de verwarming wat zachter te zetten, maar zo schijnt dat hier gebruikelijk te zijn. Ik heb zo een warme en comfortabele nacht in een hele andere wereld en neem me voor om morgen de tempel te gaan bezoeken.
Een vriendelijke jongeman met glinsterende ogen komt naar me toe in de ochtend, hij spreekt een beetje Engels. Ik voel me wat minder ontheemd, hij glundert als hij over mijn reis hoort. Ik krijg de indruk dat hij zelf ook wel zoiets zou willen doen.
De weg is best druk, na eerst door een paar dorpen te fietsen, zie ik al snel alleen nog maar steppe. Geen winkels, geen mensen, alleen nog maar de weg en een eindeloze vlakte met lage struiken. Nog nooit van mijn leven ben ik door zo'n middel of nowhere gefietst. Ik begin me af te vragen waar ik zal overnachten. Toch niet in dat uitgestrekte landschap, zo zichtbaar vanaf de weg?
Maar ook nergens huizen te bekennen. De weg is relatief rustig, maar er is nauwelijks ruimte voor een fietser aan de zijkant. Als twee auto's en vooral vrachtwagens elkaar inhalen is het erg krap en ben ik bijna gedwongen om van de weg af te gaan. Er wordt hier ongelooflijk hard gereden. Ergens snap ik het wel, de weg is kaarsrecht en er is niets om voor te stoppen. Dan maar op volle vaart erdoorheen kachelen.
Maar ik ga maar zo snel als ik ga. En dan, vlak voor de grens met Kalmukkië, is daar toch ineens een aantal huizen. Een restaurantje, een winkel en een hotel. Ontbijt en avondeten zijn gelukkig inbegrepen, want veel voorraad had ik niet meer. Ik was niet goed voorbereid op de steppe.
De mevrouw van het hotel is aanvankelijk wat wantrouwend, maar wordt dan steeds vriendelijker en leert me hoe je in Dagestan dankjewel zegt: "Barkalla"
Ik verlaat Grozny en neem een rustigere weg ten noorden van de stad die me richting Dagestan zal brengen. Had ik al verteld dat GPS hier niet zo goed werkt? Vanwege de oorlog valt het regelmatig uit, net als mijn internetverbinding.
Op enkele kilometers van de stad is er eencheckpoint. Bij de vorige checkpoints tussen de verschillende deelrepublieken, lieten ze me gewoon doorfietsen, maar hier moet ik stoppen.
Een Russische agent in een blauw uniform en een Tsjetsjeense agent in een zwart uniform stellen me allerlei vragen die ik niet begrijp. Een vertaalapp moet uitkomst bieden. De agenten spelen good cop, bad cop. De Tsjetseense man zegt dat ik me warmer moet aankleden en dat ik verderop eten kan kopen. De Russische agent praat door een walkie talkie en vraagt naar mijn paspoortnummer, adres, telefoonnumer. Twee verschillende politiehonden snuffelen aan mijn bagage. En nu is het weer de Tsjetsjeense agent die me streng aankijkt en zegt dat ik moet wachten, terwijl de man in het blauwe uniform lacht en vragen stelt over het fietsen. "Wat willen ze eigenlijk van me?", vraag ik me af. Is het de bedoeling dat ik ze "iets toestop?". Ik wacht het rustig af, maar voel me wel steeds beklemder, ondertussen begint mijn lichaam te rillen van de kou.
Ik mag dan na een half uur uiteindelijk toch vertrekken. "Davai," zegt de Russische agent en gebaart dat ik verder mag fietsen. Hij zegt nog iets tegen mijn telefoon. "Leer Russisch, het gaat je nog van pas komen", lees ik in het Nederlands op mijn scherm. De Tsjetseense agent geeft me een boks, terwijl hij me strak aankijkt.
De weg is rustig en zonder problemen. Ik zie een volgend checkpoint bij de grens met Dagestan, maar daar word ik weer vriendelijk doorgewuifd. Hier is het weer een andere wereld, wat minder opgeruimt dan in Tsjetsjenië en er staan overal plastic 5-liter flessen vol wijn langs te weg te koop. Ondenkbaar in Tsjetsjenië!
Ik vind een pension in een tankstation langs de weg. Het personeel is heel onvriendelijk en de prijs veel te hoog, maar ik durf hier in Rusland nog niet zomaar ergens te kamperen. Ik snap de taal, het land niet en denk soms toch even aan dat rode reisadvies. Ik voel me wat verloren en ongemakkelijk in deze vreemde wereld, in dit tankstation waar ik met tegenzin welkom word geheten. Ik maak een selfie in de spiegel van de hotelkamer om toch wat territorium af te bakenen.
Ik laat het Kaukasusgebergte achter me en over het vlakke land rijd ik richting Grozny, de hoofdstad van Tsjetsjenië, met nog een beetje een zwaar hoofd van de drankjes die ik gisteren moest proeven en met een hele zak eten, die ik van Larisa meekreeg.
De Russische Kaukasus bestaat uit verschillende deelrepublieken, die allemaal een heel eigen karakter hebben. In Noord-Osettië, waar ik start, zijn ze christelijk, maar al snel bereik ik de grens met Ingushetië, waar ze Islamitisch zijn.
Het is Ramadan en ik ben nog geen kilometer in de deelrepubliek of een auto stopt om me te begroeten en me water aan te bieden.
Ik fiets langs de snelweg, wat comfortabel is, vanwege de brede vluchtstrook. In Ingushetië mag je niet zomaar over alle wegen rijden vandaar dat ik deze route koos. De Noordelijke Kaukasus is dieprood in de reisadviezen van westerse landen, maar vooralsnog voelt het hier veilig. De wegen zijn goed, alles is schoon, de mensen zijn vriendelijk.
Eenmaal in Tsjetsjenië, zie ik overal vlaggen en portretten van de grote leider Kadyrov, soms op een wit paard en soms naast Vladimir Putin. Tsjetsjenië is een deelrepubliek waar sharia-wetgeving geldt en je kunt dus onderweg nergens iets te eten kopen. Ik neem de afslag richting Grozny: wat een bling bling. De stad is extreem proper en blinkend. Ik herken twee torens met klokken erop van foto's die ik thuis zag. Het doet me hier een beetje denken aan Dubai. Ik verblijf in een hotel. De receptionist is nogal onder de indruk van mijn reis. Op het plafond in mijn kamer hangt een sticker waarop aangegeven staat waar Mekka ligt. De kamer heeft geen ramen.
Ik bezorg twee brieven vanochtend, waaronder één aan een middelbare school. Terwijl de jongeren een brief schrijven, blijft mijn blik naar de vensters getrokken, naar die imposante giganten. Vrienden hadden me al verteld dat ik Kazbegi zeker moest bezoeken en hier ben ik dan, op misschien wel de mooiste plek die ik ooit heb gezien. "Hoe is het om op zo'n mooie plek te wonen?", vraag ik aan de jongeren die er hun schouders voor ophalen: "er komen hier veel toeristen, dus dat is lekker bijverdienen," grijnst een guitige jongeman. In het pension waar ik verblijf - eigenlijk een privé huis, waar ik Giga ontmoet, die de neef van de Engelse docent op de school en de collega van Rusadan (aan wie ik een brief moet bezorgen) blijkt te zijn: "de wereld is klein!", roep ik. "Stepantsminda is klein," zegt hij. In het pension waar ik verblijf dus, ontmoet ik Fu uit China. Hij is met de fiets onderweg naar Iran. "Kijken of dat nog lukt". Het lijkt alsof we hier op de grens tussen Europa en Azië hebben afgesproken. "I will never forget you," roept hij met gevoel voor drama, terwijl ik wegfiets. De weg naar Rusland is gemakkelijk, maar ik moet een aantal tunnels door. De eerste tunnel is vrij kort. Ik kijk de tweede tunnel in en zie alleen een hele hoop duisternis. Ik besluit te wachten op een auto, om die te vragen of die achter me wil rijden. Maar er komt maar niets. "Ach wat, het is toch bergaf," denk ik en ik waag het erop. Al snel word ik omringd door duisternis. Mijn fietslampje lijkt niets te doen, ik zie het wel, maar het licht bereikt niets, alsof ik door de oneindige duisternis van het heelal vlieg. Ik denk nog steeds rechtuit te fietsen, maar mijn ogen kunnen dat niet bevestigen en ik raak heel erg in paniek. Ik probeer te blijven ademhalen, rustig door te fietsen, maar het voelt alsof het zwart van deze tunnel me voor altijd op zal slokken. Maar dan zie ik een reflectie op de muur, een beetje licht, dan steeds een beetje meer. Hoeveel levens kan ik op deze dag nog leven? De volgende twee tunnels besluit ik wel op auto's te wachten en dat blijkt een goede strategie. En dan is daar de grens. Ik begin me nerveus te voelen. Rusland, dat is niet niks. Allerlei rampscenario's vliegen door mijn hoofd, ondervragingen door de geheime politie, of simpelweg teruggestuurd worden, of gevangen genomen? Net als in de tunnel blijf ik ademen. Bij de grens is men erg vriendelijk tegen me. De lange rij wachtende auto's laat me passeren en de grenswachten stellen wel veel vragen, maar uiteindelijk krijg ik toch dat stempeltje en mag ik door. Ik kan het niet geloven, ik ben er echt, in dat legendarische land, waar ik al tientallen jaren van droom, maar waar je tegenwoordig niet zomaar even naartoe gaat. Toch ben ik er zomaar even naartoe gefietst. De weg naar Vladikavkaz is snel en makkelijk, licht omlaag. Ik zie mensen die hun normale dagelijkse ding doen: "het leven gaat hier gewoon door," denk ik. Ik oefen mezelf in het lezen van Cyrillisch schrift, wordt even door een vrachtwagen van de weg gebonjourd en kom dan langs allerlei militaire monumenten. Het voelt onwerkelijk om aan de andere kant te staan. Ik moet mensen de weg vragen want GPS werkt hier niet meer, vanwege de drones. In Vladikavkaz word ik gehost door Larisa, haar zoon Nikita en haar dochter Nadia die wat Engels spreekt, twee katten geven me kopjes. En dan komt er bier en eten en een groep vrienden, nieuwsgierige vrienden die me de hemd van het lijf vragen. En dan vertelt Nadia me over haar man, die vermist is, ze laat me een video zien, waar hij geblinddoekt wordt: "ik weet het bijna zeker, hij is gevangen genomen," spreekt ze hoopvol, "ik hoop dat er snel een gevangenenruil komt". "Ik hoop dat hij snel terugkomt," zeg ik oprecht. De vrienden blijven drinken, maar ik moet gaan slapen, morgen moet ik door. De katten komen tegen me aan liggen, ik ben warm ontvangen in dit mysterieuze land. Wat wacht er nog op me?
Ik klim heel geleidelijk, de klim is niet moeilijk of zwaar. Wel is het koud. De laag sneeuw langs de weg wordt met elke hoogtemeter hoger tot het indrukwekkende sneeuwmuren zijn. Ik hoop dat ze niet instorten, en ik hoop dat er vandaag geen lawines zijn. Auto's scheuren over de smalle weg die soms in slechte staat is. Ik zie twee auto's bijna frontaal op elkaar botsen na een inhaalmanoeuvre bij een bocht. Iedereen kijkt er heel ontspannen bij, of het de normaalste zaak van de wereld is. Veel Russische vrachtwagens, zwaar beladen giganten, die stapvoets de berg op tuffen. En dan ben ik er ineens al: het viel me reuze mee. Of moet het moelijkste nog komen na Stepantsminda? In dit dorp bezorg ik twee brieven. Het is misschien wel de mooiste plek waar ik ooit geweest ben. Aan alle kanten gigantische besneeuwde toppen, divers in vorm.
Na wat dagen rust, spelletjes en een brief bezorgen kan ik eindelijk richting Rusland: de weg is officieel geopend en de volgende uitdaging is een feit: over het Kaukasusgebergte, naar een hoogte van 2700 m over één van de gevaarlijkste wegen ter wereld waar duizenden vrachtwagens overheen denderen omdat het de enige route is tussen de Noordelijke en Zuidelijke Kaukasus. De eerste kilometers gaan langzaam omdat ik de snelweg probeer te vermijden, maar dat betekent modder waar je in vast komt te zitten, gesloten hekken en honden, veeel honden! Ik passeer een curieus monument, waar je in kan en dan ga ik echt die fameuze weg op. De bergen in. Ik houd halt bij een hotelletje om morgen de pas te kunnen oversteken.
Ik ga een brief bezorgen van aardrijkskundeleraar Rusadan en maak van de gelegenheid gebruik om een fietsreoaratie te doen: mijn achterrek is kapot, niet onbelangrijk! Onderweg passeer ik een oorlogsmonument, waar soldaten in rode uniforms permanent de wacht houden. Ik zie ze stiekem met elkaar praten, maar zodra iemand dichterbij komt, gaan ze keurig in de houding staan als de Britse soldaten voor het koninklijk huis. Ik begroet ze, en er verschijnt een voorzichtige glimlach. Ik probeer door Tbilisi te navigeren via kleinere wegen en fietspaden en de toch valt me alleszins mee.
De weg van Gori naar Tbilisi verloopt zonder grote bijzonderheden of problemen, hoewel er flink veel sneeuw ligt. De wegen zijn sneeuwvrij gemaakt en ik ben sneller dan ik denk. Even pauze houden is lastiger, dan sta ik al snel in een dikke laag sneeuw. Het laatste stukje naar Tbilisi is stressvol, de enige weg die ik kan nemen is een snelweg, met nauwelijks een vluchtstrook. Een paar keer moet ik de modderige berm induiken wanneer ik een grote vrachtwagen in mijn rug hoor komen. Sinds het incident in de tunnel vertrouw ik er niet zomaar meer op dat het verkeer in mijn rug mij daadwerkelijk ziet. In Tbilisi wordt ik voor een paar dagen opgevangen door Eric en zijn zoon Finnley (moeder Debbie is op reis). Ze zijn een reizend gezin en vangen graag reizigers op via het netwerk Warmshowers. Mijn reis is niet zo bijzonder voor ze: ze hebben alle bestemmingen, afstanden en dergelijke al gezien: ook fietsers die ski's bij zich dragen enzo. De familie blijkt - net als ik - dol op spelletjes. Zo kom ik de tijd door, terwijl ik wacht tot de weg naar de Russische grens weer wordt vrijgegeven: vanwege lawinegevaar mag je er nu niet op!
Ik mag het huis van Inga niet verlaten zonder brief en twee flesjes zelfgemaakte druivenlikeur. "Niet aan de Russen geven, die zijn er dol op."
Ik vervolg mijn weg naar Gori, de geboorteplaats van Stalin en bezoek het Stalinmuseum in het Stalinpark voordat ik een brief bezorg aan Giga's vriend Beka.
Over een prachtige pas terug het dal in richting Borjomi. De weg is druk en smal, veel Turkse vrachtwagens, waarvan ik al wist dat ze niet graag ruimte maken voor een fietser.
Ik probeer het over een secundaire weg, maar die blijkt zeer uitdagend. Wat ik in een uurtje dacht te doen, duurt drie uur, maar ik bereik dan toch eindelijk Borjomi, waar ik een brief aan Inga bezorg, helemaal vanuit Venray in Nederland!
Er worden direct allerlei hapjes op tafel gezet en Inga en haar zoon Giga bieden me onderdak aan! Een comfortabele en warme nacht met zelfgemaakte druivenlikeur voor het slapengaan.
Avtandil wilde alleen maar behulpzaam zijn. Dit was geen goede kampeerplek, ik moest dus uit mijn tent, haringen eruit en de tent over het hele veld slepen naar de geautoriseerde kampeerplek. Avtandil rook naar een borreltje, je moet toch iets als je de hele nacht op een school moet passen in een klein dorp. De fiets mag in de school overnachten en 's ochtends wanneer ik haar weghaal en langs de klaslokalen loop, zie ik hoe in elke klas een houtkacheltje staat te branden, een aangename warmte komt me tegemoet. Als ik met mijn fiets vertrek, komen de eerste leerlingen aan en houden me staande. Waar kom je vandaan en waar ga je naartoe? Moeilijk te beantwoorden vragen. En het gaat natuurlijk over voetbal. Ik krijg een snelle cursus Georgisch voor reizigers, leer welke Georgische gerechten ik onderweg moet proberen en word dan onder luid gejuich op weggestuurd. De jeugd is de toekomst.
Op aanraden van Ilya neem ik een bad in de zwavelbaden bij Vani, gewoon via een parkeerterreintje, even toestemming vragen, veilig langs de blaffende hond zien te raken en genieten maar. Al snel word ik vergezeld door Kristian, een oudere man, die hele verhalen ophangt in het Georgisch. Zo nu en dan komt er eens een vraag, waarop ik schaapachtig mijn hoofd schud en zeg dat ik geen Georgisch spreek. Hij herhaalt de vraag dan licht geïrriteerd een paar keer tot hij het moet opgeven. Dan zinkt hij murmelend van geenot het warme water in, tevreden spinnend en mompelend, alsof hij even in trance raakt, ok even later weer wakker te worden en zijn "gesprek" met me voort te zetten. Ik geloof dat hij voor hij vertrok nog probeerde om me lver te halen om mee wijn te gaan drinken, maar dan aanbod heb ik met al mijn Georgische taalkennis vriendelijk afgeslagen.
Want ik wil mijn weg voortzetten richting Borjomi, richting de volgende brief.
Nog één veilige kampeerplek zoeken in de bergen bij Kharagauli bij een grote boerderij. De zoon wordt opgebeld, die blijkt in België te wonen en in het Nederlands vertelt hij mij dat ik mag kamperen waar ik wil. Ik krijg een fles wijn in de handen gedrukt, die ik wederom vriendelijk weiger. Te zwaar, leg ik uit, te veel om vanavond op te drinken. Naira (als ik het goed heb gehoord) begrijpt dat wel.
Vanuit Batumi wordt het verkeer snel minder hysterisch als ik van de grote weg afbuig en om de tunnels heenrijd. Door de heuvels maak ik mijn eerste tussenstop bij Ilya uit Belarus, op advies van Yankka. Hij besluit om me een brief mee te geven! De dag verloopt rustig, heuveltje op en heuveltje af, ik raak een beetje meer vertrouwd met Georgië, al haar honden, agressieve bestuurders en soms stugge, dan weer hele vriendelijke en vrolijke mensen. Vooral door kinderen word ik enthousiast begroet en ze grijpen de kans aan om hun Engels te oefenen. De dorpen worden gekenmerkt door gele of rode gasleidingen, die een meter of twee hoog langs de huizen lopen. In een dorp vraag ik of er een veilige kampeerplek is en ik word naar de school verwezen. Die heeft een grote tuin, waar een koe graast. Ik zet mijn kamp op naast de watertoren, maar dan... Ik wil net gaan slapen wanneer ik felle lichten dichterbij zie komen. Een man spreekt Georgisch, waar ik niets van versta. Hij steekt zijn telefoon naar binnen en daar lees ik een vertaling: "Ik ben Avtandil, de conciërge van deze school." Hij gebaart dat ik uit de tent moet komen. Word ik hier nu weggestuurd?
In de ochtend ben ik met Murat op pad die me meeneemt naar de fietsenmaker, nee beter: fietsprofessor. Hij haalt de gigaslag uit mijn wiel zodat ik voorlopig verder kan en helpt me met een nieuwe band. Dan wordt mijn telefoon onderzocht. "Don't bother repairing it," zegt de telefoonprofessor. Zeewater en elektronica bkijkt geen goede combinatie. Zonder telefoon, zonder geld, maar met paspoort fiets ik het kleine stukje naar Georgië, een andere wereld! Batumi blijkt een kosmopolitische metropool, waar je net als aan de Montenegrijnsd kust Russische en Oekraïense auto's gebroederlijk naast elkaar geparkeerd ziet staan. Via Couchsurfing word ik opgevangen door Yanka uit Kaliningrad, die tijdelijk in Batumi woont met haar zoon Ignat. "Ik kan hier bijna overal gewoon Russisch praten," zegt ze. Zelf spreekt ze goed Engels, ze is een wereldburger, liftte ooit door heel Europa, nu is dat allemaal wat ingewikkelder. Ze legt me uit hoe dat nu kan, al die gigantisch lange waslijnen in de stad. Speciale mannetjes hebben de taak om de waslijnen aan speciale masten te bevestigen, het is een dubbele waslijn, dus vanuit je balkon moet je dan aan het touw trekken, een kledingstuk eraan hangen, weer trekken, volgende kledingstuk, enzovoort. Ignat mag online onderwijs volgen, "dat mag bij ons gewoon." Ik mag zijn telefoon lenen om contact met mijn thuisfront op te nemen, weer toegang te krijgen tot mijn bank, etc. Yanka en Ignat hebben me gered!
De weg langs de kust blijft maar vlak en druk en brengt me langs de grote stad Trabzon, waar ik even halt houd om de moskee te bekijken. Een Kazachse toerist vraagt me om een foto van hem te maken en hij maakt er één van mij. In het dorp Kalecik staat een oud kasteel. "Waar kan ik hier kamperen?", vraag ik aan een groepje mannen. Één van hen neemt het op zich om me alles uit te leggen: "daar, naast het bord "verboden te kamperen", kun je kamperen," zegt hij, en er zijn hier zelfs toiletten, een café en een winkel. Luxe!
Door de steden Ordu en Giresun en langs de grote weg. Aan het einde van de dag fiets ik een rondje door Tirebolu op zoek naar een geschikte slaapplek. Uiteindelijk kom ik op het strand terecht, waar twee schooiende katjes mij gezelschap houden. Een onrustige nacht volgt omdat hier veel mensen voorbij komen.
Vanuit Dilaver's huis zet ik mijn reis voort fllangs de drukke, drukke autoweg richting Ordu. Aan het einde van de dag besluit ik de oude weg te nemen, helemaal langs de kust, over wat heuveltjes, maar wel lekker rustig. Daar vind ik een oude Griekse kerk vanwaaruit er een stuk land de zee in steekt, aan het einde staat een vuurtoren. Het is allemaal vernoemd naar Jason, uit de oude Griekse mythologie. Iets met draken en argonauten, hoe zat het ook alweer? Het is een bezienswaardigheid, overL groepjes mensen die foto's nemen of picknicken. Ik vraag in een winkeltje of ik hier mag kamperen en dat mag, ik krijg water voor in mijn thermoskan. Een klein viervoetertje houdt me gezelschap.
Gerze houdt me nog even gegijzeld: ik moet wachten totdat mijn kleren gedroogd zijn (de wasmachine wilde gisteren niet openen, dus ook mijn natte kleren waren gegijzeld). Mijn host Yalçin schrijft nog een brief naar het verre, verre oosten, naar een fietser die naar het Oosten vertrok op de fiets en nooit meer terugkwam. En dan is het gedaan met de bergen. Met de wind in de rug ga ik sneller dan ik de afgelopen weken kon, het lijkt wel of ik vlieg. Maar dan gaat het hard regenen en aan het einde van dr middag zoek ik mijn heil bij een tankstation, waar ik uiteraard eerst thee aangeboden krijg, een kans om eerst even lekker op te warmen in het kantoortje met de medewerkers.
Na de laatste dag met extreem veel hoogtemeters besluit ik om een dag pauze te houden. İk word opgevangen door de filosofie leraar Yalçin via warmshowers.org (een platform voor fietsers). İk mag hier een dagje rust houden en die heb ik hard nodig. Zijn drie katten onthalen me met veel enthousiasme, 's avonds maken we een wandeling naar de haven en Yalçin en zijn vriend Müsjat vertellen me alles over de grote brand die hier woedde en hoe bijna alle houten huizen toen verloren gingen. Slechts een paar van die spookhuizen zijn nu nog over.
Vandaag kan ik wat meer kilometers maken. İk maak nog steeds veel hoogtemeters, maar de extremen behoren tot het verleden. Onderweg stop ik bij een restaurantje. De eigenaar kan me maar moeilijk laten gaan, met trots plakt hij een sticker van 6letters.com op de ruit van zijn zaak. Wat het betreft het vinden van een slaapplek is deze dag atypisch. Aan het einde van de dag vraag ik aan verschillende mensen of ik op hun grasveldje kan kamperen of ze een andere plek kennen, maar niemand kan of wil mij helpen. Een automobilist stopt bezorgd langs de weg, "het is al bijna donker," zegt hij, "waar ga je slapen?". Uiteindelijk duik ik ergens een bosje in, het is inmiddels al donker.
Mijn achterband heeft het bijna begeven dus ik moet halt houden bij een fietsenwinkel in het stadje İnebolu. Ik ben net op tijd. Fietsenmaker Salih en zijn vriend Saim ontvangen me hartelijk en met thee, zoals dat in Turkije gaat. Wanneer de reparatie is voltooid is het al bijna 's avonds en ik besluit in een hotel te overnachten.
Eigenlijk zou ik een dag rust houden in Cide maar vanwege een taal- en cultuurbarrière met mijn gastheer Murat besluit ik - desalniettemin dankvaar voor zijn gastvrijheid - verder te fietsen. De zwarte zeekust is hier zeer kalm met veel beklimmingen. Ik had de Alpen over kunnen fietsen, maar in plaats daarvan ben ik nog steeds aan de kust. Het regent en het is koud. Ik sla mijn kamp op aan de weg, waar nauwelijks auto's voorbij rijden. 'S avonds wordt het weer stormachtig en ik waait bijna uit mijn tent.
Mijn dag begint op een vierbaans autoweg met verschillende tunnels, waarvan de langste 2,5 kilometer was. In zo'n tunnel hoor je plotseling alles galmen en dan weet je dat er iets aan komt en moet je maar hopen dat die auto of vrachtwagen je met een beetje ruimte passeert. Dan houdt de weg ineens op: in de verte zie ik een tunnel in aanbouw. Voorlopig moet men nog langs een rustige en mistige weg. Prachtig groen en met uitzichten over de rotsige kust. Op en neer, over een kleine pas naar een kustdorpje, weer de berg op en weer af naar het volgende dorp. En zo nog een paar keer. Zo ga ik traag maar gestaag naar de stad Cide, waar ik voor het eerst in tijden wordt gehost door een andere fietser: Murat. Ik ben blij om even bij te komen van al dat klimmen.
Ik kies voor een route langs een rivier, die iets langer, maar ook iets vlakker is en kom daarbij door de stad Bartın. In een lokaal eettentje ben ik al snel het gesprek van de dag. Iedereen wordt erbij gehaald om het verhaal te horen van de Nederlander die naar Maleisië fietst. Ik mag mijn lunch niet betalen, die is op kosten van de zaak. De dag eindigt weer aan het strand, in een dorpje dat zomers ongetwijfeld wemelt van de badgasten, maar wat er nu prettig kalm bij ligt. De enige actie komt van een paar honden, die er nog wat van proberen te maken door wat te blaffen. Op dit strand is kamperen echter niet toegestaan en ook niet verstandig, waarschuwt een mevrouw: "'s Nachts komt de zee tot op de straat!". Ik bel aan bij een gebouw met een groot grasveld om te vragen of ik daar mag kamperen, maar mijnheer Ahmet schudt van nee: "dat mag niet van de politie". Dan opent hij het lokale café - nu gesloten - en biedt me aan om daar voor een nacht mijn kamp op te slaan.
Ook vandaag gaat het weer op en af en ik besluit minder kilometers te maken. Ik houd halt in de kustplaats Filyos. Ik vraag aan een mijnheer waar ik kan kamperen. "Overal," zegt hij en hij raadt me aan de "verboden te kamperen" borden te negeren: "die gelden alleen in de zomer". Deze mijnheer met een prachtige glimlach, blijkt een vriend te zijn van de bekende Turkse lange afstandsfietser Gürkan Genç! Mijnheer Yavuz komt zich er ook mee bemoeien. Hij is gepensioneerd en pendelt tussen Wuppertal en hier. We spreken Duit en hij wijst me het allerbeste kampeerplekje aan, pal naast de zee, waar ik de golven op het zand kan horen slaan.
Na mijn kampement te hebben opgebroken ga ik de weg weer op. Deze etappe is wat vlakker, maar de dag eindigt met een grote beklimming naar "the middle of nowhere" tussen Ereğli en Zonguldak. Het begint te schemeren en ik zoek een kampeerplek in de bosjes. Zouden hier beren zijn? Ik heb ze niet gezien, maar val wel in slaap onder het zachte getik van regen en het gehuil van coyotes.
De weg langs de zwarte zee is vol hondjes. Lieve hondjes en minder lieve. En vol heuvels: een eindeloos heuvel op, heuvel af. Ik had vandaag de alpen over kunnen fietsen als je naar mijn hoogtemeters kijkt, maar mijn weg verliep alsmaar langs de kust. Aan het einde van de dag zoek ik mijn heil bij een tankstation, maar van de bediende begrijp ik dat zijn baas daar geen toestemming voor geeft. Hij tipt een grasveld in de buurt, maar eerst vult hij mijn waterfles en krijg ik een zak vol koekjes mee.
Nog maar 70 km naar mijn eindbestemming voor een aantal dagen: Istanbul, waar ik mijn moeder en goede vriendin Lisa zal ontmoeten en een aantal dagen rust zal houden. Een monster van een bebouwde kom, waar ik de hele dag doorheen fiets, de grote weg is te hectisch om langs te fietsen, maar hier zijn overal straten, ook soms rustige, de horrorverhalen over fietsen in Istanbul vallen me reuze mee. Maar dan, op een druk stukje, raak ik een stuk metaal en krijg een lekke band. Ik zit uren te klooien met de buitenband, die zeer moeilijk om het wiel te krijgen is en prik zo ook de reserveband lek. Ik vraag om hulp bij een garage. Orhan is niet alleen een autodokter, maar weet ook raad met fietsen en helpt me weer onderweg. Hij en collega Habip laten me niet vertrekken zonder lunch en thee en Orhan zegt: als je een probleem hebt, kom maar Orhan, als je thee wilt of iets te eten, je weet me te vinden. Ik dank Orhan en Habip van harte en rijdt de echte drukte van Istanbul in.
Ik wil zo ver mogelijk in de richting van Istanbul komen, en race langs de grote weg langs de ruige zee. Moe van de grote weg besluit ik af te buigen, maar dat blijkt een foute beslissing: al snel zak ik weg in de diepe klei van wat een verharde weg had moeten zijn. De heerlijke linzensoep van een klein restaurantje geven me nieuwe energie om nog een stuk door te gaan, nu weer over asfalt. Ik boek een overnachting in een hotel dat aan de snelweg blijkt te liggen, de enige manier om het te bereiken is door een hek kruipen en dan in tegengestelde richting over de vluchtstrook. Het hotel is gigantisch, maar ik ben de enige gast, de douche is zó vies dat ik besluit om me in de wasbak te wassen.
Ik fiets de hele dag langs de grote weg. Eenmaal de grens over in Turkije - een mijlpaal! - is dat erg comfortabel: de hoofdwegen zijn daar uitgerust met een zeer brede vluchtstrook, een soort privé fietspad, want andere fietsers zie ik niet. Hier en daar moet ik over de weg om een oude tractor in te halen. Een slaapplek vinden is hier geen probleem: je vraagt gewoon of je kunt kamperen bij een tankstation. Ik wordt doorverwezen naar de voormalige gebedsruimte, want het gaat stormen vannacht. En dat zou het.
Zodra ik de kust bereik zie ik eerst flamingo 's. Veel flamingo's! Halverwege houden de geasfalteerde wegen op en kom ik op een gravelpad uit, die op en neer door olijfboomgaarden slingert. Veel rotsen in verschillende kleuren en vormen. Het lijken versteende mythische figuren, dit schijnt het pad van Odysseus te zijn geweest. Dan hoor ik een oorverdovend kabaal, duizenden vogels, een zee van vogels. Ik moet erdoorheen. Ik zie hier geen mensen, geen auto's, later ontdek ik waarom: er wordt hier een grote weg gebouwd, met moeite wurm ik me om de werkzaamheden heen. De magie van dat gravelpad zal straks voor eeuwig verdwenen zijn, de geest van Odysseus en die mythische figuren definitief naar de verbeelding verwezen.
Ik blijf dicht bij de kust, de temperatuur is aangenaam en de mensen vriendelijk. Aan het einde van de dag vraag ik in het dorp Koutso of ik ergens kan kamperen. "Er zijn hier te veel honden," klinkt het. Voor ik het weer worden er mensen gebeld en wordt me het voormalige kinderdagverblijf, waar een kacheltje en een stretcher staan, als tijdelijke verblijfplaats aangeboden. Ik krijg een zak eten mee. Dan zie ik dat Spyros, de enige die Engels spreekt een dochtertje heeft. "Ik heb een brief voor jou," zeg ik
Het hele dag door het binnenland en aan het einde van de dag bereik ik weer de kust, waar ik voor het eerst in mijn hangmat aan het strand slaap.
Vandaag bezorg ik te voet. Via het centrum van Thessaloniki wandel ik langs de kust naar Kalamariá. Even geen razende auto's en helemaal tot rust komen met de blik op de eindeloze zee.
Ik had niet verwacht dat ik zo dicht bij de kust de winter nog eens zou treffen. Bij de watervallen van Edessa sta ik even stil om het indrukwekkende winterlandschap te aanschouwen. Een echtpaar biedt me aan om bij hen te overnachten zodat ik niet door de sneeuw hoef, maar ik zeg: "ik kom er wel". Met elke kilometer richting de kust wordt het een beetje warmer en het laagje sneeuw dunner.
Over de grens naar Griekenland, weer een nieuwe mijlpaal. Ik ga een hoge pas over richting Florina (1500m) en ga bibberend van de kou naar beneden. Griekenland verwelkomt mij met honden, veel honden. In het dorp Peraía begint het al te schemeren wanneer ik vraag of ik ergens mag kamperen. "Het gaat sneeuwen vannacht," klinkt het en ik word naar een eenvoudig hutje verwezen, daar zit ik in elk geval droog. Wie zou hier normaal gesproken slapen?
"Faleminderit, faleminderit!", roep ik herhaaldelijk in de richting van Qaní en Esma om mijn dank te uiten, terwijl ik de berg op fiets, richting Oosten. Nog steeds windkracht 4, recht in het gezicht, soms word ik beschermd door de berg, op andere momenten moet ik zowel de zwaartekracht als de wind trotseren. Ik haal Griekenland nét niet en stop in een hotel op de grens, achter het bordje "douane". 's Nachts word ik soms wakker van het omroepsysteem, dat onverstaanbare instructies geeft.
Na gedag te zeggen tegen Eduart en huisgenoten word ik vandaag getrakteerd op nóg meer Albanese gastvrijheid én spectaculaire uitzicht. Er loopt alleen maar een snelweg door de vallei tussen Tirana en Elbasan en dus moeten fietser over een hoge pas. Dat lijkt een straf, maar de uitzichten en het gezelschap maken veel goed. Ik word ingehaald door een groepje wielrenners, ze motiveren me met aanmoedigingen en het snelheidsverschil is niet zo groot. Dus veel complimenten van deze collega fietsers. "Strong man," klinkt het. Een tiental minuten later stuit ik op de achterhoede, Claude (als ik het goed heb gehoord) en zijn vriend wiens naam ik ben vergeten, maar die mijn woonplaats Valkenburg kent! "Ik was daar voor een amateurrace, we gingen de Cauberg op met 40 kilometer per uur! Andere tijden...". Ze nodigen me uit voor een kopje koffie, veel glimlachen én advies van allerhande aard. Besneeuwde toppen op de achtergrond, bezwete wielershirtjes worden aan het haardvuur gedroogd voor de afdaling. Zij gaan terug naar Tirana, mijn tocht gaat richting Elbasan. Na de afdaling volgt een relatief vlak stuk, dan volg ik de rivier Devoll in de richting van Griekenland. Langs de rivier klinkt vlak, maar is het niet. De weg gaat op en neer en de wind blaast met windkracht 4 recht in mijn gezicht. Gisteren in Tirana was het nog 18 graden, hier dichtbij het vriespunt. Ik vraag een mijnheer of ik tussen zijn olijfbomen mag kamperen. Hij schudt gedecideerd het hoofd. Bijna wil ik verder fietsen, wanneer hij naar zijn huis wijst. Hij blijkt Qanì te heten en zijn vrouw Esma. We verstaan elkaar niet, of soms toch een beetje. De kinderen zijn al uitgewaaierd, ik ben voor een avond en een ochtend hun zoon.
Over secundaire wegen door de vallei: telkens vergezeld door bergen en dieren, veel dieren: geiten, schapen, koeien, kippen, honden en katten. Dan door rauwe buitenwijken van Tirana naar het centrum, waar ik opgevangen word door Eduart via Couchsurfing. De garage is overstroomd, dus we tillen de fiets naar het balkon met prachtig uitzicht over de stad.
Ik moet flink wat heuvels overwinnen om eindelijk de kust te bereiken, met haar prachtige uitzichten en milde klimaat. Na al die winter, voelt het als zomer. Ik wordt opgevangen door Felicitas, die in haar dorp Trsteno een gemeenschap wil opbouwen, waar iedere ontheemde zich thuis kan voelen. "Je kunt je dorp ontvluchten, maar je neemt het overal met je mee". En zo neemt zij ook haar jeugdjaren in Duitsland altijd met zich mee, hoewel ze zich in Spanje nog meer thuis voelde. Toen besefte ze zich dat ze eigenlijk uit het mooiste dorp ter wereld komt. In het midden van het dorp - dat op een helling aan de kust ligt - staat een gigantische plataan. "Die verbindt ons allemaal, de wortels bereiken letterlijk elk huis".
Met elke kilometer die ik afdaal richting Mostar, wordt het laagje sneeuw dunner en wanneer ik zo'n 20 kilometer van Jablanica ben verwijderd, is er geen spoor meer van de winter. Het zonnetje schijnt zoals altijd rondom Mostar en ik kan weer van de hoofdweg af. In deze regio zijn nog veel herinneringen aan de oorlog ongeplamuurd.
Ik stijg langzaam langs de rivier Vrbas, die vele tinten blauw heeft. Dan over een pas richting Prozor en dan weer omlaag richting Jablanica, Herzegovina in, waar alles steeds Kroatischer wordt, wat vooral te zien is aan de katholieke begraafplaatsen en het bier dat te koop is.
Waar je normaal gesproken alles doet om de hoofdwegen te vermijden, doe ik nu het tegenovergestelde: het zijn de enige wegen die met deze temperaturen (-12 vanochtend) en alle sneeuw die er ligt, nog begaanbaar zijn. Auto's zijn over het algemeen vriendelijk en voorzichtig, een enkele vrachtwagenchauffeur vormt een uitzondering. In de historische stad Jajce heb ik een overnachting geboekt, blijkbaar op het hoogste punt van het stadje, enkel bereikbaar met trappen of een zeer stijle weg die met een dikke laag sneeuw bedekt is. Ik kan het huis enkel te voet bereiken en moet uitwijken naar een ander adres, want in mijn gedachten zie ik mezelf de volgende ochtend al van die trap afglijden in de vrieskou. Hoewel Bosnië bekend staat om haar gastvrijheid en vriendelijke mensen, speelt het leven zich nu vooral binnen af en als passerende fietser ben ik maar een vreemde eend in de bijt.
Bosnië is een land waarin verschillende werelden naast elkaar bestaan. In het ene dorp vind je de Servische driekleur en is het orthodoxe kerstfeest net achter de rug. In het andere dorp galmt de oproep tot gebed over de velden. Over de geschiedenis en de huidige wereldorde verschillen de meningen...
Door de vrieskou toch snel fietsen over wegen die sneeuwvrij zijn gemaakt. Maar op 20 km van Bosnië komt daaraan een eind en is het voorzichtig en langzaam over sneeuw en ijs zien te komen. Aan de andere kant van de grens wordt nog het orthodoxe kerstfeest gevierd.
Volgens de weersvoorspelling gaat het een beetje sneeuwen, maar in werkelijkheid zie ik het laagje sneeuw steeds dikker worden. Aan het einde van de dag hangen er ijspegels aan mijn wimpers en wenkbrauwen.
Het blauw van de rivier Sava is onmogelijk te fotograferen, dat moet je zelf zien. Vandaag vergezel ik haar stroomafwaarts, richting Zagreb. Het sneeuwt.
Van de "warme" kust naar het frisse binnenland, nog eens door Trieste. Het fietsen is ontspannener aan de andere kant van de grens, waar iets meer rekening wordt gehouden met de fietser.
De dag begint fris, maar de zon komt door. Een ongecompliceerd begin van 2026.
In de richting van Venetië op oudjaarsdag, onder schapenwolkjes en soms een zonnetje. In de verte zijn daar weer de alpen. Alle rivieren die ik eerder overstak, komen hier samen: Po, Brenta, Reno, Adige. Het is hier zo vlak dat het soms wel Nederland lijkt.
Ik mocht kamperen op het terrein van een mijnheer. Als ik hem in de ochtend bedank, zegt hij: "nee, jij bedankt". Zijn hondje kwispelt vrolijk aan mijn voeten. Dan ziet de hond iets, sprint de weg op, wordt bijna door een auto aangereden en verdwijnt dan uit mijn zichtveld. Ik zwaai een laatste keer naar de mijnheer en vertrek. Ik ben moe, ik heb weinig geslapen vanwege erge pijn aan mijn voet en ik heb besloten om naar de dokter te gaan. Mijn fiets moet trouwens ook naar de dokter. Dan zie ik het bruin-wit gevlekte hondje weer langs huppelen. Hij heeft iets vast, iets wat bijna groter is dan hemzelf. Een witte haan met een grote rode kuif, die nog stuiptrekt. Het lieve kwispelende hondje blijkt een moordenaar. Schuldbewust kijkt het hondje me aan en sluipt dan, prooi in de bek, een hek onderdoor. Ik maakte me zoëven nog ernstig zorgen om mijn reis, mijn lijf. "In elk geval ben ik die haan niet," denk ik. In Taglio del Po en Porto Viro wordt ik van het kastje naar de muur gestuurd en uiteindelijk naar het ziekenhuis verwezen. Ik moet het rustiger aan doen, zachtere schoenen nemen en krijg een injectie tegen de pijn zonder al te veel overleg: broek omlaag, spuit in de kont en door!
Net als Andreina, dicteert mijn lichaam nu het tempo. Dat moet omlaag.
En dan is ineens alles vlak...
Ik sliep in de kerk in afwachting van een brief van Andreina, maar een meisje vertelt me dat Andreina zelf niet kan komen, dat het haar spijt, dat ze ook geen brief kan schrijven, omdat ze naar het ziekenhuis moest. Dat begrijp ik. "Gezondheid gaat voor," zeg ik en ik stap op de fiets, zonder brief. Ik trotseer de Apennijnen nóg eens. Bovenop de pas, schreeuwt een man: "copre le mani" ("bedek je handen!"). Bergafwaarts ga ik over een prachtig, maar erg moeilijk onverhard pad, net zo langzaam de berg af. Het is al donker als ik in het gehucht Gualdo om hulp vraag aan twee dames. Ze wijzen me een parkeerplaats naast de rivier waar ik kan kamperen, de eigenaar wordt ter plekke gebeld. Dan gaat de oudere mevrouw haar huis in en komt weer buiten met: een bontje voor in de tent, een fles wijn en een fles water
Na afscheid te hebben genomen van Stefano, Daniela en Mirtillo, die mij voor een nacht hebben ondergebracht en verwend met allerhande lekkernijen, fiets ik naar een kerk, waarin aan een groots Mozaïek wordt gewerkt. Daar moet ik een brief bezorgen.
Je struikelt in deze regio over prachtige gebouwen, dorpen en steden. Terwijl ik Toscane weer in fiets, vergezeld door de zon ben ik ook weer omringt door die typische Toscaanse schoonheid: heuvels en olijfbomen.
Door de regen van Toscane naar Umbria. Terwijl ik de bergpas over fiets, zie ik het water moeiteloos naar beneden rollen. Dat is het bijzondere van mens zijn: deel van de natuur, maar soms kun je ook besluiten om de zwaartekracht te trotseren. Het is kerst en ik bezorg een brief. "Je bent een elf!", zegt Chiara en voor ik het weet, speel ik een potje Monopoly.
Het is een warme dag (voor winterse begrippen). Wanneer de zon volledig doorkomt, fiets ik met blote armen langs de Apennijnen richting Firenze. Daar vergaap ik me aan alle overdaad, die de stad te bieden heeft. De echte schoonheid vind ik in de kleine verlaten steegjes, waar ik een man zie sjouwen met een brandslang en een glimp opvang van een oude man in zijn atelier, die aan fraaie ornamenten op een houten lijst beitelt.
Ik ga de Apennijnen in, maar bovenop de berg wacht mij geen groots uitzicht. Er is nevel en aan de andere kant wacht Toscane met regen.
Ik fiets meer en meer over gewone wegen door het vlakke land, stukken van mijn route brengen me over gravelpaden over dijken. Het lijkt hier wel Nederland. Ik fiets door de stad Modena, nog steeds richting zuiden, richting mijn volgende brief.
De Adigevallei kronkelt zijn weg naar beneden. Ik ga bergafwaarts, maar soms toch ook steile klimmetjes, ergens omheen, de kronkel van de rivier volgen, dan beland ik in een spookachtige setting, een oude spoorweg door een dorp, enkele tientallen meter hoger, een hond blaft hees, een brug strekt zich boven mij uit. Dan: een verlaten tunnel, een rest van een kampvuurtje en twee lege flessen Jägermeister, voorzichtig loop ik de tunnel in. Een vleermuis scheert langs, in de verte hoor ik een druppel vallen, in het niets. Ik kijk in de donkerte en zie niets. Ik doe mijn zaklamp aan en loop een stukje de tunnel in. Niets. Ik probeer een zwart gat in te schijnen, maar het licht wordt opgeslokt. Ineens maakt een grote angst zich van mij meester. Ik heb het gevoel dat de duisternis mij gaat opslokken. Hoe groot de omweg ook is, hoezeer mijn navigatie mij ook door deze tunnel wil laten gaan: mij niet gezien.
Tussen de wijngaarden en boomgaarden van de Adigevallei zak ik verder af naar Trento waar ik logeer bij Valeria, die ik ooit in Guatemala ontmoette
Door de vallei, langs de strada del vino, het is koud, maar de zon warmt me op, wanneer ik aan de juiste kant van de vallei ben.
Een korte dag, even rust na het oversteken van de Alpen. In Bolzano zijn de bergen overal, maar de sfeer is compleet anders dan in Innsbruck. Hier ontmoeten Noord en Zuid elkaar en in de verte gloort een uitweg: richting vlakke land door de vallei van de Adige.
Gisteren over de Scharnitzpass ging het niet zo soepel. Vandaag, traag maar gestaag, eerst door Innsbruck, dan over de oude Romeinse weg richting de Brennerpas. Op de autosnelweg zie ik de vrachtwagens in de file staan. Speelgoed. Ik ben omringd door besneeuwde toppen. De laatste kilometers over de pas rijd ik tussen de auto's over de weg en dan ben ik in het Italiaanse Zuid-Tirol.
Ik fiets al snel de alpen in. Het lijkt alsof ik tegen een muur op ga fietsen, maar dan draai je een hoekje om en zit je middenin de rotsen. Al snel is er overal sneeuw en moet ik glibberend en glijdend door een smalle, magische vallei. Fietspaden zijn nu langlaufpistes. Ik besluit mijn reis op de geasfalteerde wegen voort te zetten. Dan hoor ik plotseling iets groots dat in mijn nek hijgt. En dan getoeter. De voorbijrazende bus raakt me nét niet. Even later stopt de bus en ik spreek de buschauffeur aan: "Er zijn niet voor niets fietspaden!", schreeuwt de man, die blijkbaar niet zo van fietsers houdt. "Dat is nog geen reden om met mijn leven te spelen! Heeft u eigenlijk wel een rijbewijs?", schreeuw ik terug. De Oostenrijkse wegen zijn al niet veel fietsvriendelijker in de winter. De winter is niet voor fietsers hier, maar ik heb geen ski's bij me. Op de grote weg staat ineens, na een lange afdaling, een groot roodomrand bord met een fiets erop. Het alternatief is een stijl bospad, waar ik uren zoet mee ben.
Brieven ophalen en bezorgen in München en dan weer terug naar mijn gastvrouw en heer Annette en Erich aan de Wörthsee. Ik zie München van binnenuit: niet het centrum van de stad, niet de trekpleisters, maar woonkamers en keukens, waar kinderen groot worden. Overal krijg ik een cadeau mee, misschien wekt een eenzame fietser medelijden bij ze op. Hilma geeft me edelstenen en sterren, Odiseas geeft me een chocoladen kerstman en van Leo, die van houtbewerken houdt, krijg ik een kleine pakketje met een grote strik erom mee: "pas openen met kerst!", zegt hij ernstig.
Vanuit Steinebach is het nog een klein stukje naar München, waar ik twee brieven bezorg en ansichtkaarten naar huis stuur (met de "gewone" post)
Ik fiets opnieuw Beieren binnen en de Alpen komen steeds dichterbij. Deze mythische reusachtige rotsen begeleiden me de hele weg. Ik wacht tot Katrin thuiskomt in Herrsching am Ammersee terwijl ik geniet van een magische zonsondergang.
Met een omweg via Ulm, een klein stukje door Beieren, dan weer in het Schwäbische, waar op mijn logeeradres Kasespätzle op me wacht. En daar in de verte lonken de alpen al.
Door de Donauvallei, richting Ulm. Een dag met weinig auto's en weinig mensen, maar wel een lekke band.
Met elke meter die ik klim wordt het kouder. Op een gegeven moment ontwaar ik witte vlekjes in het groen. Het zwarte woud wordt steeds witter. In een veld zie ik een rode vos door de sneeuw sluipen. Zoals altijd is het Zwarte Woud mysterieus en hult het zich in nevelen. Op het hoogste punt van de dag, ploeter ik me door zo'n 30 cm sneeuw.
De Rijnvallei brengt me verder zuidwaarts en de bergen van het Zwarte Woud komen in zicht.
Over het vlakke land, langs de Rijn Frankrijk in. Maar in de Elzas blijven de plaatsnamen Duits klinken. Ik ga hier op bezoek bij mijn goede vrienden Roberto en Helene, om even op adem te komen.
Vanuit de bergen van het Odenwald, door het Neckardal, via het historische centrum van Heidelberg naar de rijnvallei, dicht bij de grens met Frankrijk.
Vanuit de hectiek van de grote steden aan de rivieren slinger ik de bergen van het Odenwald in.
Van brief naar brief
Met een brief van opa en oma naar Yanosh en weer terug.
Door sneeuw ploegend vervolg ik mijn weg richting Frankfurt, waar ik eindelijk mijn volgende brief zal bezorgen.
Als ik 's ochtends vroeg door de binnenstad van Bamberg richting Karlstad fiets, geeft de thermometer -12 aan. Maar de zon schijnt, en het ijs kraakt onder me.
In Hof verblijf ik bij Helen, die Swahili spreekt en bevriend is met mensen van over de hele wereld. Bij de buren vind ik een stukje India in Beieren. Dan gaat de reis verder naar Bamberg, Unesco werelderfgoed, een kruising tussen Venetië en Straatsburg.
Na een korte stop in het centrum van Karlovy Vary, waar ik het heilzame water dronk. Niet lekker, wel gezond. En Petr gaf me een tip: niet te veel drinken, anders krijg je diarree. In de bergen op de grens tussen Tsjechië en Duitsland, ligt sneeuw. Ik ben in Beieren!
Op en neer door de Tsjechische bergen bereik ik Petr's huis in kuuroord Karlovy Vary. Hij spreekt weinig Engels, dus we communiceren met handen en voeten en technologische hulpmiddelen.
Op de Pools-Tsjechische grens verblijf ik bij Iga, die voor vertrek een photoshoot met me doet. In de bergen zie ik de eerste sneeuw. Aan het meer Milada wacht me een minder gastvrij onthaal. Op een openbare kampeerplaats staat al een ander tentje. In de tent hoor ik een vrouw huilen en een man verheft zijn stem. "Hallo?", zeg ik, geen gehoor. Ze zijn nu stil, alsof ik vanzelf wel zal verdwijnen. Als ze horen dat ik mijn spullen uitpak, beginnen ze te roepen. Naar mij? Naar elkaar? Ik versta ze niet. Dan gaat plotseling de tent open en een herdershond springt op me af. Hij wordt door zijn baas, die in de opening van de tent zit terug geroepen. Hij schreeuwt naar me, ik versta hem niet. Hier ben ik niet welkom. Ik pak mijn spullen en verdwijn.
Ik word voor het eerst onderweg vergezeld door Cyril en Pawel. Zij fietsten ooit samen naar Napoli en het begint weer te kriebelen. Ik krijg op alle mogelijke vlakken advies, routes, veiligheid, inkopen bij de supermarkt. In Polen is een gast een god.
Langs het slot van Zatonie, door achteraf paadjes samen met paarden, dan weer langs de grote weg met auto's die rakelings langs scheren. In Szprotawa wachten Pawel, Martina en Cyril op me met zelf gebrouwen wijn en spelletjes.
Langs de spoorweg. Mocht ik wel over die brug en over die oversteekplaats? De goederentreinen kondigen hun komst in elk geval aan. In de bossen zijn de paden soms van zand, ze zuigen mijn wielen op, waardoor ik soms nauwelijks vooruit kom. De Poolse paden lijken me iets te willen zeggen: "niet zo snel, blijf nog even, waarom heb je zo'n haast?"
Eenmaal de stad uit fiets ik door eindeloze bossen richting Polen. Op de grensbrug over de Oder staan auto's in de file te wachten op grenscontroles. Ik mag doorfietsen.
Brieven brengen naar Klaus Peter in West-Berlijn, dan onder de Brandenburger Tor door naar Marja in Oost-Berlijn
Gestaag naar Berlijn zonder bijzonderheden. De hoogtepunten van de dag waren: 1) een man die vol trots met zijn armen zijn zij stond te kijken hoe zijn boomversnipperaar een kerstboompje wegwerkte 2) wilde zwijnen in een woonwijk in Berlin Spandau . Van beiden nam ik geen foto, omdat ik zo druk was met zelf kijken.
Door mist, langs de Elbe, langs wachttorens die ooit de grens tussen oost en west bewaakten, bereik ik het pittoreske Havelberg, waar Elbe en Havel elkaar kruisen. Ik heb hier toestemming gekregen om in Vera's tuin te kamperen, maar zij is zelfs niet thuis.
Om Hamburg heen, over de kasseien van pittoresk Lauenburg naar de voormalige grens tussen oost en west aan de rivier de Elbe. In de avondschemer bel ik aan bij boerderij, een mijnheer, zeer op leeftijd maakt open, stomazak in de hand. Of ik hier mag kamperen, maar dat heeft hij liever niet. Bij Ulrike had ik meer geluk..het is koud, wil je niet liever op de bank? Haar huis hangt vol met Afrika. We zitten nog lang te kletsen, over de wereld en verbinding en over hoe het hier ooit gescheiden was. In dit dorp mocht je helemaal niet komen, behalve als je er een huis had. "Ben je eigenlijk zelf een Oost-Duitse?", vraag ik. "Nee, en ik denk dat ik daar op aangekeken wordt, maar zeker weten doe ik het niet". Uit die scheiding tussen oost en west was nog wel iets moois voortgekomen, zei ze: de groene corridor, prachtige natuur die ontstond in de afwezigheid van mensen in de grensstrook.
Van de metropool Hamburg naar ingeslapen Schleswig-Holstein. Op mijn gemak bezorg ik twee brieven.
Van autoluw en groen tot hectisch en schreeuwerig. Ik fiets de metropool Hamburg in om brieven te bezorgen, rijd urenlang door die urban jungle.
Weg van de bewoonde wereld, geen kans om proviand aan te vullen. Ik vraag een man die druk aan het bladblazen is om water. "Waar gaat de reis naartoe?" Zijn vrouw legt direct de hoorn neer om ook mijn verhaal te horen. Anderhalve kilo zwaarder trek ik weer verder richting einde van de wereld. Wanneer ik omkijk, staan ze me nog uit te zwaaien.
Rust na het Ruhrgebiet. De heuvels in richting het Teutoburgerwoud, dat momenteel prachtig rood en geel kleurt.
Tom is een Franstalige Zwitser die als leraar Frans werkt in Tashkent. Hij vangt ook reizigers op, en zo leer ik hem kennen. Ik moet direct denken aan de brief uit Kazachstan, die ik nog bij me draag "aan een collega in een ander land".
Dinara heeft zachtaardige woorden geschreven aan haar collega en die breng ik graag over aan Tom, die bij momenten wat gedesillusioneerd is over de beperkingen van het schoolsysteem waarin hij moet opereren.
Ik heb de indruk dat hij een vrije ziel is: "ik doe graag wat ik wil, wanneer ik dat wil." Een keurslijf is dan moeilijk te accepteren.
"Maar," zeg ik tegen hem, "de invloed die een leraar op een leerling kan hebben, zit hem soms in een klein moment. Één eye-opener die soms een levensloop kan veranderen." Ik gun hem dat hij ziet dat alles wat een leraar een student kan aanreiken om een empatisch en nieuwsgierig mens te worden of blijven, waardevol is. Dat zijn werk ertoe doet.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Een halfjaar later kom ik dan eindelijk in Tashkent aan, om Anton een brief te bezorgen van Vanessa. Ze raakten bevriend in de gevangenis, waar ze samen ik de schoonmaak werkten. Nu wonen ze ver van elkaar, maar ze houden nog steeds zo nu en dan contact.
Ze kennen allebei de kracht van brieven, dat leer je wel in de gevangenis.
Anton en zijn partner Anastasia wonen in een klein appartement in een woonwijk van Tashkent, vlak aan de metro en dichtbij hun ouders. "Dat is belangrijk, want de gezondheidszorg is hier niet zoals in België"
Anton en ik spreken Nederlands met elkaar. Zijn moedertaal is Russisch, en hoewel hij een Oezbeek is, spreekt hij geen Oezbeeks. Hij is, net als ongeveer 10% van de bevolking een etnische Rus. "Bijna iedereen spreekt hier Russisch, maar de laatste jaren zijn informatieborden steeds vaker allen nog maar Oezbeeks en Engels"
Anton is een zeer goede gastheer, die me onderdak aanbiedt en eten. Hij neemt me mee op een toer door de stad op de fiets. Dat ik absoluut geen openbaar vervoer wil nemen, snapt hij volgens mij niet zo goed, maar hij vindt het leuk om zelf weer eens op de fiets te stappen.
Een brief verder naar het oosten heeft hij niet. "Ik ken daar niemand, hoogstens hier in Tashkent. Ik ga nergens anders naartoe, alleen soms naar de bergen. Zelfs niet naar Kazachstan, ook al is het erg dichtbij. Waarom zou ik? Hier is alles wat ik nodig heb". Hij denkt even na: "ik zou wel graag een brief naar België willen sturen, naar een vriend in de gevangenis, die komt er voorlopig niet uit. Zou je die voor me willen meenemen, wanneer je uiteindelijk weer teruggaat?"
Over zijn tijd in de gevangenis wil hij niet veel kwijt. "Dat ligt achter me. Het enige wat ik je kan vertellen is dat op het moment dat je die gevangenis binnenstapt, je geen mens meer bent. Je hebt geen rechten meer. Het systeem is niet eerlijk en niemand die er wat van zegt of er iets aan doet. Je kunt je niet voorstellen wat voor dingen daar gebeuren. Cipiers mogen de cel 's avonds niet openmaken, ook niet als iemand dood aan het gaan is. Zo werd een Oekraïense vriend van mij 's ochtends dood aangetroffen. Het enige wat hij nodig had was een simpel medicijn. Maarja, bezuinigingen."
Van België bezoeken is voorlopig geen sprake. Nu is Anton bezig om zich hier te vestigen. Samen met zijn vrouw heeft hij een groter appartement gekocht. Het moet nog helemaal worden opgeknapt. Over drie maanden hopen we erin te kunnen gaan.
Anton is een goed en zachtaardig mens en ik ben dankbaar dat ik hem heb ontmoet.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik ben in Kyzylorda en word in deze stad opgevangen door Nurbol: hij heeft me een soort van geadopteerd. Hij is 45 en werkt voor een oliemaatschappij. Zijn familie heeft een horeca-imperium, waaronder dit restaurant, een karaokebar, een discotheek en een hotel: mijn verblijfplaats voor 3 dagen. Even genieten van de luxes die een stad te bieden heeft. Even geen noedelsoep en gedroogde vruchten als diner. En elke avond karaoke! We hebben samen “Space Oddity” van David Bowie leren zingen: nog best een ingewikkeld lied! Nurbol zei vaenigszins melancholisch dat hij het zou blijven zingen en dan aan mij zou denken.
Ik besluit Nura een brief te geven van Murat uit Cide in Turkije, hij wilde graag iemand uit Kazachstan leren kennen. En: Nurbol studeerde op een Turkse school en spreekt dus vloeiend Turks. Nurbol schrijft Murat direct op WhatsApp en ze sturen elkaar video's. "Dat gaat toch wat sneller."
Ik word uitgenodigd op de verjaardag van zijn zoon Nura, hij wordt 16. Als verjaardagscadeau geef ik hem een geldbriefje, maar ook een brief. Ik wens de jonge Nura succes op zijn levenspad en gaf hem nog wat wijze lessen mee, zoals dat je je dromen zoveel mogelijk moet verwezenlijken en dat je eens in je leven een lange fietstocht moet maken om te leren om simpel te leven. Nura is een goede jongen, dat zie je meteen. Nadat hij mijn cadeau ontvangt, gaat hij direct in een hoekje zitten om deze te vertalen en komt dan geëmotioneerd terug. Hij zei dat hij bij het lezen voelde, dat ik vanuit het hart schreef en dat hij daarvoor dankbaar is. Hij zei dat hij de brief voor altijd zal bewaren en legde zijn hand op het hart. Ik wil niet dramatisch doen, maar dit raakte mij dan weer in het hart. Dit is geen onverschillige tiener, maar een goed mens in wording, die in de gaten heeft dat de woorden die ik hem gaf een groter geschenk waren dan het geld. Het geeft me hoop voor de toekomst, dat de jongeren van nu affectie in een brief kunnen herkennen en de waarde ervan inzien.
Het doet me denken aan de jongeren die ik ontmoette in het dorpje Oranzherei, in Rusland. Ook in dat dorp werd ik geadopteerd als eregast. De schoolklas spijbelde om me een rondleiding door hun dorpje te geven. Ze gaven me een brief mee met een tekening vol hartjes en een Matroesjka-pop.
Nu ik Nura zo zie glunderen met zijn verjaardagsbrief. Denk ik aan die andere jongeren, aan de andere kant van de grens en ik hoop met heel mijn hart dat die niet naar de oorlog hoeven.
Nurbol vertelde me dat hij als kind in de Sovjettijd nooit eigen kleren had, maar altijd de afdankertjes van zijn broer moest gebruiken. Hij liep rond in veel te grote schoenen, of soms dan maar liever zonder. Als ze brood hadden, hadden ze geluk. Op een gegeven moment kregen ze een koe, en dat betekende brood met boter, een grote luxe! Nu heeft de familie een horeca-imperium en krijgt Nura een iPhone als verjaardagscadeau. Kazachstan is booming als olieland. Voor Nura ligt de weg open om zijn dromen te verwezenlijken.
Maar, bedenk ik me nu, hoe zit dat met die andere jongeren, inmiddels alweer zo’n 2000 km hier vandaan? Toch geeft de jonge Nura mij hoop en kracht om mijn reis voort te zetten. Om dit toneelstuk tot het einde, of zover ik kom, uit te fietsen. Misschien was de pure dankbaarheid van Nura een grotere les voor mij, dan de les ik hem heb kunnen geven.
Nurbol geeft me een brief mee voor Feihu, die hij ook ontmoette als Couchsurfer en nu een vriend is.
Terwijl ik Kyzylorda uitfiets, zie ik ineens een bekend gezicht, het is Nurbol! Hij draait het raampje van zijn auto open en ik hoor "Ground Control to Major Tom. Commencing countdown, engines on". Het is als in een droom. "The anthem of our friendship", roept Nurbol met een glimlach van oor tot oor. Dan komt er een toeterende auto voorbij, die ons dramatisch afscheidsmoment als obstakel beschouwt. Onze wegen scheiden en ik ga op weg naar Feihu, waar ik misschien nog meer vriendschap vind.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Svetlana leidt me rond in de oudste Boeddhistische tempel van Kalmukkië. Het is een bescheiden tempel.
VVanaf het moment dat haar rondleiding begint gaat ze "aan", ze begint met praten en houdt niet meer op. Aangezien ik nauwelijks Russisch versta, pik ik maar een paar dingen op. Ik besluit het los te laten.
Pas op de momenten dat ze mij iets vraagt, sta ik een beetje met mijn mond vol tanden. Ik vertel haar dat het Boeddhisme me interesseert en ze leert me hoe te bidden.
Ze geeft me een aantal geschenken mee, die ik niet wil seigeren: een zaad van de lotusbloem, een sleutelhanger, twee zakjes Kalmukse thee en een kaarsenhouder in de vorm van een lotus. Tot slot krijg ik ook nog twee appels en wat snoepjes mee, die aan de Boeddha gegeven waren. "Van de Boeddha voor jou," gebaart Svetlana.
Die kaarsenhouder is wel erg groot en breekbaar om op de fiets mee te nemen. Dan bedenk ik dat het een soort brief is, een boodschap van vrede en schoonheid en ik besluit haar aan iemand te bezorgen.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Kseniya besloot spontaan om me onderdak aan te bieden toen ze me aan een kopje thee aantrof in de winkel. Ik zag direct: zij is een goed mens, zij zal me helpen, en ik voelde me kalm.
Kseniya is een leraar op de lokale school. Een mooi beroep, beaamt ze, maar het zou ook fijn zijn als er een eerlijk salaris tegenover stond. Het salaris van een leraar geeft niet veel ruimte voor uitstapjes. "Toch ben ik blij voor jou, dat je deze reis mag maken. Het is mijn droom om eens een reis naar het Baikalmeer te maken."
Ze vertelt dat ze nog niet veel van Rusland heeft gezien, "Maar ondanks het feit dat we hier in the middle of nowhere wonen, houd ik van mijn land met heel mijn hart".
De enige keer dat ze Moskou en Sint Petersburg bezocht was dat om met haar dochter Sonya naar het ziekenhuis te gaan. Ze had kanker. Wonder boven wonder is ze genezen en daarvoor is ze erg dankbaar: "het heeft mijn leven veranderd. Ik ben dichter bij God gekomen. Ik ben nu dankbaar voor elk moment dat we samen hebben. En daarom, toen ik jou zag, wist ik gelijk: ik wil hem helpen"
Ik vertel Kseniya dat ik haar dankbaar ben voor haar werk, dat ze de volwassenen van de toekomst menselijkheid en empathie meegeeft. En ik ben haar ook dankbaar voor de hulp die ze mij biedt en ik vraag me af waar ik zoveel vriendelijkheid aan heb verdiend.
Sonya is tijdens mijn twee dagen in het dorp een gids, die vertaalt en me zachtjes aan mijn arm trekt om me de goede kant op te sturen. Ze is sterk én zachtaardig zoals haar moeder. Als er iemand een lang en gezond leven verdient, is zijn het.
Omdat ik geen brieven gericht aan Rusland bij me droeg, besluit ik zelf een brief te schrijven, met daarbij de Lotus kaarsenhouder uit Kalmukkië. Zo worden deze voorbeelden van empathie, menselijkheid en gastvrijheid onderdeel van deze wereldwijde keten van verbinding.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Een norse man zit aan een bureau bij de ingang. Poortjes verhinderen de vrije doorgang. Ik toon de man mijn telefoon, met de vertaling van de reden dat ik hier ben. Hij kijkt vragend naar de vrouwen achter hem. Leerkrachten! Ze beginnen zich nu rondom de bewaker te verzamelen. "Vanuit Nederland gefietst? Een brief voor ons, er staat geen naam op. De naam van de school klopt niet. Wat doe je in Kazachstan? Gefietst? Vanuit Nederland en een keten van brieven vanuit België. Is het nu België of Nederland? Met de fiets? Hoe lang doe je daarover? Vijf maanden? Vijf maanden! Hij heeft er vijf maanden over gefietst. Maar hoezo een brief aan ons. Onze namen staan er helemaal niet op. En hun namen ook niet. Oh jawel, hier staat een naam en een Instagram. Even checken. Oh ja, dat klopt, die komt uit Georgië. En wat moeten wij dan nu doen? Ja, het is vakantie nu, er zijn geen leerlingen, dus dat gaat niet. Nee sorry, het is vakantie. Wat was jouw naam? Waar kom je vandaan? De naam van de school klopt niet. Er staat Middle School, het moet high school zijn"
Uiteindelijk spreek ik met Engels docent Dinara en vraag haar of iemand een brief kan schrijven om de keten voort te zetten. We hebben digitaal contact en ze is erg enthousiast over het idee en besluit een brief te schrijven aan een collega die ze nog niet kent...
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik doe er veel langer over dan ik denk naar de school door de sneeuw. Onderweg valt mijn mond open van de schoonheid die ik om me heen zie. "Misschien," denk ik, "is dit wel de mooiste plek waar ik ooit geweest ben."
Ik loop dwars door de sneeuw het schoolplein over, de majestueuze pieken van het Kaukasusgebergte omringen me. Hoe zou het zijn om hier naar school te gaan.
De jongeren blijven er koeltjes bij. Ze gedragen zich zoals alle jongeren op alle scholen en staan niet zoals ik uit het raam te gapen. Je went waarschijnlijk overal aan.
Ik vraag naar de Engels docent en al snel heb ik haar te pakken. Ik leg haar uit wat de bedoeling is en ze wil daar wel aan meedenken. "Misschien kun je een brief meegeven voor een volgende bestemming," zeg ik, "ik fiets nu de grens over naar Rusland en dan-"
"Ik stuur geen brief naar Rusland," zegt ze gedecideerd. De bel gaat. "Ik moet nu werken," zegt ze, "kom anders maar mee".
En voor ik het weet sta ik mijn project uit te leggen aan een schoolklas en kan het niet laten om af en toe naar biren te staren, naar die prachtige bergen. Ik zeg: "hoe is het eigenlijk om op zo'n mooie plek te wonen?". En jongen met gemillimeterd haar en een guitige lach zegt droogjes: "geld is geen probleem voor ons, we kunnen bijverdienen door toeristen rond te leiden".
Er ontstaat een idee om de brief samen te schrijven. Iedereen schrijft een zin. Ze besluiten de brief te richten aan een school in Atyrau, Kazachstan.
De lieve leerlingen stellen nog wat nieuwsgierige vragen: "waar slaap je als het koud is" en "wat doe je als je de taal niet begrijpt, spreek je wel een beetje Russisch?"
Dan is het tijd om aan het werk te gaan. Zij in het Engels, remidden van de bergen en dan 's middags nof wat toeristen rondleiden. Ik op de fiets, de bergen weer uit, richting die andere wereld hier vlakbij: Rusland.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
In mijn postzak had ik al sinds München een brief van Kornel, die me een nacht onderdak aanbood, ik nam hem mee als extra brief en toen Beka me geen brief meegaf, had ik meteen de oplossing: Rusadan kan misschien de keten voortzetten.
Kornel wilde haar met zijn brief bedanken voor haar hulp tijdens eens reis aan het prachtige Kazbegi en de brief is gericht aan het toerisme infocentrum. Ik tref Rusadan niet, maar haar collega Giga, die me bekend voorkwam.
Och ja, nu zie ik het, hij is de zoon van de eigenaar van het pension waar ik verblijf. Ik vraag hem ook waar ik de achool kan vinden, want daar moet ik ook een brief bezorgen. "Ik neem je morgen wel mee, mijn tante werkt daar," zegt hij. "Wat een toeval allemaal! Wat is de wereld toch klein", roep ik uit. "Nee hoor," antwoordt Giga droog, "Stepantsminda is gewoon klein."
Ik ontmoet Rusadan niet persoonlijk, maar ze zorgt dat er de volgende dag een brief ligt in het infocentrum. Via digitale weg laat ze me weten: "ik ontmoet door mijn werk heel veel mensen, van over de hele wereld, maar ik verlies ze weer uit het oog, ze laten nooit hun adres achter. Daarom geef ik je een brief mee aan een collega van me, ergens op je route."
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Bingo! Ik vraag een meisje of ze Engels spreekt en dat doet ze. "Kun je me helpen om de lerares Mako te vinden?"
Even later staat Mako in de hal van de school waar ik overal Duitse en Europese vlaggen zie. Maar zij spreekt niet veel Engels. Ze vraagt haar leerlingen om te helpen en al snel staat er een groepje vriendelijke jongeren om me heen die erg nieuwsgierig zijn naar mijn reis en allemaal zeer goed Engels spreken. Eén meisje heeft een Navo-speld op haar blouse.
"Natuurlijk willen we je helpen," zegt ze, "maar we hebben niet veel tijd, de les begint zo". Mako wordt snel ingelicht en ze besluit de keten voort te zetten met weer een brief aan een school, die ze snel, maar met aandacht schrijft, ze likt de envelop dicht en drukt haar in mijn handen. "Veel succes!", zegt ze en gaat met haar jongeren naar het aardrijkskundelokaal.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Op de envelop staat niet Beka's adres, maar zijn telefoonnummer geschreven. Ik stuur hem een bericht en we spreken een tijd af. Hij komt naar mijn pension en gelukkig spreekt hij goed Engels. Ik vertel Giga over mijn missie en mijn reis en hij is direct enthousiast. "Ik fiets zelf ook," en hij toont me een foto van zijn mountainbike. "Niet zo ver als jij," lacht hij, "waar ga je nu naartoe?". Ik vertel hem mijn voorlopige route. "De noordelijke Kaukasus!", roept hij enthousiast, "het is prachtig daar. Ik was er zelf ook, maar niet op de fiets". Wanneer ik hem vraag om een volgende brief, aarzelt hij een beetje. Ik geloof dat hij niet goed snapt wat de bedoeling hiervan precies is. "Misschien schrijf ik morgen een brief," zegt hij, "maar nu moet ik door!". Ik krijg geen brief, maar misschien kan ik deze keten nog ergens repareren?
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Stiekem was Inga al op de hoogte van mijn komst. Ze krijgt een brief van Anke, de nicht van haar schoonzoon, die ze eens kort ontmoette in Borjomi. Ze bedankt haar voor haar gastvrijheid toen en verontschuldigt zich dat ze toen niet langer kon blijven. De Georgische gastvrijheid valt mij nu ook ten deel. De tafel wordt al snel volgezet met allerhande lekkernijen. Zelfgebrouwen likeur erbij, natuurlijk. Giga, haar zoon, voert het woord in het Engels, want dat spreekt Inga helemaal niet. Ik wordt uitgenodigd om hier te logeren! Ik leg uit over mijn project, over ketens van verbinding en over een voogende brief, maar Inga twijfelt een beetje. Ik heb de indruk dat ze het nut er niet zo van inziet. Giga heeft in de gaten dat het belangrijk voor me is en gastvrij als hij is, tref ik hen 's ochtends, nog in het donker met een zaklamp aan de tafel aan. Geconcentreerd schrijft hij een brief aan zijn vriend Beka in Gori. "We hebben elkaar leren kennen via de studie. Gori is een mooie plek," zegt hij. "Bedankt dat je me ernaartoe stuurt". Met een grote rode strik in haar haar staat zijn dochter me uit te zwaaien aan het keukenraam, terwijl ik op weg naar Gori.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Op advies van Yanka, mijn Couchsurfing gastvrouw in Batumi ga ik op weg naar Borjomi langs bij Ilya uit Belarus. Hij is hier een vegetarische en alcoholvrije community gestart in de heuvels, net buiten de stad. Ik tref hem aan, terwijl hij een waterleiding aan het repareren is. Hij wist al dat ik langs zou komen. "Ik weet niet of ik je de aandacht kan geven die je verdient," zegt hij, "dit probleem moet worden opgelost". Maar even later zitten we aan de thee met pannenkoekennvan gisteren en gedroogde vruchten (ik krijg er nog mee voor onderweg). Ilya vertelt me over zijn omzwervingen door Azië en zijn werk in de techsector. Hij lijkt me helemaal niet zo'n tech type, maar hij schijnt er ook nog een tijd voor in China te hebben gewoond. Ik denk ineens aan een verbroken keten die strandde in Zagreb en hoe ik een andere keten "repareerde". Ik besluit Ilya te vragen om de keten die bij Igor in Zagreb strandde weer nieuw leven in de blazen. "Graag, maar ik moet wel weer verder met die waterleiding. Het gaat er niet om wát er in staat toch?." Snel krabbelt hij wat op een papier waar "Bank of aGeorgia" op staat. "Het moet naar China, zegt hij, nee Vietnam! Of nee, misschien toch... Ik laat het je nog wel weten!"
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
In de storm aan de Zwarte Zee ben ik mijn telefoon kwijtgeraakt en zo kom ik volledig analoog op "Gimnazia 21at century" uit om de brief van Evren, aardrijkskundeleraar aan het Grieks Lyceum in Istanbul te bezorgen. Om bij haar uit te komen is zonder vertaalapp nog wel lastig. Ik probeer het met handen en boeten en een enkel woordje Russisch, maar hoe leg je deze missie met beperkte middelen uit. In het Nederlands is het soms al knap lastig. De conciërge (denk ik) besluit een lerares te bellen die Engels kan. Zo gaat het makkelijker. Vanaf nu zal ze haar voor elk woordje dat vertaald moet worden. Na het tiende telefoontje lijkt ze het een beetje beu, maar al met al ben ik toch via de gangen van de school - langs nieuwsgierige leerlingen - door de lerarenkamer, waar Russische dames van middelbare leeftijd mij uitgebreid bespreken, zonder dat ik er een woord van versta - en dan weer via de trap terug naar beneden, naar buiten, een hoek om, een gangetje in, wachten voor een deur, allerlei mensen die zich er in het Georgisch mee bemoeien en tadaaa: daar is ze dan: Rusadan. Ze is wat overweldigd, alsof ze net de loterij heeft gewonnen. Maar na een zoveelste interventie van de Engels sprekende lerares - de conciërge is er nog steeds bij - spreken Rusadan en ik in een mengelmoesje van Engels en Russisch spreken we af: maandagochtend om negen uur. Da. Harasho. "Madloba," dankjewel is het eerste woordje Georgisch dat ik hier leer. Op maandagochtend duwt Rusadan mij een "six letters" postkaart in de hand. Die had ik haar geschonken, maar zij begreep dat ze die moest gebruiken. Prima! Ze heeft besloten binnen de krijg van aardrijkskundeleraren te blijven en stuurt een kaart naar de "Public School no. 21". Ze kent de leraar niet, maar, "Evren kende mij toch ook niet?". Het lijkt erop dat deze keten is getransformeerd tot een keten die mensen in het onderwijs met elkaar verbindt. Het is niet zoals ik het had bedacht, maar is organisch zo ontstaan en dat is eigenlijk best wel mooi.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Yalçin is een filosofieleraar die na een lange werkdag graag een borreltje drinkt met Müsjat, leraar boekhoudkunde. Ze maken graag een wandeling naar de haven van Gerze, blijven dan onderweg even stilstaan bij het oude huis van Yalçin, een historisch spookhuis dat op instorten staat en nu alleen nog bewoond door wat zwerfkatten. Ik vergezel ze op zo'n wandeling. "Het is hier zo slecht nog niet hè?", mijmeren ze op de kade, terwijl ze het glinsterende spiegelbeeld van het stadje in de Zwarte Zee bestuderen. Maar dan komen er toch nog wel wat klachten, over de politiek, te luide luidsprekers van moskeeën en de gezondheidszorg. Yalçin biedt mij twee nachten onderdak via het fietsersplatform Warmshowers. "Er komen hier meestal mensen voorbij die op een lange reis zijn, zoals jij, van Europa naar China of viceversa. Één keer heb ik een man op bezoek gehad die naar Thailand is gefietst en daar vervolgens is blijven wonen! Hij woont er geloof ik nog! Ja! Hij was een boeddhist en we hebben veel gesprekken gehad over mijn filosofie, die volgens hem veel te theoretisch is. Daar hebben we interessante gesprekken over gevoerdz het zet me nog steeds aan het denken." Ik roep spontaan: "Wil je hem geen brief sturen?". Dat wil hij wel. "In Griekenland is er een keten verbroken, misschien kunnen we hem repareren," zeg ik, "misschien kun jij de keten voortzetten namens Marina". Het is nu de ochtend voor mijn vertrek en een beetje ongeduldig zit ik in zijn keuken aan tafel te wachten. In de hoek zit één van zijn zes katten ons wat schaapachtig aan te kijken, een andere kat ligt nietsvermoedend te spinnen op een comfortabele stoel. Ik wil weg, maar maan mezelf tot kalmte. Wat is nu een half uurtje op een aantal maanden fietsen? Die attitude lijkt Yalçin van zichzelf al te hebben: rustig draait hij zijn pen in zijn hand, voelt wat aan zijn baart, wikt en weegt zorgvoldig over de formulering van zijn volgende zij: w hebben hier ten slotte te maken met een filosoof.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Murat vangt fietsers op via het fietsnetwerk Warmshowers. Samen met Nuran heeft hij een zoon die de prachtige naam Everest draagt. Ik besluit hem de brief van Tulsi en Oliver te geven. Hij begint direct een brief terug te schrijven die naar het dichtstbijzijnde postkantoor zal worden gebracht. "Misschien," zegt Murat enthousiast, "worden ze wel vrienden voor het leven." Everest doet er een tijdje over om de brief te schrijven, waardoor er wat stress ontstaat, Murat is kritisch op zijn schrijfvaardigheid en er worden schoolschriftjes bijgehaald om te kijken of hij wel goed genoeg studeert. Ik voel me schuldig, omdat ik niet wil dat de brieven stress en druk veroorzaken. Aanvankelijk leek het erop dat Murat en Nuran contacten hadden aan de Zwarte Zee kust, maar dat blijkt toch niet zo te zijn. Daarom besluit Murat een brief en een onbekende te schrijven. "Niet aan Georgië of Rusland," zegt Murat, "Ik wil dat je de brief bezorgd in Kazachstan daar zou ik wel iemand willen leren kennen, daar zou ik wel een kop koffie mee willen drinken, dus ik doe $2 in de brief om diegene te trakteren op een kop koffie." Ik begin erg te twijfelen aan deze keten. Gaat dit nog over verbinding en affectie? Toch besluit ik de brief te accepteren en maar te kijken wat het brengt.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Melina kijkt me een beetje streng aan, wanneer ik haar vertel over mijn project en over de brief die Vaggelis ze stuurde. Ze fronst. "We hebben nu vakantie, en dit moet met de rector worden besproken". Ik krijg een e-mailadres, waarop ik het officiële verzoek moet indienen. "Zet er zoveel mogelijk informatie bij. Zoals je website en andere referenties, want hoe weten wij dat je bent wie je zegt dat je bent?". Op die vraag moet ik het antwoord schuldig blijven. De volgende maandag probeer ik het opnieuw, want op de mail van de rector heb ik nooit meer antwoord gekregen. Er komt een hele stroom leerlingen binnen, Grieks en Turks vloeien door elkaar heen in de statige hal van het Griekse lyceum. "Ben je Grieks," vraag ik aan Melina. "Ja," zegt ze, "maar ik kom niet uit Griekenland." De Grieken in Istanbul zijn een overblijfsel van het opdelen van Turkije en Griekenland zo'n honderd jaar geleden. De moslims in de regio van Xanthi, waar ik een paar dagen geleden nog was, mochten daar blijven en de Griekse christenen in Istanbul. Verder moest iedereen gedwongen verhuizen naar diens nieuwe moederland. "De rector zegt dat het goed is, maar wat moeten we nu doen?". Ik zeg dat ik wen vervolgbrief nodig heb. Daarvoor wordt aardrijkskundeleraar Evren erbij geroepen. "Heb je honger," vraagt hij, "en aan de lunch vertel ik over de brieven en of hij er één voor me heeft. "Geef me een uurtje", zegt hij. Een uur later drukt hij me een envelop in de hand. Het adres luidt...
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Spyros is op bezoek in Koutso, zijn partner komt hier vandaan, ze komen hun dochtertje Ino achterlaten bij opa en oma. Spyros is de enige persoon in het dorp die ik kan vinden die Engels spreekt, dus ik klamp hem aan en vraag om hulp om een slaapplek te vinden. Al snel worden er mensen opgebeld, krijg ik een zak eten mee en is het voormalige kinderdagverblijf mijn slaapplek voor een nacht. Ik herinner me dat ik een brief heb meegekregen van Gabriel voor een kind in Griekenland en besef me dat dit het moment is. Nu moet ik weer snel achter een mijnheer in een auto aanfietsen op weg naar mijn verblijfplek. Ik hoop dat Ino een brief terug zal schrijven aan Gabriel en die op de normale post zal doen!
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Na de derde keer bellen wil ik al bijna teleurgesteld afdruipen wanneer Marina openmaakt. "Ah, jij bent het," zegt ze opgewekt. Ilja had al verklapt dat ik langs zou komen. "Wat een goed idee, ik hou van dit soort dingen". Marina is Servisch en ze leeft nu de Griekse droom. Ze spreekt na vijf jaar vloeiend Grieks, vertelt ze trots. Het liefst zou ze uiteindelijk iets in toerisme doen, maar nu heeft ze een baan die ze ook heel erg leuk vindt. Ze is verantwoordelijk voor de aankleding van de winkels van een modeketen! Een brief naar het oosten kan ze niet schrijven. "Sorry, we zitten hier zo'n beetje aan het einde van Europa, vanaf hier ken ik echt niemand meer." En zo eindigt deze keten, die begon in Valkenburg, hier in Thessaloniki. Of is het mogelijk om een keten te repareren?
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik tref Vaggelis in de hippe studio Loopo, waar hij - architect - en zijn partner Maita - grafisch vormgever - kantoor houden. Vaggelis kijkt over het algemeen serieus, maar soms verschijnt er een zachte glimlach. "Wat een goed idee", zegt hij. Maar hij kent niemand in het oosten. Hoe dichtbij Turkije ook is, het is een andere wereld. Hij heeft contacten elders in Griekenland, in Europa, maar Turkije, zelfs in Istanbul niet... En dat terwijl de Grieken en de Turken ooit overal door elkaar heen woonden, ook hier in Thessaloniki. "Maar ik zal er nog even over nadenken, misschien schiet me nog wel iets te binnen," zegt hij. Ik kom later die middag nog eens langs, maar er is hem niets te binnen geschoten. "Sorry". Hij legt uit dat hij al zijn contacten heeft nagezocht, maar niemand in het oosten vond. "Het kan ook iemand hier dichtbij zijn, die op diens beurt weer iemand verder weg kent," probeer ik. "Maar dan moet ik wel weten wie iemand ver weg kent en dat weet ik niet." Ik doe nog een laatste poging de volgende ochtend en ik zie daar Vaggelis staan met een brief in de hand. Mijn hart springt van blijdschap. "Niet te vroeg juichen," zegt hij, "ik weet niet of je iets aan deze brief hebt." Hij heeft nagedacht wat zijn meest dichtbijzijnde contact met het oosten zou kunnen zijn, maar kent de geadresseerde niet, het is gericht aan een instituut. "Natuurlijk ga ik die brief bezorgen," zeg ik. Als iemand zo zijn best doet om te bedenken hoe hij verbonden is met het oosten, als iemand een poging tot contact doet, dan moet ik toch juist degene zijn die dat aanmoedigt en mogelijk maakt!
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik ga naar de kapper in Tivat en kijk Sandra ietwat beteuterd aan door de spiegel. Dan begint ze te vragen, wie ik ben en wat ik doe. En ik vertel het hele verhaal, over de brieven, dat ik onderweg ben naar het einde van de wereld en dat ik net een brief heb bezorgd, maar geen brief meekreeg. "Aan wie moest je die brief bezorgen, als ik het vragen mag?", zegt ze. "Aan Pina". Ze weet meteen wie ik bedoel, ze is een lokale beroemdheid. "Misschien kan mijn zoon Ilja je wel helpen," zegt ze, "zou dat mogen binnen de regels van je project." Ik denk er nog eens even over na. Waarom niet? Denk ik. Zij kent Pina en ze kent haar zoon, de keten gaat nog steeds van contact tot contact. Is het niet juist mooi dat een bezoek aan de kapper weer een stap in de keten teweeg brengt? Daar komt Ilja al aan, hij is onder de indruk van mijn reis, van mijn project en wil graag een brief sturen aan zijn tante Marina, die in Thessaloniki woont. Ze hebben elkaar al jaren niet meer gezien. "Familie van zijn vaders kant," legt Sandra uit.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Pina is erg verrast, ze spreekt maar een beetje Engels. Ze bedankt me. Ze ziet er ziek uit, hopelijk is dat maar tijdelijk. Haar moeder laat me binnen en maakt limonade voor me klaar. Terwijl Pina de brief leest, licht haar bleke en vermoeide gezicht op en verschijnt er een glimlach. Het doet me denken aan de glinsterende oceaan en alle tinten blauw die je langs de Adriatische kust kunt zien. Pina's moeder kijkt ook naar Pina met een bezorgde, hoopvolle glimlach op haar gerimpelde gezicht. Ze ziet eruit zoals moeders eruit zien: bezorgd, bemoedigend, met zoveel liefde. Ik vraag me af of mijn moeder op dezelfde manier naar mij kijkt, ook al ben ik nu een volwassen man die in zijn eentje naar het einde van de wereld fietst. Pina bedankt me nogmaals, leest de brief nog eens, kijkt me dan in de ogen en daar is het weer. Die glinstering van de oceaan. Maar ze kan geen volgende persoon bedenken om een brief aan te schrijven, Servië, Slovenië, Bosnië, zeker, maar Albanië? Griekenland? Ik ken daar niemand. Misschien is er toch nog een manier om deze keten te redden.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
In telefonisch overleg met Andreina, die een brief wilde schrijven aan Igor, maar onverhoopt naar het ziekenhuis moest, besluit ik hem zelf een brief te schrijven. Igor is een mozaïekkunstenaar en hielp Andreina met die eindeloze opdracht: het vervolledigen van "Il Mosaico di Andreina". Op weg naar Igor, vanuit Slovenië de grens over naar Kroatië begint het harder en harder te sneeuwen. IJspegels hangen aan mijn wenkbrauwen, wanneer ik bij Igor aanbel. Het kan niet missen: ik zie mozaïeken. Een jonge man komt in t-shirt de sneeuw in gewandeld, de kou lijkt hem niet te deren en hij lijkt ook niet onder de indruk van mijn ijsman-look. "Ben jij Igor?", vraag ik. Het blijkt zijn zoon te zijn. Igor is nog onderweg, in de sneeuw vast komen te zitten op weg vanuit de kust. Hij neemt de brief aan en ik leg hem uit wat ik doe. Ik besluit mijn telefoonnummer achter te laten zodat Igor mij kan bellen om af te spreken. Ik heb anderhalve dag uitgetrokken om in Zagreb het ergste noodweer uit te zitten. Igor neemt geen contact met me op. De keten eindigt hier. Kennelijk is het einde van de wereld vanuit Aachen bezien in Zagreb.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
"Mag ik een foto maken voor de website?". Alenka, brief van Andreas in de hand, kijkt geschrokken. "Zonder make-up?". Dat is geen optie, dus we kiezen voor een foto met alleen maar handen met prachtige nagels. "Mag ik hiernaast tussen de olijfbomen kamperen?", vraag ik. Ook dat is geen optie. Alenka en haar partner Alex doen er alles aan om mijn verblijf hier zo aangenaam mogelijk te maken. Ze verhuren een appartementje dat nu leeg staat, en eenmaal daar word ik getrakteerd op een heerlijke pizza en uitgebreid reisadvies. Anders dan de meesten begrijpt Alenka direct wat ik voor ogen heb met dit project. Misschien komt dat door de meditaties voor vrede: ook een project dat gericht is op verbinding. Ze geeft me een brief mee naarMontenegro. Aan een collega-muzikant, die geen deel uitmaakt van het meditatienetwerk. "Een hele bijzondere vrouw, die met heel veel doorzettingsvermogen een hele goede muziekschool heeft opgezet. Jaren geleden heb ik daar eens les gegeven. We hebben elkaar al 15 jaar niet meer gezien. Dit is een mooie manier om weer contact te leggen." "Doe jij ook mee aan de meditaties?", vraag ik aan Alex. Hij schudt gedecideerd van nee. "In een relatie moet je elkaar leren accepteren en leren communiceren en vooral: ook dingen laten gaan", spreekt Alenka wijs.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Als ik de kerk binnenkom is Andreina een rondleiding aan het geven. Hier wordt niet alleen aan een mozaiek gewerkt, er worden rondleidingen gegeven, heilige missen, kunstonderwijs, sociale projecten. Andreina is de centrale figuur en al snel vraag ik me af hoe ze zoveel ballen hoog kan houden. Ik vraag het haar en ze grijpt gepijnigd naar haar rug. "Ik weet het ook niet," zegt ze met gevoel voor drama. "Hetzelfde kan ik aan jou vragen," zegt ze, "elke dag fietsen, in de kou, in de regen. Ik word al moe als ik erover nadenk!". In overleg met de priester mag ik een nachtje in de kerk slapen en ik mag ook mee eten. Andreina staat erop op het avondeten en ontbijt voor me te verzorgen, ook al zeg ik dat ik dat best zelf kan regelen: Andreine neemt graag verantwoordelijkheden op zich, maar grijpt af en toe naar haar rug. Tijdens de uren dat ik er ben wordt er een muziekles gegeven, meerdere rondleidingen en speelt er zich een drama af. "Hier komen soms mensen met veel problemen". Temidden van alle chaos blaft hondje Fagiolo (Italiaans voor boon) onafgebroken; het is hier bepaald geen oase van rust. Andreina gaat een brief schrijven, want ook aan mijn project is ze gecommiteerd. "Jij bent een engel!" Maar de volgende ochtend tref ik haar niet om haar brief aan Igor in Kroatië te bezorgen. Ze moest naar het ziekenhuis voor haar rug. "Je lichaam vertelt je dat je even moet stoppen," zeg ik, "gezondheid gaat voor". En ik zei het ook tegen mezelf.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik kom binnenvallen op eerste kerstdag en voor ik het weet zit ik aan een potje Monopoly. "Je bent een kerstelf," zegt Chiara enthousiast. Ik krijg zelfs onderdak aangeboden van dit hartelijke, internationale gezin, waar Italiaans en Engels moeiteloos door elkaar heen klinken. De kinderen spreken vloeiend Engels met een mooie Italiaanse tongval. Als ik over mijn project vertel moet de Canadese Ray even schakelen. "Slaap ik nog?". Oliver pakt er direct een atlas bij en begint die driftig te bestuderen, alsof een volgende brief zich vanzelf zal aandienen als hij de kaart maar hard genoeg bestudeert. De kleine Tulsi pakt papier en stiften om een mooie tekening te maken. Het gezin breekt het hoofd over mogelijke brieven die ze kunnen schrijven. Australië? Canada? Engeland? Ze kennen alleen maar mensen op plaatsen waar je niet naartoe kan fietsen. Ik vertel de kinderen over brieven van kinderen aan kinderen die ik meeneem. "Kunnen we zo de keten dan niet voortzetten?", vraagt Oliver en begint te schrijven. "Waar moet ik hem afgeven?", vraag ik. "Sowieso in het buitenland," zegt hij.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
"Je kan hier zo lang blijven als je wilt", zegt Toni direct nadat ik de belachelijke steile afdaling naar zijn huis heb gemaakt. Hij woont in een Toscaans paradijsje, rivier, uitzicht, olijfbomen, alles wat je je bij Toscane voorstelt bevindt zich rondom zijn huis. Toni kreeg een brief van Andreas in Aachen. "Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?", vraag ik. "Afrika heeft ons samengebracht," en hij vertelt over zijn liefde voor Afrika, wie hij daar allemaal heeft ontmoet, wat hij daar heeft gebouwd en die ene keer dat hij drie dagen lang naar een dorp wandelde, omdat dat sneller was dan met de auto. "Maar hoe mooi Afrika ook is, hier heb ik alles wat ik wil, behalve...", dit lijkt hem te raken, "een gemeenschap. Daarom vind ik het zo mooi wat Andreas heeft in Aachen". 4 Linden is een woon en- leefgemeenschap, waar gezamenlijk gebouwd en gemaakt wordt. "Ik heb het hier ook geprobeerd, maar het is me nog niet gelukt". Hij komt oorspronkelijk uit Zuid-Tirol en is dus een Duitstalige Italiaan. "Maar voor de mensen hier ben ik gewoon een Duitser". Ik moet een dag langer bij Toni blijven vanwege pech met de fiets en we vieren samen kerstavond. Bij zijn kerstcadeautje stop ik een briefje, waarin ik hem die gemeenschap waar hij zo naar verlangt van harte toewens. Hij geeft me een brief mee voor de bevriende Andreina, die niet zo ver van hier ook een gemeenschap opbouwde, allemaal rond een kerk, waarvan zij een mozaïek wil maken. "Het poëtische ervan is, dat ze het nooit af kan krijgen," zegt Toni.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Robert is het soort persoon die wildvreemden laat logeren en de mooiste plekjes van Firenze laat zien. Iemand die je wilt ontmoeten, maar helaas is Robert voorde kerst naar zijn familie in Duitsland. Gelukkig gaven Benni en Anna me een extra brief mee...
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Andreas ontving een brief en nodigt me uit om naar zijn werk, zijn project te kijken. Terwijl we door het bos naar de kinderen toe wandelen vinden we veel herkenning. "De mensen begrepen mij eerst ook niet," vertelt Andreas nadat ik zei dat veel mensen mijn project in eerste instantie vaak niet begrijpen. "Waarom buiten als je ook lekker binnen kan zijn?," zegt Andreas, "waarom beieven als je ook een e-mail kan sturen, waarom fietsen als je kan vliegen", vul ik aan. We zijn het erover eens dat dingen die moeilijk zijn vaak meer de moeite waard zijn en dat je dat pas kan begrijpen als je het hebt ervaren. Een jongetje met heldere ogen en blosjes zwaait. "Kunstenaar!", roept hij "Kun je een Krampus voor me tekenen?" Ik moet hem teleurstellen. Het jongetje kijkt Andreas verwijtend aan: "je zei dat er een kunstenaar oo bezoek zou komen!". Hij verdwijnt in het bos, pakt een tak, gromt en slaat ermee. Als ik geen Krampus kan tekenen, dan speelt hij er zelf wel in. Als alle kinderen in een kringetje bij elkaar zitten, onder het tentzeil dat ons droog houdt, nu het regent krijg ik meer vragen. "Als je dan niks kan tekenen. Kun je dan iets spelen? Je bent toch toneelspeler?". Ik zit een beetje met mijn mond vol tanden. Andreas zei het net al in het bos: "kinderen denken en voelen anders dan wij, ze kunnen ons veel leren". Ik besef me ineens dat ik speel dat ik een postbode bent. "Maar postbodes rijden in auto's" zegt het meisje, "er zijn ook fietspostbodes", zeg ik. Dominik geeft mij nu een tekening "hier, voor jou, het is een Krampus". Het jongetje dat eerder Krampus speelde zegt nu: "ja, maar alleen in de stad zijn er fietspostbodes, hier zijn er teveel bergen". "Jullie hebben helemaal gelijk," zeg ik, "er zijn geen fietspostbodes die de hele wereld en alle bergen over fiersen, daarom speel ik nu dat ik er één ben!". De kinderen knikken en hummen, dat argument is goedgekeurd. "Mag ik jullie dan nu een brief geven?" De brief van Judith, die hen een vrolijk kerstfeest wenst, wordt gretig geopend en gelezen.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
"Ik weet niet hoe ik me hierover moet voelen," zegt Andreas. "Je weet waar ik woon, je weet waar ik werk". Ik heb hem gebeld op het telefoonnummer van zijn werkplek, die mij bij de instructies voor de bezorging was toevertrouwd. Andreas komt aangereden bij het busstation van Eppan. Er loopt snot uit mijn neus. Ik besluit het te laten lopen om nog wat meer te ontwapenen. Zijn scepsis lijkt als sneeuw voor te zon te verdwijnen, terwijl hij naar mijn snottebel, mijn bepakte fiets kijkt. Ik leg hem uit wat ik doe, dat ik wil verbinden. Hij vertelt mij over zijn meditatiegroepen, over mediteren voor vrede, waar hij Klaus-Peter ook van kent. "Kom je morgen mee naar mijn werk?", vraagt hij. Hij geeft me een brief mee voor een meditatievriend in Slovenië. "Ik heb er een pakketje flyers bij gedaan, is dat ok?".
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik tref Andreas aan met een headset op zijn hoofd: home-office. Maar hij is direct gegrepen door mijn verhaal en de brieven. Over een uurtje heb ik lunch, kom je dan even terug?
Samen eten we Oekraïense hapjes. Die waren nog over van een concert dat hij gisteren met zijn brassband gaf. Via de brassband leer ik veel mensen kennen op allerlei plekken. Die brief zal wel geen probleem zijn. "Maar ik moet weer aan het werk! Kom over een uurtje nog eens terug, dan is Amelie er, misschien kan zij een brief schrijven".
Amelie is een collega-acteur. Ze werd bekend door de film "Die Welle". "Die heb ik nog op de middelbare school gezien," zeg ik. "Ik was die coole met het rasta-haar," zegt ze, "ik was tegen "Die Welle"". Toch lopen Andreas en zij in het dagelijks leven wel vaker aan tegen het "systeem", dat de dingen niet altijd zo wil als zij het graag zouden zien. Ondertussen doet kleine Hilma trucjes aan een koord, ze hangt ondersteboven.
"Ik weet al aan wie we een brief moeten sturen," zegt Amelie, "het zijn kennissen van ons in Italië, ze hadden een eigen huisje gebouwd, probeerden het op hun manier te doen, maar toen sloeg de bliksem in een boom en viel recht op hun huis. Zij kunnen wel een hart onder de riem gebruiken."
Hilma stopt me een tekening toe, met allemaal sterren erop. "Een cadeautje", zegt ze blozend.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
De kleine Odiseas rent rond in een vleermuizenpak, verstopt zich in een hoekje en roept dan: "BOE!".
Ik voel direct Mediterraanse vibes in dit huis, gastvrijheid. Ada staat op het punt om te bevallen. "Het kan op elk moment zo ver zijn," zegt ze. "Wat bijzonder dat ik bij jullie op bezoek mag zijn, terwijl binnenkort alles voor jullie gaat veranderen," zeg ik. Ada en Angelos kijken me aan met een blik die lijkt te zeggen: "Natúúrlijk".
Angelos was ook ooit een lange afstandsfietser, hij bouwt nu aan een nieuwe fiets. "Maar nu is het een beetje ingewikkeld."
Ze ontmoetten Roberto en Helene via gemeenschappelijke kennissen in Strasbourg en het klikte direct. "Het was alsof we elkaar al jaren kenden," zegt Ada. "Kom je morgen ontbijten? Dan vertel ik je meer en geef ik je een brief mee, voor Griekenland!"
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
"Kom maar binnen, maar ik ging net de kinderen in bed doen," klinkt het in lichte paniek. Ze nemen de brief van Volker aan. Hij had ooit een relatie met Sarah´s moeder. Die relatie kwam ten einde, maar Sarah en Volker hielden altijd contact en de kinderen mogen Volker heel graag. Ze biedt me een kopje thee aan en zegt me dat ze zo terugkomt, maar daar denken Benny en Leo anders over. Eerst regent het vragen over waar ik slaap en wat ik doe als mensen niet thuis zijn. Dan krijg ik een rondleiding door het huis en langs alle speelgoed. Tot slot wordt er een kist met houten speelgoed opengemaakt. "Allemaal zelf gemaakt," zegt Leo. Hun treintjes, carrousels en boombladeren zijn indrukwekkend. "Blijf je ook logeren?", vraagt Benny. Leo drukt me een pakje in de hand, met een grote strik erom. "Van de kerstman. Pas opendoen als het kerstmis is!", zegt hij plechtig. Als de kinderen eindelijk slapen, overleg ik met Sarah hoe we deze keten van verbinding nu voort moeten zetten. Ik ken echt niemand in die richting. Is München het einde van de wereld? Dan zeg ik: "de brief mag ook naar een plek, naar een mens dichtbij". Sarah zegt: "dan weet ik al aan wie!"
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Jan heeft een headset op zijn hoofd en is aan de lijn met Miami. Hij wil de brief aannemen, maar ik leg hem uit dat die voor Katrin, zijn vrouw bestemd is en dat ik hem toch echt graag persoonlijk zou willen afgeven. Hij snapt er niet veel van, maar zegt dat ik dan ´s avonds moet terugkomen. Ook ´s avonds is Katrin er nog niet, maar ik krijg wel de kans om uit te leggen wat ik kom doen nu Jan zijn headset niet meer in heeft. Zijn lichte scepsis maakt plaats voor een grote glimlach en nieuwsgierige vragen over mijn reis. Ik maak een foto van hem met de brief. Ik vraag of Katrin mogelijk een nieuwe brief zou kunnen schrijven. "Dat wordt lastig," zegt hij, "we kennen niemand in die richting. Wel in Engeland, Lübeck, de Verenigde Staten," begint hij op te sommen. Dan komt Katrin aan, ook zij kan niemand in het Oosten bedenken. Deze keten van jeugdvrienden uit Elmshorn eindigt hier. Dan stelt Katrin voor: "kom anders op je terugweg nog eens langs, dan krijg je een brief terug naar België.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ding dong.
Dit is de derde keer dat ik bel en ik tref Tobi´s zus en haar zoon niet thuis aan. Later hoor ik dat ze een paar dagen weg zijn. Toch brachten ze me naar de historische stad Ulm. Wellicht tot een volgende keer.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Anders dan de meeste mensen begrijpen Anna en haar vriend Benni direct waar ik mee bezig ben. "We moeten zo weg, maar we gaan je verder helpen!". Ze trekken papier en enveloppen uit kasten en beginnen druk te schrijven. Als zoethoudertje krijg ik zelfgebakken kerstkoekjes, die ik gretig begin op te peuzelen. Het is stil, op het gekrabbel van pennen en gekruimel van koekjes na. Dan legt Anna uit: "ik schrijf een brief aan Robert, een goede vriend van ons in Italië." Vragend kijk ik naar Benni, die druk bezig is met zijn eigen brief: "maar voor het geval hij er niet is geef ik je er nog één mee, voor iets verder weg". Ik kijk naar het adres op de envelop, schrik een beetje en begin dan te stralen: "maar dat is bijna aan het einde van de wereld," zeg ik dankbaar. Hij knikt en geeft me een stapeltje bankbiljetten mee: het is maar een paar euro, maar daar krijg je daar een maaltijd voor.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Bene & Michaela vangen me op na een lange dag brieven bezorgen. "Bereid je voor op veel vragen van Gabriel," zegt Bene. En hij brand los en ik leg hem alles uit. "Kun je ook een brief voor mij meenemen? Voor een ander kind?". Ik kan moeilijk nee zeggen. "Naar welk land?", vraag ik ernstig. "Griekenland!", roept hij zonder aarzelen, "Daar woont een tante van mij, en die heeft 17 katten!". Michaela legt uit dat zij oorspronkelijk Grieks is.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik logeer bij Bernd en Daniela en hun twee dochters Judith en Annika. Ik was hier vier jaar geleden ook. Toen waren ze nog ukkies. Nu zitten ze op drumles en spelen spelletjes. "Pas maar op, het is vrijdag," zegt Daniela, "dan zijn ze niet te houden". Ik haal twee brieven uit mijn zak, van Noah en Bas uit Heerlen. De meiden glunderen en openen gretig de enveloppen met tekeningen en ook wat tekst, die ze niet zo goed begrijpen. "Misschien kun je ze een brief terugsturen en vragen wat hij bedoelt," zeg ik tegen Annika. Beide meisjes beginnen direct driftig te schrijven, tekenen en kleuren: hun overtollige energie vloeit van pen op papier.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
"Nici is niet thuis", zegt een knappe jonge man met een licht geamuseerde frons. "Ik kan het helaas niet aan jou geven, ik móet het echt persoonlijk afgeven," zeg ik. Een paar uur later ben ik terug en wordt ik hartelijk ontvangen door Nici. "Mijn vriend zei dat er een hele rare man op de stoep stond," schatert ze, "die heel officieel deed met een brief die er totaal niet officieel uitzag". De tranen rollen over haar ogen van het lachen. "En toen wisten we allebei; dit is Jolien, er gebeuren altijd rare dingen met Jolien". Ze legt me uit dat ze Jolien ooit tijdens het reizen ontmoette en dat het direct klikte. "Jolien is een soort Belgische ik", zegt ze, "wil je trouwens hier op de bank slapen?", springt ze van de hak op de tak. Wanneer ik haar vraag om een nieuwe brief, moet ze even nadenken en dan gebeurt er iets ongelooflijks. Ze omschrijft een stel in Oostenrijk: "zij doet circus, hij verkoopt gefermenteerde groenten, ze hebben een moestuin". Ik zeg: "wacht even, waar wonen deze mensen?" en Nici noemt de plaatsnaam. En hoe heten ze? We blijken ze beiden te kennen en onze hoofden ontploffen een beetje. Ze besluit mee een brief mee te geven voor haar vriendin Anna, ook een circusfanaat. "Dan leer je een nieuw iemand kennen," zegt ze.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik ken Leslie nog uit mijn tijd in Guatemala. Inmiddels woont ze al meer dan tien jaar in Duitsland met haar man Tobi, haar kinderen en kleinkind! Ik mag blijven logeren en halen herinneringen op aan oude tijden. De nieuwe generatie mag elke dag een cadeautje uit een gigantische adventskalender halen en in de ochtend ligt daar ook een cadeautje voor een fietskoerier, een nieuw paar sokken met logo en al! "Kun je niet een brief aan mijn zus bezorgen? Ze kan wel een steuntje in de rug gebruiken", zegt Tobi.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Vol verwachting kijken de kinderen me aan. Na een korte introductie van Juf Pascale leg ik in mijn beste Frans uit wat ik hier kom doen: een brief afleveren van kinderen uit Nederland. "Kun je het ook nog een keer in het Spaans doen?", vraagt de juf. Gael spreekt alleen maar Spaans. "Misschien kan hij Spaans spreken, dan vertaal ik het in het Frans," stelt Teresa Letó voor en zo geschiedt. In de klas spreken de kinderen allerlei talen, over verbinding over grenzen heen hoef ik ze dus niets meer uit te leggen. "We hebben geen tijd meer om je een brief mee te geven," zegt de juf, "maar we beloven dat we een brief terug zullen sturen naar Landgraaf. Met de gewone post".
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Roberto en Helene zijn vrienden die ik ken uit Guatemala en later veelvuldig bezocht op Cyprus. Toen Christiane me een brief meegaf voor een lief persoon, dacht ik gelijk aan hen. De brief was bij hen in goede handen: een glimlach van oor tot oor verscheen bij hen beiden. Helene las de brief hardop voor, ze zat vol genegenheid, vol liefde voor een ander, een onbekende, die Christiane het beste toewenst met al haar aandacht. De letters op de brief en op de envelop waren met grote zorgvuldigheid geschreven; een kunstwerk op zich. "Mogen wij nu dan ook meedoen met je project? Mogen wij dan ook een brief schrijven?", vraagt Helene enthousiast. "Uiteraard". Ze besluiten een brief te schrijven aan Ada en Angelos uit Griekenland, die nu in München wonen. "We kennen ze nog niet zo lang," zegt Roberto, "Maar het klikte gelijk, toen we ze een tijdje geleden ontmoetten," voegt Helene toe.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Teresa Letó is de dochter van Roberto en Helene. Ze is een klein wijs meisje dat moeiteloos schakelt tussen Frans, Grieks en Spaans. Ze glundert wanneer ze een brief krijgt. "Voor mij? Echt? Maar van wie dan en waarom aan mij?". Ik leg haar uit dat Lilly me had gevraagd om het aan een heel lief meisje te geven en dat ik toen meteen aan haar moest denken. Ze bloost een beetje en opent de brief. "Wow!", glundert ze "Wat kan dat meisje mooi tekenen," zegt papa Roberto. "Maar ik kan ook mooi tekenen, toch?". Hier moet even over nagedacht worden. Ik leg uit dat ik nog meer brieven van andere kinderen heb. "Kun je dan niet bij ons op school langskomen?", vraagt Teresa. "En als je naar Duitsland gaat, kun je dan iets voor me brengen naar mijn vriendinnetje Aluna?" Ze vraagt het zo lief dat ik onmogelijk kan weigeren.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
"Je overvalt me hier een beetje mee," zegt Christiane, die een brief van haar nicht Cara uit Eupen kreeg. Haastig maakt ze haar haren in orde voor de foto. Ze is erg enthousiast over het project, maar het is nu al laat en morgen moet ze weer werken. Ik fiets ook, wel elektrisch. Ze weet zo snel niet aan wie ze een brief kan sturen. Om me verder op weg te helpen geeft ze me de volgende ochtend een brief aan een anoniem persoon, "Een lief persoon," voegt ze eraan toe. Ik twijfel, maar dan neem ik de brief aan. Verbinding, affectie, laten zich nu eenmaal niet in ronden organiseren. Ik neem haar opdracht, aan. Misschien probeert Christiane me te leren dat verbinding eenvoudig is. Je kunt wanneer je wilt contact zoeken met een ander lief persoon.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Annette en Volker - collega in het theatervak - gaven me een brief mee voor hun kleinzoon Yanosch in Sankt Vith."Als je in de buurt van Frankfurt bent, laat het ons weten, dan kun je hier overnachten." Zo geschiedde. We maken samen gedroogde appels om de rijke appeloogst van dit seizoen wat behapbaarder te maken. Een arbeidsintensief werkje voor een klein zakje gedroogde appels, dat kan ik als wereldwijde fietskoerier wel waarderen. Dan fiets ik naar Frankfurt om Yanosch´ brief te bezorgen en een zakje gedroogde appels ("die vindt hij heerlijk"). Volker geeft me een extra brief mee voor Sarah en haar kinderen in München. Sara is de dochter van zijn ex. "Haar kinderen zijn fan van mij, ik weet ook niet zo goed waarom," zegt Volker, "Je bent een soort opa voor ze," zegt Annette.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
De deur zoemt, ik kan naar binnen. "Zijn Paul en Felix hier?", vraag ik aan de man . "Hoezo?" Ik toon hem de brief van Yanosch. "Kun je die niet gewoon aan mij geven?". Ik leg de man uit over mijn project. Hij rolt met zijn ogen. "Ik ga wel even kijken". Een paar seconden later komt hij weer naar beneden gestommeld. "Geef hem toch maar gewoon aan mij". Ik leg hem uit over de ketens van verbinding, dat ik Felix en Paul om een nieuwe brief wil vragen. Ik voeg eraan toe dat dat geen verplichting is, dat ik de indruk heb, dat hij er niet zo op zit te wachten. "Ik hoef toch geen brief te schrijven, dus wat maakt dat uit?", antwoordt hij geërgerd. Een vrouw met zware boodschappentassen aan haar arm komt nu het huis binnengestormd. Ze kijkt me geërgerd aan, als een obstakel. Ik druk mezelf tegen de muur om plaats te maken. Ze loopt de man voorbij en stoot hem omver met de tassen. Hij staat als een soort schuine plank tegen de muur. "Je hoeft me niet omver te lopen, hoor," zegt hij. Ik besluit te vertrekken. De keten eindigt hier.
Maar dan herinner ik me dat Volker, de opa van Yanosch, me een extra brief meegaf naar München. En zo wordt deze keten toch voortgezet!
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Yanosch krijgt een brief van Annette en Volker, die tijdens hun vakantie in Sankt Vith een brief schreven. Ze vertelden me dat ze tijdens corona elke week een brief aan hun kleinzoon schreven. "Het was toen de enige manier om hem een knuffel te geven". Met enige vertraging en een grote omweg komt er nu weer een brief aan in Frankfurt. Ik vraag Yanosch wat een brief zo speciaal maakt. "Dat je het aan kan raken," zegt hij. En hij voegt eraan toe: "en toen oma tijdens corona brieven schreef, stond er telkens een verhaal in, en ik was zo benieuwd hoe het verder zou gaan" - "Een soort cliffhanger?", zeg ik en dan laat Yanosch me zijn Magic-kaarten zien.
Hij schrijft een brief aan zijn vriendjes Felix en Paul om te vragen wanneer ze weer op bezoek komen.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Mona is druk aan het werk in de voormalige Havanna, een nachtclub die de komende maanden de thuisbasis is van theater K. Ze geeft me een flyer van hun volgende voorstelling. "Die ken ik! Die heeft Schang toch gemaakt?", zeg ik. "Ken jij Schang?", zegt ze verbaasd.
Haar partner in crime Annette luistert geamuseerd naar het gesprek. Ze heeft het direct begrepen: "ja, hij brengt toch brieven rond om verbinding tussen mensen. Is dat niet iets voor Mohammed? Kom we bellen hem"
Mohammed staat een paar minuten later binnen, terwijl de dames druk verder bouwen. Annette vraagt me nog om hulp om een oud vettig keukenwerkblad te verplaatsen in een vervallen keuken vol muizenkeutels. "Hierom vind ik dit zo leuk om te doen? Ik had vanochtend nooit kunnen bedenken dat ik hier in Aachen in deze vieze keuken zou staan met plakkende handen", zeg ik: "Het is maar wat je leuk vindt".
Mohammed vertelt me over zijn schilderij, dat ik bij Kalle en Martina zag. Hij vertelt me dat hij ooit uit Irak kwam, maar nu een Duitser is. Hij zegt dat zijn projecten altijd een zeer lange aanloop hebben, langzaam tot wasdom moeten komen. Ik neem me voor om hiervan te leren.
Mona kan zo snel niemand bedenken, dus schrijft ze ter plekke een kaart aan Anette. Zij schrijft op haar beurt een brief naar haar broer in Köln, "ook theatermaker, maar dan heeeel anders dan wat wij doen."
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Leszek is de directeur van het "Muzeum Ziemi Lubuskiej: een eclectische mix van kunst, ambacht, wijn en martelpraktijken. Hij krijgt een brief van de Poolse kunstenaar Agata Siwek, mij meegegeven in Venray. Uit Venray fietste ik speciaal voor hem naar Polen. Ik kom aan in het museum en alles lijkt hier snel en Pools te gaan. Door verschillende kamertjes word ik naar Leszek geleid, waar ik enkele minuten krijg om hem wat over mijn project te vertellen. Hij opent de brief en kijkt er even naar. "Waar slaap je normaal gesproken?" Ik leg hem uit dat ik afhankelijk ben van mensen die mij onderdak bieden of in mijn tent slaap. Hij knikt en zegt dan: "Yes, but here you have to pay". Het museum verhuurt kamers aan kunstenaars. Dan moet ik weer door allerlei kamertjes, trappen op en af, langs allerlei mensen die in het Pools vragen stellen en die ik niet begrijp. "Kan ik je straks nog spreken Leszek, ik wil vragen of je de keten van brieven voort wil zetten," hij schudt van nee, het is bijna weekend. Ik moet vooral snel naar het kantoortje om voor de kamer te betalen. Deze keten eindigt.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Een brede glimlach verschijnt. "Van Ludn, wat leuk! Wat een verrassing!" Lars Ludwig, die haar een brief schreef wordt consequent Ludn genoemd. En Benjamin, die deze keten van brieven startte, heet bij Marja ook "Benny".
Ze waren dikke vrienden op de middelbare school in Elmshorn, maar inmiddels moet je een paar dagen fietsen om van de één naar de ander te komen.
Marja moet er alweer bijna vandoor. Haar zoon moet naar voetbal. "Ik schrijf graag een volgende brief! Kan je morgen tussen 10:45 en 11:00 langskomen? Daarna moet ik naar de tandarts"
Ze schrijft een brief aan Katrin in Beieren die schijnbaar geen bijnaam heeft. Net als Benny en Ludn hoort ze bij een groepje schoolvrienden uit Elmshorn. Brengt Katrin me verder weg van Elmshorn, richting einde van de wereld?
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Mitch krijgt een brief van Bram. Leuk. Maar wie moet hij nu een brief schrijven en waarover? Ik kom later nog eens langs en hij geeft me een brief mee aan zijn neef Jordy. "Om hem succes te wensen met de Hyrox die we binnenkort gaan doen" Hyrox?. "Dat is een sport challenge". "Dan wens ik jullie ook veel geluk en succes", zeg ik
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Tijdens de voorstelling schreef Iris een brief aan haar neef Klaus-Peter in Berlijn. Ze kennen elkaar pas drie jaar. De dood heeft hen samengebracht: ze ontmoetten elkaar op de begrafenis van Iris' tante, de moeder van Klaus-Peter. Als kinderen hadden ze elkaar al eens gezien, maar toen was Klaus-Peter plotseling verdwenen. Niemand wilde haar vertellen wat er precies was gebeurd. Dat kan ik jullie ook niet vertellen ... Privacy, briefgeheim ... Maar toen Iris' tante erg ziek was, vroeg ze: “Wil je je zoon niet nog een keer zien?” Dat wilde ze nu wel, maar ze stierf voordat haar zoon kon komen. Klaus-Peter vond in de nalatenschap van zijn moeder de adressen van veel van zijn neven en nichten en was blij dat hij zijn familie weer had. In zijn blik, in zijn gedrag zie je zowel kinderlijke vreugde als de melancholie van een oude man.
“Ik ben zo blij dat je bent gekomen”, zegt hij. Hij nodigt me uit voor pizza. Daar vertelt hij me over meditatie en boeddhisme. Hij geeft me een brief mee voor Andreas, een Duitser die al vele jaren in Zuid-Tirol woont. “Een bijzonder mens”, zegt Klaus-Peter. “Iemand op wie iedereen een beetje verliefd wordt?”, vraag ik. "Precies! En weet je wat het grappige is? We hebben elkaar nooit persoonlijk ontmoet. Nou ja, één keer. Jaren geleden heb ik tijdens een conferentie een foto gemaakt. Jaren later keek ik naar die foto en realiseerde ik me: dat is Andreas. Hij zat een paar stoelen naast me, maar ik had het niet opgemerkt.“ Klaus-Peter vertelt me over Maitreya, de nieuwe Boeddha, die geen navel heeft. Over hoe zijn hand ooit op een Catalaanse spiegel verscheen. Hij geeft me een plaatje mee: ”Dit zal je beschermen en je helpen als je het onderweg nodig hebt."
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Lars Ludwig kreeg een brief uit Eupen van zijn beste vriend Benjamin, die hij consequent "Benny" noemt. "Benny is - mijn dochter houdt van paardrijden, vandaar de hippische term - mijn "Seelenpferd". Ik weet niet hoe blij mijn vrouw is met die uitspraak, maar we zijn complementair, Benny en ik. Hij is de onderbuik, ik het hoofd. Ik werk met mijn handen, hij spreekt, hij schrijft. Ik ben niet zo'n schrijver." Lars Ludwig aarzelt, hij krijgt niet zo snel een brief geschreven. "Ik ben een prater". Hij praat eroverheen, vertelt me over zijn passie voor zeilen, dat hij vroeger met 200km/u over de Autobahn scheurde, maar het tegenwoordig wat rustiger aan doet, over God en de kwantummechanica. Na heel veel omwegen concludeert hij dat hij zijn keten van verbinding niet wil verbreken en schrijft een brief aan Marja, tevens een jeugdvriendin in Berlijn.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Tijdens de performance in Kerkrade kreeg ik een mysterieuze brief mee van een elegante dame op de eerste rij, die zei: “Deze brief heeft geen adres. Jij weet waar het naartoe moet”. Nu herken ik haar. Dit is Berthy, mijn oudtante. Ik maak het envelopje open. In de envelop zitten religieuze prentjes van engelen die met kinderen chillen. Printed in Italy. Communieprentjes van mijn vader, mijn tante en mijn ooms.
“Jij weet waar het naartoe moet”. Er staat een adres op: De Heilig Hart van Jezus Kerk in Nieuwenhagerheide. Een dorp dat niet meer bestaat. Opgeslokt door de fusiegemeente Landgraaf. Moet ik daar zijn? Jezus zelf staat er bleek en afgebladderd bij. Op zijn borst brandt een rood hart. Ik klop op een massieve houten deur in de vorm van een boog. Ik klop nog eens, maar het huis van God is dicht.
Misschien liggen mijn opa en oma Möllering hier begraven. Ik vraag het aan een mevrouw op de begraafplaats, ze legt oranje tulpen neer voor haar ouders, gestorven in respectievelijk ’72 en ‘74. “Möllering?”, zegt ze. “Die sind naet va hei, die sind va Nujjehoage”. Nujjehoage, Nieuwenhagen, nog zo’n opgeslokt dorp, drie straten hiervandaan. “Ben je op reis”, vraagt ze en ik vertel haar over mijn missie, om ketens van verbinding tussen mensen bloot te leggen. “Interessant”, zegt ze “Bij ons in de familie hebben ze laatst ook zoiets gedaan, helemaal uitgeplozen hoe iedereen met elkaar verbonden is, tot aan het jaar 1600”. Misschien zoek je op een bepaalde leeftijd verbinding niet meer in de ruimte, maar in de tijd.
Is dit wat Berthy bedoelde?
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Jan, uit Dorsten, die mij onderweg onderdak bood, gaf me spontaan een brief mee aan Merle. Ook theatermaker. Ik fiets een boerenerf op, net als bij Jan schijnen hier verschillende generaties te wonen. Alleen de hond is thuis, hij lijkt niet blij om mij te zien. Merle's brief gaat in de brievenbus.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Jan woont met zijn familie in een intergenerationeel hij. Als jongste telg woont hij op zolder, oma op de begane grond. Zijn ouders op de eerste etage. "Als je eenmaal naar beneden moet, weet je dat het einde nadert," zegt Jan's vader. "Maar op een dag zal Jan hier wonen en wij daar beneden". Ik word verwend met allerlei lekkers, appeltaart, appelchips, appel- "Je helpt ons gewoon om de appeloogst weg te werken," zegt Jan's moeder. Jan is elektricien, maar dan voor fabrieken en energiecentrales. "Op een dag word ik misschien wel windturbinemonteur, dat lijkt me ook wel wat," zegt hij. "Hoe zit dat met die brieven en mag ik er ook één schrijven?" Ik leg hem uit dat ik eigenlijk alleen ketens van brieven maak vanuit brievenbussen in mijn thuisregio, maar dat ik wel eens een oogje toeknijp. De volgende ochtend - Jan is dan al lang en breed ergens de één of andere generator aan het repareren - vind ik een brief in mijn schoen aan Merle, ook theatermaker. Opnaar Merle! Jan's moeder propt nog een zak vol met gedroogde appels en ik ben klaar om te gaan.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Helaas lukt het niet meer om Anja persoonlijk te ontmoeten, dus ik doe de brief van Joseph door de brievenbus.
Later zoekt ze digitaal contact met me op en we spreken af om eens koffie te drinken, wanneer ik terug ben van het einde van de wereld ("dat bedoel je metaforisch, neem ik aan?")
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Andreas van 4 Linden stuurt mij een brief voor Odine. "Ze heeft een heel leuk atelier, met allerlei interessante kunstenaars. Echt mensen die jij moet ontmoeten," zegt hij.
Als ik aan kom fietsen, komt Odine juist aangereden met de auto. Ik blijk geluk te hebben. Dit atelier is pas net open en dit is de eerste dag dat ze er allemaal zijn.
Aan de gevel hangt een groot koeienhoofd. "Hier werden vroeger koeien verhandeld," legt Odine uit. "Dood of levend," vraag ik impulsief. "Allebei waarschijnlijk?"
Aan mij de eer om het eerste kopje koffie uit het gloednieuwe espressoapparaat te mogen ontvangen. Er staat taart op tafel om de officiële eerste werkdag te vieren. Ik kijk een atelier in en zie daar prachtige marionetten van enge dieren.
Odine schrijft tussen de taart en de koffie een brief aan Schang, ook kunstenaar. "Hij is tegenwoordig wat minder mobiel, dus zo'n opkikker kan hij wel gebruiken"
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Martien is de laatste van de drie-eenheid Kors - Richard - Martien. Ze ontmoetten elkaar bij de studie scheikunde in Nijmegen. Martien is naar Duitsland verhuisd. Je bent vanuit Herten hiernaartoe komen fietsen? In dat geval, kom binnen"
Ik val middenin een chaotisch tafereel: Martien's vrouw moet weg en er worden in allerijl kisten naar de auto gesjouwd. Men bereidt zich voor op een vlooienmarkt. Opa en oma zijn er ook, ze maken aardappelgratin. "Je bent dus een postbode die grenzen overbrugt? Dan moet je eens bij ons in Baarle komen kijken, daar leven we in België en Nederland tegelijk en dat gaat meestal goed" Twee meisjes rennen gillend in het rond. Lilly, de oudste, verstaat Nederlands, maar spreekt zelf alleen Duits. "Kijk, postbode, mijn spaarpot! Mijn pop! Mijn stiften!" Dan begint ze als een bezetene te kleuren: een prachtige regenboog. "Voor een ander meisje, in een ander land".
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Juf Jil stuurde haar kinderen een brief vanuit de performance in 4 Linden, maar de kinderen kregen ook post van buitenschoolse opvang Best4Kids in Heerlen!
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Kalle krijgt een brief van Schang. Ze ontmoetten elkaar ondat Kalle handmodel was voor Schang's fotografie. "Ik heb gehoord dat u erg mooie handen heeft," zeg ik. "Dat was vroeger," zegt Kalle, terwijl hij ietwat beschaamd zijn handen achter elkaar probeert te verstoppen.
Martina ziet er gestresst uit, ze zit gebogen over allerlei papierwerk. "Sorry, ik kan je nu even niet te woord staan". In haar stress lijkt er niet veel van de grond te komen. Ik kom niet echt gelegen. Toch geeft Kalle me de gelegenheid om mijn project uit te leggen.
Oh, dat doet me denken aan dit schilderij, ze wijzen naar een poster op de muur, van onze vriend Mohammed. Die heeft aarde van allerlei slagvelden in Europa verzameld en daar een plattegrond van gemaakt. "Hij probeert ook km wat ons ooit verdeelde ons te laten samenbrengen".
"Wil je mee eten?" Kalle blijkt een begenadigd kok te zijn. Martina is al wat gekalmeerd en legt uit wat er allemaal misgaat in huis. "En tot overmaat van ramp is ons toetsenbord niet meer Duits, ik krijg toch niets meer op papier zo?". - "Zal ik even kijken?", vraag ik. Ik maak hun toetsenbord weer Duits.
"Je kwam wel gelegen, heel gelegen," zegt Kalle, "als een engel uit de lucht," zegt Martina. Ze sturen me door naar Mona, vriendin en ook theatermaker.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Finn kreeg een brief van zijn moeder Jeanine - een verdienstelijke Luxemburgse kunstenaar - die ze schreef tijdens de performance in Sankt Vith. Finn is een jonge getalenteerde kok bij een fancy restaurant in Aachen.
In dit donkere trappenhuis probeer ik hem te vertellen waar ik mee bezig ben en hem uit te nodigen om een brief te schrijven om een keten van verbinding te bouwen.
Ik geloof dat hij opgelucht is wanneer ik zeg dat het niet per sé hoeft. De keten eindigt hier.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik besefte me dat ik bij die kerk aan het verkeerde adres was. Ik zette koers, terug naar Kerkrade. Naar mijn oom die ik al twintig jaar niet meer heb gezien. Zijn communieprentje ligt nu daar. Ooit was hij een kind dat zijn communie deed. Nu een veteraan uit dienst, die op het punt staat om te voet naar Den Helder te vertrekken met zijn hulphond om als benefietactie voor hulphonden bij PTSS.
“Fijn dat er contact is”, schrijft hij later. Ik vraag me ineens af waarom ik op zoek ben naar verbinding aan het einde van de wereld, terwijl het me in al die jaren niet is gelukt met mijn bloedverwanten om de hoek. Ik denk dat dit is wat Berthy bedoelde
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Odine stuurt een brief naar haar vriend Schang, ook munstenaar. Het huis van Schang en Anni's huis hangt vol met zijn kunst. Veel - zoals hij het zelf noemt - trouvées, maar hij blijkt van alle markten thuis: foto's, schilderijen, sculpturen.
Anni zet lekkers op tafel en Schang laat me zijn laatste klus zien: een flyer van theater K: "Hele leuke onafhankelijke theatermakers, misschien ontmoet je ze nog wel eens".
"Als je zelf eens een ontwerp nodig hebt, weet je me te vinden"
Schang besluit om me een brief mee te geven voor zijn vriend Kalle. "Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?", vraag ik. "Hij was vroeger handmodel en ik heb zijn handen meer dan eens mogen vastleggen."
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ronald is de baas van Fanny - ze werken in de bierbrouwersbusiness - en krijgt een brief van haar. Als reactie op een brief die hij eerder zelf stuurde vanuit Sankt Vith.
Daar zei hij over Fanny: "ze is onmisbaar, ik weet niet wat ik zonder haar zou moeten".
Fanny stuurt mij op pad met een brief terug. Naar Ronald's huis in Landgraaf, precies tussen Venray en Sankt Vith. Zo kan het ook. Een keten van verbinding, heen en weer, tussen partners in crime in de bierbrouwersbusiness.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Tijdens de performancd in Kerkrade kreeg ik een brief mee: van Kerkrade naar Simpelveld. Een brief van Pieter van de Berg naar Angelique van de Berg – van de Heuvel. Zijn echtgenote. Angelique van de Berg – van de Heuvel. Echt waar.
En daar houden de toevalligheden in Angelique’s leven niet op. Haar beste vriendin heet ook Angelique. En ze delen niet alleen een voor- maar ook een achternaam. Ze komen uit hetzelfde dorpje in Noord-Brabant. Zijn allebei voor de liefde naar Limburg verhuisd. Naar hetzelfde dorp. Wat zeg ik: naar dezelfde straat in hetzelfde dorp. Ionesco is er niks bij
.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ding dong. Ding dong. Ding dong.
Drie keer sta ik voor een gesloten deur. Later hoor ik van Angelique, die het van Bram had, die het weer van Mitch had gehoord dat Jordy op vakantie was.
Ik probeer het in het najaar nog eens, maar zonder succes. Ik geef het op, de keten eindigt hier.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Op het Burgemeeste van Grunsvenplein in Heerlen, tijdens Cultura Nova, gaf journalist Joes me een brief mee die ik niet kon weigeren. Een afslag. Hij was gericht aan de bedenker van het Maankwartier in Heerlen: Michel Huisman.
Een tijd geleden was het stationsgebied een verpauperd drugshol waar je nog niet dood gevonden wilde worden. Michel creëerde een een kasteel waarin nu geleefd wordt: gewoond, gewerkt, gereisd. Je kunt er zelfs werkloos wezen, er is een UWV-kantoor.
Ik word naar binnen gesleurd als een oude vriend door de kunstenaar met grijs professorenhaar.
“Jij bent nog piepjong”, zegt Deborah, ook kunstenaar en zijn partner. “Dat valt mee, antwoord ik, ik ben 40”. “Ja maar hoe oud ben je echt?” Ik twijfel. “26?”, zeg ik. “Dat baart me zorgen”, zegt Michel oprecht. “Ik ben 7.” Zijn gezicht klaart op. Dan rollen er weer rimpels over zijn voorhoofd. “Dus jij bent op zoek naar het einde van de wereld, nou dan hoef je niet ver te zoeken, dat is hier”. Ik ga ervanuit dat dit een vorm Heerlense zelfspot is en ik lach. Maar Michel blijft me met een strak gezicht aankijken. “We leven op een bol. Elk begin is ook een einde. Dus misschien moet je op zoek naar het begin”. Dit wist ik al, ik had toch in die performance ook al aan het publiek gevraagd waar oost eindigde en waar west begon. Wilde hij nou zeggen dat ik die hele reis sowieso niet hoefde te maken? “Hoezo ben jij 7”?” vraag ik? “Er is een moment dat je je als kind beseft dat je iemand bent. Dat kínd blijf je voor altijd. Dat kind dat “waarom” vraagt. Dit is maar een omhulsel. Als je op zoek bent naar het einde van de wereld – van jouw wereld, want iedereen heeft zijn eigen wereld – dan moet je op zoek naar dat kind. Wat is jouw eerste herinnering?”, vraagt hij. “Ik zit op een hobbelpaard in een donker flatje in Nijmegen. Mijn vader schreeuwt”, zeg ik zonder aarzelen. “Ik heb geen brief voor jou:”, zegt hij, “maar ik zou je wel aanraden om zelf brief te schrijven aan die Jordi in dat flatje in Nijmegen.
Over deze ontmoeting lees je meer in de brieven in de brievenbus in HuB Kerkrade.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
De brief van juf Manon wordt ook hier voorgelezen. Dan gaan er vingers in de lucht., “Waarom slaap je in een tent en niet in een huis?” “Wat doe je als je moet poepen?”, “Waarom ga je niet gewoon met het vliegtuig?”, “Hoor je wel eens dieren ‘s nachts?” “Mijn vader heet ook Jordi, maar jij bent niet mijn vader” Wat eet je onderweg?” “Je moet niet te veel fruit eten, want dan krijg je diarree”.
Toen kreeg ik een hele hoop post mee. Voor alle kinderen van over de hele wereld. Post die ik niet kon weigeren.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
De kids krijgen een brief van hun juffrouw Fatima. Het is een regenachtige dag en koud. "Normaal zouden we lekker buiten spelen", zegt een guitig jongetje.
Deze locatie van Best4Kids ligt in het groen, in het gebouw van scouting Landgraaf.
Ik krijg 2 brieven mee voor andere scholen op opvangen, ergens op de wereld. Misschien willen ze wel penvrienden worden?
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Onderweg ontmoette ik Juf Manon die mij een brief gaf die ik niet kon weigeren, aan haar kids. Die kinderen krioelen om mijn fiets heen. Ze mogen allemaal een stukje voorlezen en dat doen ze zoals kinderen dat zo mooi kunnen. Het was een lange brief die zich kort laat samenvatten:
"Beste volwassenen van de toekomst, raak het kind in jezelf niet kwijt.” Ik weet niet of dit tot ze doordrong. Misschien begrijp je zoiets pas als het te laat is
Ik krijg een brief mee voor Best4Kids centrum
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Joris en zijn vriendin zijn zelf fervente fietsers. Wilden ooit naar Timboektoe, dat lukte niet, maar fietsen in Afrika deden ze wel.
Joris krijg een brief van zijn neefje Noah. "Nu we zelf kinderen hebben gaat dat verre fietsen niet meer zo gemakkelijk, maar het mooie is dat het contact met de familie hechter wordt."
Als academisch onderzoeker naar migratie leerde Joris veel mensen van over de hele wereld kennen. "De wereld is inderdaad klein," zegt hij en geeft me een brief mee voor zijn vriend Yannick die ooit vanuit Congo naar Nederland kwam en nu mijn collega is. Zijn zoon Polle schrijft mee aan de brief, want Yannick's zoon Mitch is zijn vriendje.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Michel Huisman stuurde me op pad naar mijn vroegere zelf. Ik fiets langs het flatje waar ik op dat hobbelpaard zat, toen ik mijn eerste herinnering had. Maar die Jordi, die is weg.
De Jordi die hier nu staat is een beetje teleurgesteld, had zich van dit moment wat meer voorgesteld. Maar, besluit hij, het leven is nu eenmaal zoals zich het aandient.
Michel had beweert dat Jordi terug moest naar het begin, om het einde te kunnen vinden. Misschien is het wel andersom.
Ik fiets door naar mijn volgende brief.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Twee heren in smoezelige truien staan mij een beetje verbaasd aan te kijken. Eentje groot en eentje klein. Ze kauwen nog op iets. "Sorry dat ik jullie onderbreek," zeg ik. Ik leg kort uit dat ik een brief kom brengen van opa Piet. Die bij mijn performance was in Venray en een brief schreef aan Teun en of Teun een brief heeft om mij verder op weg te helpen.
Teun is de kleine van de twee en heeft net geleerd hoe je M-U-S moet schrijven, dus dat wordt een beetje lastig.
"Ik wil wel graag een brief schrijven," zegt Kors, aan mijn vriend Richard in Herten. Samen met Martien waren we vroeger een hechte drie-eenheid. Ik ben de enige die in Nijmegen is blijven plakken".
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
"Kun je ook een brief meenemen naar Georgië?", vroeg Anke aarzelend na de performance in Venray.
Anke heeft veel familie in het buitenland, en Inga is de moeder van de vriendin van haar neef. Ze spreekt alleen mmaar Georgisch, dus Anke kan niet direct een brief schrijven. Ik kom hem bij haar ophalen in Beek. Het is nog goed weer, dus we zitten in de tuin.
Ze had haar al eens ontmoet, een paar jaar geleden, had allerlei cadeautjes meegekregen en ze had haar nooit goed kunnen bedanken, mede door de taalbarrière.
Op kaarten en op foto's laat ze me zien hoe mooi Georgië is. Ik moet nog een tijdje fietsen om die schoonheid zelf fe aanschouwen, op weg om die brief aan Inga te bezorgen.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Een deur kraakt en gaat langzaam open. Een hoofd verschijnt, zoals in een poppenkast. Dit is alles wat ik van haar te zien krijg. Behalve haar hand die ook poppenkastgewijs tevoorschijn komt om de brief van Cara aan te nemen. Cara schreef haar die brief tijdens de performance in Eupen. Een brief schrijven wil ze niet. Ze wil het liefst, zo voel ik aan, de deur weer snel dichttrekken. Achter deze coulissen mag ik niet meekijken. De keten eindigt hier.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Noah krijgt een brief van zijn oma, die ze niet ver hier vandaan in het Odapark schrijft. Ze schrijft dat Noah heel bijzonder voor haar is.
"Dat was heel fijn om te lezen," zegt hij eerlijk en een beetje verlegen. In deze jongen huist niets kwaads. Hij moet nog even nadenken aan wie hij een brief zal schrijven.
De volgende ochtend kom ik die ophalen: hij is gericht aan zijn oom, Joris. "Waarom schrijf je een brief aan hem?", vraag ik: "Om twee redenen: omdat hij het verst weg woont van iedereen die ik ken en omdat hij momenteel een beetje ziek is, dus het zal hem goed doen."
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
"GEEN INTERESSE!", brult Fanny en ze slaat de deur bijna in mijn gezicht dicht. "Maar je weet nog helemaal niet wat ik kom doen," stamel ik van mijn a propos.
Ze dacht dat ik wat kwam verkopen. Maar ik kom haar alleen iets geven om vervolgens gratis een brief voor haar te bezorgen. Op de fiets!
Ik snap de twijfel, als iets te mooi lijkt om waar te zijn, dan klopt er meestal iets niet. Gelukkig weet ik haar ervan te overtuigen dat ik echt in vrede kom en leg ik haar uit dat ze zich niet verplicht hoeft te voelen.
Ze straalt wanneer ik haar vertel dat Ronald, van wie ze een brief heeft gekregen - helemaal vanuit Sankt Vith - haar "onmisbaar" noemt. Later die middag brengt ze me een brief. Aan...
Ronald!
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
“Voor wie heb jij post?”, vroeg ik aan Naomi tijdens de performance in Cultuurcentrum Hasselt - “Voor hem,” ze wees naar een jongen, een paar stoelen verderop. Een grote vriendelijke reuis. Ze hadden niks met elkaar, ze waren gewoon vrienden, goede vrienden. “Wat ga je schrijven? “Een inside joke”, iets over een barbershop. En aan wie zou jij dan iets sturen om de keten voort te zetten?”, vroeg ik aan Matthijs. Aan haar, zei hij. Ze strekten de armen volledig uit en konden net elkaars vingertoppen aanraken. “We zijn verbonden” zeiden ze. De fietssnelweg tussen As en Dilsen – waar je ook prima langzaam overheen kan fietsen – leek speciaal voor hen aangelegd. Ik zou tot aan het einde der tijden kunnen pendelen over dat kaarsrechte fietspad tussen Naomi en Matthijs.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Richard is de tweede van de drie-eenheid Kors-Martien-Richard. "Ik ben de stilste van de drie, dat zou je nu niet zeggen", zegt hij nadat we een tijdje hebben gepraat onder het genot van koffie en zelfgebakken appelflappen.
Ze studeerden gedrieën scheikunde en hielden altijd contact, ook al woont Richard nu bij Roermond en Martien helemaal in Duitsland, tussen Keulen en Bonn.
Daar stuurt Richard mij nu dus naartoe. En zo slingert hij mij van de binnenronde naar de buitenronde, richting einde van de wereld.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik heb geen tijd meer om de broer van Anette te ontmoeten, helaas...
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Een brief van Angelique van de Berg-van de Heuvel (echt waar!) aan haar zoon Bram. "Ik schrijf nooit brieven, maar ik merk toch dat het goed doet". L1 ging mee, je ziet de reportage - die eindigde in een spectaculaire drone-crash - HIER.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik ben nu al een aantal keer langs dit cultuurcentrum op de grens gereden en we hebben ook eens telefonisch contact gehad. Een cultuurcentrum in een oud douanehuisje, waar tegenwoordig mensen aan elkaar worden verbonden, in plaats van uit elkaar gehouden. Dat is voor deze fietskoerier een droom. Helaas tref ik niemand aan. Ik besluit om een brief achter te laten, ik hoop de mensen achter Kukuk nog eens te ontmoeten.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Joseph Oubelkas zat jarenlang onterecht in de gevangenis in Marokko. Door brieven bleef hij op de been. Ze hielpen hem om mensen te blijven zien in onmenselijke omstandigheden. Hij schreef er een boek over: "400 Brieven van mijn moeder". Toen ik hem mijn plan uitlegde zei ik: "Sorry, het is allemaal een beetje ingewikkeld" en hij antwoordde: "Misschien ligt het probleem niet bij jou, maar bij de wereld, bij de mensen die het niet willen begrijpen."
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Een man met kort zwart haar en glimlachende ogen kijkt me verwachtingsvol aan. Ik vertel hem wat ik kom doen: een brief bezorgen aan Naomi. “Kom even binnen.” Een peutertje met blonde krullen heeft net met zijn gezicht gegeten. Hij kruipt in de richting van een witte doos met... Bankbiljetten? “Naomi is in de kerk.” Het is zondag. “Toevallig ben ik vandaag thuisgebleven”, anders had je voor een dichte deur gestaan. Dingen gebeuren niet voor niets” Ik vertel hem over mijn plan. “Aha. Heb je nog geld nodig?”, vraagt hij. Licht ongemakkelijk vertel ik hem over subsidies en een crowdfunding. Hij loopt naar die witte doos en pakt er iets uit: “Dit is de grootste bijdrage die ik kan doen” Hij geeft me een biljet van €1.000.000! In welke wereld kan ik hiermee betalen? “Waarom doe je dit, met die brieven?” “Ik geloof – heel erg - in de mens,” zeg ik. De glimlach in zijn ogen maakt plaats voor iets ernstigers. Naomi’s vader zegt: “Je kunt je je hele leven lang keurig netjes aan de verkeersregels houden, maar als je één keer 52 rijdt, waar je 50 mag, dan ben je een overtreder.” Ik luister. “Wat is het grootste geschenk wat God ons heeft meegegeven?” Hij wacht niet op antwoord “Onze vrije wil. Dus ik kan zeggen wat ik wil, maar of jij luistert, daarop heb ik geen invloed.” De glimlach in zijn ogen is terug. “Dit geeft mij nou geluk. De waarheid. Die te mogen vertellen.” Pauze. “Dingen gebeuren niet voor niets”. Hij kijkt even naar mij, mijn fiets, mijn bepakking. “Je hebt nog genoeg tijd om daarover na te denken.”
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik ontmoette Vanessa tijdens de performance in Hasselt. Toen zei ze: "Wist je dat brieven voor sommige gevangenen hun enige contact met de buitenwereld zijn?" en "Ik ben niet gevaarlijker dan mensen zonder strafblad". Vanessa was ooit een gevangene, nu vertelt ze mensen over het leven in de gevangenis. Ondanks alles wat ze meemaakte is ze niet wantrouwend. Ze biedt me onderdak en een maaltijd aan wanneer ik haar brief kom ophalen. Maar, zegt ze: "Als het nodig is, sta ik mijn mannetje" en ze wijst op een grote koekenpan.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
"Wat kom je doen?", vraagt een meisje met ondeugende ogen. Een bedachtzaam jongetje in een voetbalshirt krijgt van mij een brief toegestopt.
Hij weet nog niet precies wat hem overkomt. Ik denk dat hij iemand is die pas spreekt als hij iets belangrijks te zeggen heeft. Zijn zusje heeft het hart op de tong: "We zijn pasta aan het eten, maar we hebben liever pizza of friet". Het ruikt naar bolognese. "Wat leuk, maar het eten wordt koud", zegt hun moeder. Ze hebben zo snel geen nieuw adres paraat. Vader Yannick ontmoette ik nooit: een collega-bezorger, ooit gekomen uit Afrika. Het mooie van de wereld en van het briefgeheim is de potentie: sommige verhalen blijven onverteld.
Locaties zijn bij benadering i.v.m. privacy
Ik ben nu even in een heel comfortabele setting: een luxe café in de stad Kyzylorda, een oase te midden van de eindeloze steppe met zijn lage struikjes, zijn tegenwind en witte herten, de steppe waarvan ik heb leren houden. Vaak is aan het einde van de dag de steppe mijn thuis en creëer ik een oase van rust in mijn tentje. Ik hoor de eindeloze weg door dit immense land dan alleen nog maar in de verte, als een verre herinnering, en ik laat me verrassen door de verrassende hoeveelheid leven in dit ogenschijnlijk onherbergzame gebied. Als je in de verte staart, zie je een bruine, soms gele en een beetje groene massa. De truc is om in de steppe niet vooruit te kijken, maar op de grond: daar speelt het leven zich af. Ja, zelfs bloemen, kleurrijke vlinders, knaagdieren, insecten, groen-rode bladeren die ik “steppesk” noem, en héél veel fluitende vogeltjes.
Ik schrijf dit trouwens op oude rekeningen van het restaurant waar ik nu zit. Weer een totaal andere wereld! Ik word in deze stad opgevangen door Nurbol: hij heeft me een soort van geadopteerd. Hij is 45 en werkt voor een oliemaatschappij. Zijn familie heeft een horeca-imperium, waaronder dit restaurant, een karaokebar, een discotheek en een hotel: mijn verblijfplaats voor 3 dagen. Even genieten van de luxes die een stad te bieden heeft. Even geen noedelsoep en gedroogde vruchten als diner. En elke avond karaoke! We hebben samen “Space Oddity” van David Bowie leren zingen: nog best een ingewikkeld lied! Nurbol zei vandaag enigszins melancholisch dat hij het zou blijven zingen en dan aan mij zou denken.
Gisteren was zijn zoon Nura jarig, hij werd 16. Als verjaardagscadeau gaf ik hem een geldbriefje, maar ook een brief. Ik wenste de jonge Nura succes op zijn levenspad en gaf hem nog wat wijze lessen mee, zoals dat je je dromen zoveel mogelijk moet verwezenlijken en dat je eens in je leven een lange fietstocht moet maken om te leren om simpel te leven. Nura is een goede jongen, dat zie je meteen. Nadat hij mijn cadeau ontvangt, gaat hij direct in een hoekje zitten om deze te vertalen en komt dan geëmotioneerd terug. Hij zei dat hij bij het lezen voelde, dat ik vanuit het hart schreef en dat hij daarvoor dankbaar is. Hij zei dat hij de brief voor altijd zal bewaren en legde zijn hand op het hart. Ik wil niet dramatisch doen, maar dit raakte mij dan weer in het hart. Dit is geen onverschillige tiener, maar een goed mens in wording, die in de gaten heeft dat de woorden die ik hem gaf een groter geschenk waren dan het geld. Het geeft me hoop voor de toekomst, dat de jongeren van nu affectie in een brief kunnen herkennen en de waarde ervan inzien.
Beste Sonia & Xenia,
Jullie gastvrijheid was zo overweldigend dat ik nauwelijks woorden kan vinden om mijn dankbaarheid uit te drukken. Toen ik in Oranzherei aankwam, stond de deur op slot en werd ik weggestuurd, maar toen ik daarna de groentewinkel binnenstapte, zag ik het ware gezicht van dit vissersdorp: solidariteit, vriendschap en natuurlijk: heerlijk eten.
Helaas heb ik tijdens mijn reis geen brieven gekregen om in Rusland te bezorgen. Daarom heb ik besloten jullie er een te schrijven. Bij de brief voeg ik een geschenk, een lotus, misschien ook een soort brief, van een vreemdeling niet ver weg, van jullie mede-Russische burger die in een andere wereld leeft, een wereld van boeddhistische tempels en Mongools erfgoed. Ik heb hem gekregen van Svetlana in de tempel van Dzhalykovo, zijn jullie daar geweest? Zo niet, dan raad ik jullie aan hierheen te komen en haar te ontmoeten. Zij zal je de geschiedenis van de tempel en haar volk uitleggen. Ik heb geen religie, maar het boeddhisme blijft mijn pad kruisen tijdens deze reis. Eerst bezorgde ik brieven van boeddhist aan boeddhist, van Berlijn naar Italië naar Slovenië, en daarna kwam ik door Kalmukkië, een regio waar ik nog nooit van had gehoord. De steppe met zijn koude wind en eindeloze rechte wegen, grijze strepen, perfect recht, alsof ze met een potlood zijn getekend. De steppe is voor mij een beangstigende plek, maar gelukkig kon ik deze twee oases van menselijke warmte vinden. Daarom geef ik dit geschenk aan jou door, van mens tot mens, over het land, omdat anderen binnen fietsafstand liggen. En ik ben blij dat mijn pedaalslagen me naar jou hebben gebracht, en dat ik jouw vriendschap heb gevonden.
Ik heb iets nieuws ontdekt! Ik ben zélf ook speler in het dit geheel. De boodschapper, de messenger, de bode, ik, ben een mens van vlees en bloed, die ook contact kan zijn in deze ketens. Zo kan ik dus - met de kracht van verbinding - een gestrande brief nieuw leven in blazen door een brief aan te nemen van iemand die graag wil schrijven. Zoals Yalçin de filosofieleraar of Ilya uit Belarus, die in Georgië een vegetarische en alcoholvrije community runt en heel wat contacten heeft in Zuidoost-Azië. Verbonden zijn, verbinden, dat is niet iets wat voor het oprapen ligt, maar waar je je best voor moet doen.
Taal is erg beperkend. Je hebt zoveel woorden nodig om iets uit te leggen, wat je in je hoofd in een fractie van een seconde kunt zien. Aan de andere kant is dat ook de schoonheid van taal: de ander gaat met jouw woorden aan de haal, maakt er een eigen mentaal plaatje van. En zo schuilen er in woorden eindeloos veel werelden. De tinten blauw en grijs van de Zwarte Zee in jouw hoofd zijn net anders dan die van mij. Misschien reis ik daarom met brieven de wereld over: in een verwoede poging om te “vertalen”, om al die mentale plaatjes wat dichter bij elkaar, of misschien naast elkaar te plaatsen.
De beroemde Bosporusbrug in Istanbul is een snelweg. Het was makkelijk om bij het begin te komen, er was een brede berm en de weg leek veel op andere Turkse snelwegen.
Maar dan zie ik het eindeloze aantal auto's dat heen en weer rijdt. Wat te doen? Er was geen weg terug, ik moest de brug oversteken om in Azië te komen. Dus begin ik gewoon zo hard mogelijk te trappen en probeer ik er niet aan te denken. Plotseling bevind ik me midden in het hectische verkeer van Istanbul, met bussen en auto's die met 100 km/u voorbijrazen. Sommigen toeteren naar me. Maar dan realiseer ik me dat ze niet toeteren op een slechte manier, maar om me te begroeten! En voor ik het weet, zie ik borden met de tekst: “Welkom in Azië”. Het was zo makkelijk!
Ik fiets nog een stukje door en stop bij een bushalte. Een busmedewerker begeleidt me naar het perron en wijst me de weg naar de uitgang, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Een gevoel van vreugde gaat door mijn hele lichaam. Ik ben in Azië, en ik heb het op eigen kracht gedaan!
Ik heb heimwee, voor het eerst sinds lange tijd, misschien wel voor het eerst in mijn leven. Ik denk dat het komt omdat mijn moeder en mijn goede vriendin Lisa net uit Istanbul zijn vertrokken. Ze waren een paar dagen bij me op bezoek. We hebben het leven van toeristen geleid, ons verwonderd over de wonderen van Istanbul, heel veel foto's gemaakt, een paar keer opgelicht en 's avonds bordspelletjes gespeeld. Voor het eerst in drie maanden stond ik even stil. Ik heb een beetje geproefd van het rustige leven thuis en tijd doorgebracht met mensen van wie ik houd en met wie ik een diepe band heb. Ik mis dat, en ik mis hen. Het voelt alsof er een knoop in mijn maag zit.
Ik ben nog steeds onderweg met kettingen uit Eupen, Hasselt en Venray. En natuurlijk een brief naar huis uit Kerkrade van mijn vriend John. Laten we niet vergeten dat je ook verbonden bent met de mensen die deze brieven hebben geschreven, net zoals je verbonden bent met mij. Dus ik hoop dat je mijn reis naar het einde van de wereld blijft volgen, zoals mijn volgende grote uitdaging: het oversteken van de Bosporus. De Bosporusbrug is niet toegankelijk voor fietsen. Er is wel een trottoir, maar daar mag je niet meer overheen lopen vanwege zelfmoorden. In Turkije zijn de regels echter nogal flexibel en ik heb al eens op een snelweg in tegengestelde richting gefietst om een hotel te bereiken waar ik een paar dagen geleden verbleef. Dus ik ga het gewoon proberen! Ik heb geen idee wat er zal gebeuren als ik het niet haal. Als ik gearresteerd word of in een voertuig wordt begeleid, komt er een einde aan mijn menselijke kracht. Wat zou dat voor mij betekenen, voor dit project? Ik weet het echt niet. Je leest er waarschijnlijk meer over in mijn volgende brief.
Door te schrijven heb ik minder heimwee. Ik voel me nu beter! Hoopvol, enthousiast voor de uitdaging die voor me ligt. Misschien realiseer ik me gewoon dat ‘falen’ deel uitmaakt van de reis. Ik zal ermee omgaan en een plan bedenken, zoals ik de afgelopen drie maanden heb gedaan. Ik kan het. Er zijn altijd vrienden onderweg. Ik ben verbonden.
Overal in de stad vind je loslopende honden en katten. De honden blaffen soms en de katten willen vaak knuffelen. Dat schijnt een overlevingsmechanisme van zoogdieren te zijn, dus zoals ik ook eet en water drink, laaf ik me ook aan de liefde van die straatkatjes. Ik ben al bijna 3 maanden onderweg en je knuffelt nu eenmaal niet zo snel mensen die je niet zo goed kent. Voor iemand die gestes van affectie vervoert slaat de huidhonger dus wel eens toe. Affectie lijkt voor het oprapen, het schuilt in de enveloppen die ik bij me draag en ik voel haar overspringen in de lichte aanraking van hand tot hand, wanneer ik een brief aflever. Maar al die affectie is niet voor mij bedoeld: ik ben maar de boodschapper. Daarom ben ik alle lieve katjes die ik mag ontmoeten erg dankbaar. Over menselijke warmte en die van huizen mag ik overigens ook niet klagen. Vandaag slaap ik in het appartement van landgenoot Niek, die als zelfstandige in de tech-sector werkt en enthousiast couch surfer is.
Ik heb onlangs ontdekt dat het veel gemakkelijker is om emoties over te brengen in een brief als je weet aan wie je schrijft. Dus schrijf ik je, Didier, maar ook als je niet Didier bent, kun je gerust verder lezen. Doe alsof je ‘D’ bent, of zet een D voor je eigen naam. Ik schrijf je vanuit Tivat, Montenegro, een klein toeristisch stadje in de baai van Kotor. Hier zie je kentekenplaten uit de hele wereld. Ik zag net een Nigeriaanse! En het is vrij normaal om Servische auto's naast Albanese auto's te zien staan, of Russische auto's naast Oekraïense.
Ik zit buiten. Ik voel een warme zeebries mijn gezicht strelen. Het is eigenlijk niet zo warm, maar na de strenge winter in Bosnië te hebben doorstaan, voelt het milde mediterrane klimaat als een zegen voor mij, en ik breng elke minuut buiten door zonder te rillen, alsof het mijn laatste is. Dat zou best eens kunnen. Wie weet wat me te wachten staat! [...]
Hoe gaat het daar? Ik vraag me af of je een zacht briesje hebt dat je wangen kietelt. Ik vraag me af of het grijs of zonnig is en wat voor wolken je hebt. Ik kan de lucht hier op dit moment niet beschrijven. Het is zo ingewikkeld! Sommige delen lijken op strepen van mist, andere delen lijken op wolkenbergen met tinten blauw, grijs en wit, en weer andere delen zijn helemaal babyblauw. Ik kan de oceaan niet zien vanaf waar ik nu zit, maar ik weet zeker dat hij net zo blauw is als altijd. Ik heb geprobeerd foto's te maken, maar het is onmogelijk, deze nuances van blauw zijn niet vast te leggen. De enige manier om ze te zien, is door ernaar te kijken of deze brief te lezen.
Nou, er is dus een hoop gebeurd onderweg. Veel ontmoetingen, een paar mensen die niet mee wilden doen, maar vooral groot enthousiasme en gastvrijheid. Zoals in Orvieto, waar ik een brief aan Chiara en familie bezorgde op Eerste Kerstdag ("je bent een kerstelf!") en voor ik het wist aan een potje Monopoly zat.
Maar ook: van een kampeerplaats verdreven worden door een herdershond in Tsjechië en twee bijna-aanrijdingen, waarvan één expres: deze buschauffeur wilde mij een lesje leren omdat ik zijns inziens niet op de correcte plek reed. "Dat is nog geen reden om iemand expres bijna dood te rijden," brulde ik hem in het gezicht en dat kwam uit mijn tenen. De andere keer was in Italië door een vrouw in een klein Fiatje Panda (knalrood), enkele meters verder zette ze me klem om zich uitgebreid te verontschuldigen.
En: het werkt! Door ketens van brieven te maken kom je echt ergens. De anders is op fietsafstand. Hoe verder ik van huis ben, hoe meer mensen ook lijken te waarderen dat ik dit allemaal op de fiets doe. Ondanks het feit dat de vermoeidheid soms toeslaat en er soms fysieke klachten zijn, sterkt dit me in mijn missie.
Maar meestal is de ontvangst hartelijk. Zoals vandaag bij Andreina. Ze deed een tour door de kerk, die zijn volledig wil bekleden met mozaïek, terwijl ik wachtte. Toen werd ik uitgenodigd voor de lunch, zelfs om te blijven slapen. En ik kreeg een brief mee voor Kroatië!
Haar project is trouwens ongelooflijk: ze wilde deze kerk redden van de sloop en besloot aan te bieden om er een kunstproject van te maken, zonder daar ook maar iets voor terug te krijgen. Ze ontdekte al snel dat haar plan om de hele kerk een mozaïek te maken zo ambitieus was, dat ze hulp nodig had. Er begonnen vrijwilligers en kunstenaars toe te stromen. Iedereen droeg letterlijk een steentje bij. Nu is de kerk een toeristische attractie.
Hoe kwam ik hier terecht? Dat vertel ik je zo, want ik wil eerst nog even terug naar die vorige brief uit Schleswig Holstein. Ik vertelde daarin dat mijn volgende brief me naar Berlijn zou brengen. En kort nadat ik die brief schreef, kreeg ik nóg een brief naar Berlijn, dus dat kwam goed uit. Toen ik de vorige keer schreef, moest ik mijn eerste brief van elke "keten van verbinding"nog bezorgen. Inmiddels zijn alle ketens al goed op gang, maar sommigen ook verbroken. Ik wilde hier een huilend gezichtje tekenen, maar ik vind dat dat in een brief niet mag. Een kaartje tekenen met mijn huidige ketens van verbinding is dan wel weer toegestaan.
Ik ben benieuwd hoe het voor jullie is om te horen over dit bestaan op spierkracht. Misschien klinkt het romantisch en vrij, maar geloof me, het is ook vaak erg moeilijk. Dan ben ik jaloers op jullie, met elke dag een warm bed, elke maand salaris en vrienden, collega's, familie om je heen. Voor mij is dit leven "buiten de samenleving" vaak wat intenser. Wanneer ik mensen ontmoet die mijn project kunnen waarderen (sommigen bedanken me herhaaldelijk voor wat ik doe), bijzondere ontmoetingen heb (zoals met de kleine Leo in München, die mij een kerstcadeautje gaf: "Pas openen met kerst", zei hij ernstig) of prachtige plekken zie, zoals Florence: dan is de blijdschap groot en heb ik het gevoel dat ik goed bezig ben. Maar op een mistige en regenachtige dag in de Apennijnen, op 900m hoogte, waar ik niks kan zien en met koude tenen, of als weer eens een automobilist me bijna van de weg rijd om me een lesje te leren of wanneer iemand een brief van me bezorgd krijgt, waar ik soms dagen voor heb gefietst en daar dan helemaal niet geïnteresseerd is, tja, dan kan verdriet of eenzaamheid, of het gevoel dat niemand je begrijpt, ook alles overheersen.
Het brengt me terug naar mijn overnachting in Odapark, zo’n twee maanden geleden. Ik maakte me al klaar om te gaan slapen, toen Piet op de glazen ruit tikte. Hij was bij de performance geweest en wilde mij nog een brief meegeven aan zijn kleinzoon Teun in Nijmegen. Dat treft: ik moet Anke’s brief ophalen in Beek en voor de kleine Noah een brief aan zijn oom Joris langsbrengen in Nijmegen, dus dan neem ik die brief aan Teun ook nog wel mee! Piet vertelt me over de magie van taal, over hoe mooi het was om te zien dat de kleine Teun voor het eerst realiseerde dat: mmmm, uuuu, ssss -> m-u-s -> mus! MUS! Kinderen leren snel. Welke woorden zou Teun nu al kunnen lezen en schrijven? Toen ik daar was, nog niet genoeg voor een brief, dus die schreef zijn vader Kors. Een brief aan diens goede vriend Richard in Roermond, ze kenden elkaar nog van de studietijd, daar vormden ze een soort drie-eenheid met Martien, die nu bij Bonn in de buurt woont. Een mooie route van grensoverschrijdende verbinding, waarbij het mooie is dat ik niet alleen naar punten op de landkaart reis, maar een vrijbrief op zak heb om achter de gordijntjes te mogen kijken: in het dagelijks leven. Zo blijft het beeld van Teun en Kors in smoezelige truitjes bij me (er werd net gegeten!), en de smaak van zelfgebakken appelflappen bij Richard.
Ik had deze Duitse postzegel nog over, dus besloot jullie een kaartje uit München te sturen. Ik kwam hier niet om de mooie gebouwen van buiten te zien, maar om de stad van binnenuit te bekijken: woonkamers, keukens, gezinnen, verhalen. De brieven die ik hier bezorgde, brengen mij nu naar Italië en Griekenland!
Op 30 augustus begon mijn route in Kerkrade en sindsdien verplaats ik me alleen op menselijke kracht. Geen treinen, auto's, vliegtuigen, veerboten, nee, zelfs geen liften of roltrappen (een week geleden in Straatsburg, Frankrijk, weigerde ik Decathlon binnen te gaan, omdat ze alleen roltrappen hadden). Ik geloof dat ik door me alleen met menselijke kracht voort te bewegen, de aandacht – waarmee de handgeschreven brieven die ik bij me heb zijn geschreven – levend houd.
Aandacht zit vaak in details, of in kleine, onbeduidende dingen. Het gaat er niet om hoe goed je zinnen zijn, maar om hoeveel moeite je erin steekt. Hoewel ik niet weet wie je bent, probeer ik je vanaf hier mijn genegenheid te sturen. Ik zit aan een houten tafel in een groot huis met hoge plafonds. Als je door dit huis loopt, kraakt de houten vloer onder je voeten. Je hoort dat veel mensen op deze vloer hebben gelopen, hun verhalen zijn onbekend, maar in het gekraak hoor ik het potentieel. Zoals jouw potentieel, en ik hoop dat ik ooit jouw verhaal te horen krijg. Ik ben in dit huis op uitnodiging van Erich en Annette. Zij nodigen fietsreizigers uit in hun huis om hen te helpen. Ze vinden het leuk om deze hoge plafonds te delen, er is hier genoeg lucht om te ademen. Als ik naar links kijk, zie ik de Wörthsee en achter de heuvels zie ik de besneeuwde toppen van de Alpen. “Dat daar,” zei Erich net tegen me, “is de Zugspitze.”
Odine stuurt me naar Schang in Kohlscheid. Een veelzijdige man: beeldhouwwerken, grafisch ontwerp, fotografie. We spreken in een mengeling van Duits, Nederlands en Engels. Hij geeft me een brief voor Kalle in Aken. “Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?”, vraag ik. “Hij was mijn favoriete handmodel.” Als ik Kalle naar zijn mooie handen vraag, verstopt hij ze in zijn trui. “Ze waren ooit mooi.”
Martina, zijn vrouw, is erg gestrest en bezig met brieven, paspoorten en bankkaarten. Niet het juiste moment? Een half uur later lunchen we samen: Kalle is een getalenteerde kok en Martina is gekalmeerd. Ik heb haar geholpen om het toetsenbord van haar computer weer op Duits in te stellen, dat hielp. “Je timing was perfect, als een engel”, zegt ze.
Ze sturen me naar hun gemeenschappelijke vriendin Mona in het voormalige Havanna in Aken, waar ze bezig zijn om er voor de komende maanden een theater van te maken.
Drie dagen geleden in Tsjechië overkwam me iets beangstigends: ik wilde kamp opslaan op een kampeerplaats (openbaar, maar onbemand) aan het meer Milada, vlakbij de stad Ústí nad Labem (Labe is Tsjechisch voor Elbe, maar hier had ik een minder gastvrije ontmoeting). Aangekomen bij de kampeerplek zie ik al een tent staan. Ik ben eerst blij dat ik gezelschap heb. Maar dan hoor ik een vrouw huilen, een man verheft zijn stem. "Hallo, hello," zeg ik. En dan is het muisstil. Ik ken het gevoel: je hoort iets buiten je tent en bevriest, hoopt dat "het vreemde" vanzelf verdwijnt als je je dood houdt. Maar ik heb er een lange dag opzitten, het is koud en donker, dus ben niet van plan verder te reizen. Dan beginnen de man en de vrouw te roepen. Naar elkaar? Naar mij? Ik heb geen idee, want ik versta ze niet. Plots ritst de tent open en springt daar een levensgrote herdershond uit, die recht op me afspringt. Ik schreeuw: "Hey! Hey! Hey!" en spring achter een bankje, oog in oog met de gevaarlijk ogende hond. De man roept gelukkig de hond nu terug. Ik kan de tent nu van binnen zien. Deze mensen zijn geen recreanten. De voortent is gevuld met schoenen. In de tent, naast het "bed" liggen supermarktzakken vol met boodschappen. Deze mensen wonen hier. De hond beschermt zijn territorium.
Twee maanden geleden kreeg ik een brief van Ronald, de vader van Ruben Wit (Ruben is de kunstenaar die deze prachtige brievenbus heeft gemaakt!) hier in Sankt Vith. Aan Fanny in Venray. Ronald werkt in de bierbrouwerij en is Fanny's baas: "Ze is de beste, ik zou niet weten wat ik zonder haar moest doen", vertelt hij me. Een paar weken later bel ik bij haar aan. Ze kijkt naar mij, naar mijn koffer met brieven en roept: "GEEN BELANGSTELLING." Ze slaat de deur bijna dicht, maar met een vriendelijke en kalmerende stem probeer ik haar te overtuigen om me even de tijd te geven. Ik verzeker haar dat ik haar niets wil verkopen. Ik breng iets mee, een cadeau, en ik zal het gratis bij haar bezorgen. Het kost wat tijd, maar ik win haar vertrouwen. Haar gezicht klaart op en ze glimlacht als ik haar de vriendelijke woorden vertel die Ronald over haar heeft gezegd.
Het gevoel, waarmee de schrijver de brief had doordrenkt, leefde dus nog!
Ik hoop dat jij terwijl je deze brief leest, ook iets van mij meekrijgt: een gevoel van intentie. Want om die menselijkheid is het mij te doen, daarom fiets ik nu de wereld over met brieven, omdat ik geloof in het goede van de mens. In een tijd waarin groepen mensen steeds verder van elkaar af lijken te staan, wil ik onze nabijheid tastbaar maken.
...
Na de performance in Hasselt kwam er een vrouw met rode haren naar me toe. Vanessa. Ze is zo iemand van wie je niet goed kan inschatten hoe oud ze is: ze ziet er jong uit, maar als je even in haar ogen kijkt, herbergen die een wereld aan ervaringen. Ze nodigde me uit in Tessenderlo, want ze had wat meer tijd nodig om een brief te schrijven, maar ze vroeg of ik die toch alsjeblieft wilde komen ophalen: "Ik vind het heel mooi dat iets over brieven hebt verteld," zei zei, "Wist je dat brieven voor gevangenen soms het enige contact met de buitenwereld zijn?"
Over de inhoud en de ontvanger deed hij een beetje geheimzinnig. Was het wel zo'n goed idee om die brief te schrijven? Hij deed het uiteindelijk niet. Hij besloot — gek genoeg — om mij een brief aan zichzelf te schrijven. Naar het einde van de wereld en weer terug. "Zo weet ik zeker dat je weer bij ons terugkomt."
Hij zei dat ik ik het briefgeheim gerust mocht negeren. Als ik af en toe een stukje wilde lezen als motivatie, dan mocht dat best. Motivatie kan ik op deze frisse en mistige ochtend goed gebruiken. Dus ik zal de brief nu openen en voor het eerst lezen.
......
Het blijkt een prachtige brief. Een fragment:
"Jordi fietst niet om te ontsnappen, maar om te vinden: vrijheid, stilte en misschien ook een stukje van zichzelf, maar vooral: de goedheid van de mensen."